Arbeiders (Kielland)/XIV

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XIII Arbeiders van Alexander Lange Kielland

XIV

XV


[ 146 ]

XIV.

Des zomers woonde de familie Bennecken in een klein in Zwitserschen stijl opgetrokken huis op het Ladegaardseiland dicht aan het strand. Het was gebouwd op den grond die aan Falck-Olsen behoorde; de villa van deze familie was eenige honderden schreden verder op eene hoogte gelegen.

Wijl de afstand tusschen de twee villa's dus gering was, kwamen de familiën veel bij elkaar; inzonderheid ging de familie van den minister dikwijls naar de fraaie, ruime villa van de Falck-Olsens, omdat hunne woning vrij klein was.

Mevrouw Bennecken had de economie bestudeerd en dus een open oog voor de voordeelen, welke deze manier van huishouden aanbood; van haren kant was mevrouw Falck-Olsen er zeer mee ingenomen, dat hare buren zoo dikwijls kwamen, daar zij wat afwisseling, waarop zij zeer gesteld was; aanbrachten.

Zoo hadden de beide familiën jaren lang den zomer doorgebracht tot wederzijdsch genoegen en voordeel, maar van 't jaar scheen er iets aan te haperen: de ellendige Actiën-Bank was er schuld van.

De algemeene vergadering was op den twintigsten [ 147 ] Augustus vastgesteld. Zooals men reeds vermoedde, had de oude raadsheer Falbe zich niet weer verkiesbaar gesteld, en nu wilde de heer Falck-Olsen bepaald, dat de minister bij de keuze voor eenen Directeur zijne stem op hem zou uitbrengen. Bennecken daarentegen beweerde hardnekkig, dat Falck-Olsen slechts onder zekere voorwaarden op zijne stem zou mogen rekenen.

Den geheelen zomer zat deze quaestie in de lucht en bedierf aller genoegen. De dames bespraken de zaak ook dikwijls en werden er soms zenuwachtig van.

Mevrouw Falck-Olsen vond, dat de minister heel goed haren Ole Johan zijnen zin kon geven en mevrouw Bennecken beweerde, dat de groothandelaar het best zou doen naar den raad van eenen man als haren Daniël te luisteren.

In den namiddag van dien zoo gewichtigen verkiezingsdag zaten de beide dames, ieder in haar eigen huis op het stoombootje te wachten, waarmede de heeren gewoonlijk uit de stad kwamen.

Mevrouw Bennecken was slecht geluimd. Al hare overredingskracht had zij aangewend om haren man tot andere gedachten te brengen, maar te vergeefs. De minister had zoo gewichtig mogelijk gezegd: "ik kan het niet Adelaïde!.... ik durf het niet!" en wanneer hij dien toon aansloeg, wist mevrouw bij ervaring, dat er niets aan te doen was. Nu zat zij in de huiskamer, die, wijl het huis alleen voor zomerverblijf was ingericht, volstrekt op geen comfort aanspraak kon maken; den ganschen dag zich hier te moeten ophouden, was allertreurigst; het regende dat het goot en de etenslucht drong door de dunne wanden uit de keuken tot in de zitkamer door.

De regen werd minder en mevrouw Falck-Olsen besloot haren man van de aanlegplaats af te halen, toen zij de boot den hoek zag omkomen.

[ 148 ] De twee heeren kwamen van de boot, liepen samen een eindje op en toen barstte de toorn van den groothandelaar over het hoofd van den minister los. Hij had niet eerder gelegenheid gehad zijn hart te luchten, want de boot was stampvol geweest.

"Ja, dat had ik volstrekt niet kunnen denken," riep hij op bitsen toon uit, "ik ben verwonderd, ja waarachtig verbaasd ben ik.... dat gij het hebt durven wagen, Bennecken...."

"Het doet mij leed, Olsen, maar ik heb het u vooruit gezegd; ik heb niet anders kunnen handelen; consideraties van hooger belang...."

"Consideraties!—mij dunkt, dat gij mij vrij wat meer consideratie verschuldigd zijt,.... ja vrij wat meer...."

"Nu, nu, Ole Johan!.... maak je niet zoo driftig," zeide mevrouw, die hen ontmoette.

"Ik weet niet, waarom jij je in de zaak mengt, moeder! hij daar," en met het stompje van zijne sigaar wees hij naar den minister, hij bracht zijne stem op Consul Lind uit, en dat niettegenstaande hij weet, dat, zoo ik wil, zoo.... maar wat hij van daag heeft gedaan, zal hem berouwen, daar kan hij op rekenen."

"Luister een oogenblik naar mij.... Falck-Olsen," sprak de minister. Hij was buitengewoon bleek en de hoeken van zijnen mond zag men zenuwachtig heen en weer gaan, toen hij beproefde te glimlachen, "hebt gij er nooit aan gedacht, dat het volstrekt noodig is.... dat u hier iets ontbreekt," en de minister legde met waardigheid den vinger op den linker omslag van de jas des heeren Falck-Olsen.

"Loop naar den d.... met die mooie praatjes, denkt gij mij aan het lijntje te houden. Goddank scheelt het mij nog niet in het hoofd.... dat zult gij spoedig genoeg ondervinden."

Na deze woorden geuit te nebben sloeg hij haastig den [ 149 ] weg naar huis in. Mevrouw Falck-Olsen had de woordenwisseling van de heeren met belangstelling gevolgd. Zij wisselde eenen beteekenisvollen blik met den minister en hij knikte bevestigend.

"Kunnen wij er zeker van zijn?" vroeg zij.

"Geheel zeker, als hij zich verstandig gedraagt; dat is te zeggen.... na verloop van eenigen tijd."

"Nu dan zal ik de zaak wel opknappen," antwoordde zij.

"Ja, zoo gij dat kondt beste mevrouw," riep de minister met warmte uit. Hij wilde hare hand grijpen maar die zat onder den regenmantel zoodat zij met een hoofdknik afscheid moesten nemen.

Toen Mevrouw Falck-Olsen thuis was gekomen, vond zij haren man met den hoed op in zijne kamer schrijven, zij hoorde de pen krassen.

"Je schrijft.... Ole Johan!" vroeg zij op schijnbaar onverschilligen toon.

"Ja.... ik schrijf naar het kantoor, dat de rekening van Bennecken van middag opgemaakt moet worden, dadelijk geen oogenblik mag het verschoven worden."

"Ja, dat kan ik mij voorstellen, want je bekommert je natuurlijk niets om zijn aanbod."

"Aanbod! welk aanbod?"

"Och, je hebt toch altijd den gek geschoren met al die kinderachtigheden," ging mevrouw voort, terwijl zij haren regenmantel afdeed.

"Maar wat bazel je dan toch? wat meen je?"

"Begreep je het werkelijk niet?" vroeg mevrouw, en zij deed of zij een en al verbazing was.

"Wat begreep ik niet? wat praat je toch voor domme dingen?" riep hij uit, en draaide naar haar toe.

"Wel heb ik van mijn leven, begreep je werkelijk niet, Ole Johan wat de minister meende. Sloeg je er geen acht op, dat hij hier zijne hand legde?"

"Begin jij mij nu ook met die praatjes? neen, neen.... [ 150 ] ik zal...." Verder kwam hij niet, want vol verbazing staarde hij zijne vrouw aan die het uitproestte van 't lachen.

"Och, jij verstandige Ole Johan! Hoe zou het met je gaan? zoo gij mij niet hadt. Wat is dat?" en zij hield hem bij den linker omslag van de jas vast. Wat hebben voorname groote mannen hier gewoonlijk zitten, wat ontbreekt daar? Nu?" Mijnheer de groothandelaar; Ole Johan Falck-Olsen, tuimelde drie schreden achteruit en bleef eindelijk voor den spiegel staan; hij keek beurtelings in den spiegel en naar zijn linker jasomslag, terwijl hij wat aan het knoopsgat friemelde.

Denk je werkelijk, dat hij dit meende?"

"Natuurlijk! maar dan moet gij je aan eene bepaalde partij aansluiten, zoo als hij zegt en dat wil je toch niet."

"Dan kon je de bal wel eens leelijk misslaan," riep hij uit en draaide op zijne hakken rond, "de eene dienst is de andere waard, verlangt hij niets anders van mij, zoo...."

"Maar beste man, wanneer je dat vroeger had willen doen, zoudt gij Directeur hebben kunnen worden."

"Och wat, wat maal ik om dien ellendigen post van Directeur! denk je dat ik daar een zier om geef? Maar dit.... zie je, is heel wat anders; dat is werkelijk iets. Zoo het maar vlug in zijn werk kon gaan!"

"Niet lang geleden stak je den draak met de Gele Vereeniging, en ik zag dadelijk, dat de minister daar over uit zijn humeur was."

"Bravo, Malene! Ik zal den minister vragen mij in de Gele Vereeniging op te nemen. Ja, ja Malene, Salomo heeft het bij het rechte eind, wanneer hij zegt: hij die eene goede huisvrouw .... of zoo iets."

"Ik vind niet, dat jij je, wat huwelijkszaken betreft, juist aan Salomo zoudt houden," antwoordde mevrouw, terwijl zij zich door haren goed geluimden man liet omhelzen.

[ 151 ] Toen Hilda Bennecken, die met dezelfde boot uit de stad was gekomen, de kamer binnenkwam, was het dienstmeisje bezig de tafel te dekken in de woonkamer. Eene afzonderlijke eetzaal hield men er buiten niet op na.

"Nu ben je daar eindelijk.... doornat natuurlijk. De Hemel mag weten waarvoor je eigenlijk in zulk weer naar de stad moest gaan, maar zoo doe je altijd."

"Ja maar mama, van morgen was het zulk helder mooi weer, en...."

"Och het mocht wat.... je bent nooit gelukkig in je plannen, dat is nu eenmaal zoo en daarom verwek je slechts ergernis. Is Alfred niet meegekomen?"

"Neen, hij heeft mij gevraagd thuis te zeggen, dat hij in een restaurant met den zwager van Hiorth, geloof ik, zou eten."

"Die gemeene Hiorth!" zeide mevrouw zuchtend en zag naar de stoomboot, die weer van wal ging.

Hilda was aan zulke uitvallen gewoon. Zij deed haren hoed en mantel af en hing die in den gang te drogen. Toen zij weer binnen was, waagde zij te zeggen: "Die arme Christine! zij is volstrekt niet gezond. Zou het niet goed zijn, zoo wij dokter Rohde eens vroegen, naar haar te gaan kijken?"

"Hoor, Hilda!" zeide mevrouw, en rood van kwaadheid stond zij vóór hare dochter, "het verveelt mij geducht, dat je mij altijd plaagt door over dat mensch te spreken. Eens vooral, zeg ik je nu, dat ik haren naam niet meer wil hooren noemen.... geen enkele maal, begrijp je me? Wij hebben meer voor haar gedaan, dan de meesten in onze positie zouden doen, en je weet zelf, hoe onze woning in de stad er na die bruiloft uitzag. Nu is het, dunkt mij, genoeg; en ik verbied je een' voet over haren drempel te zetten, hoor je? Altijd, bij alles wat jij uitvoert, verwek je ergernis en onaangenaamheid."

De minister kwam nu binnen, doch ziende dat er [ 152 ] onweer aan de lucht was, vluchtte hij naar de slaapkamer en maakte er toilet, tot dat hij aan tafel werd geroepen. Toen zij goed en wel aanzaten, zei hij vriendelijk tot Hilda, want hij zag, dat zij zich de woorden harer moeder erg aantrok: "Hadt gij al lang met den kamerheer gewandeld, toen ik je met hem ontmoette?"

"Met den kamerheer," viel mevrouw boos in, "heb je hem nu weer je gezelschap opgedrongen! je stelt je zoo belachelijk mogelijk aan, Hilda, door hem na te loopen ja, wat erger is, je maakt hem min of meer belachelijk...."

"Neen, maar Adelaïde," waagde mijnheer voorzichtig in het midden te brengen.

"Je kunt toch zelf wel begrijpen, Daniel, dat het voor iemand, zoo gefêteerd als Delphin, vreeselijk gênant is voortdurend in gezelschap gezien te worden met eene dame, die—om eene zachte uitdrukking te gebruiken er zoo weinig gedistingueerd uitziet, als Hilda. Dat is klaar als de dag, naar het mij voortkomt."

Hilda kon het niet langer aan tafel uithouden; zij stond op en vloog de trap op. Toen zij haar laag dakkamertje had bereikt, [1] deed zij de deur op slot en verborg snikkend het gezicht in het kussen. Dat was toch het vreeselijkst van alles! Zoo leelijk te zijn, dat een man zich belachelijk maakte als hij met haar wandelde. Hield Delphin haar misschien voor den gek? En zij, die dacht, dat hij gaarne met haar praatte....! Mevrouw Bennecken schreide ook.

"Het is alles jouw schuld Daniel; waren wij niet door jou met de familie Falck-Olsen gebrouilleerd geraakt, zoo zou alles goed gaan, maar nu...."

"Bedaar toch.... beste Adelaïda.... wees toch bedaard. De verzoening zal niet lang op zich laten wachten en ...."

[ 153 ] "Och, zeur me toch niet met dat: bedaar toch Adelaïde! ik vind die woorden onuitstaanbaar," zeide mevrouw en nam het deksel van de schaal af, waarin kalfsvleesch met eene pikante saus was.

Juist toen mevrouw er zich van bediende, hoorde men voetstappen op de kleine veranda; zij had bijna niet meer den tijd het deksel weer op de schaal te doen, of de groothandelaar Falck-Olsen stond reeds in de kamer.

"Aha! dat tref ik gelukkig," riep hij uit en zijn gelaat straalde van tevredenheid, "de familie is nog niet aan het eten? Ik kom speciaal om u mevrouw met eene boodschap van mijne vrouw. Het zou haar genoegen doen, indien gij dadelijk mee wildet gaan om bij ons het middagmaal te gebruiken. Zij heeft een paar kuikens laten braden, die bijzonder goed uitgevallen zijn en zij wil absoluut, dat u ze komt proeven. En niet waar, Excellentie, gij wilt mij bij een glas witten portwijn wel gezelschap komen houden," voegde hij er bij, en stak hem de hand toe, "wij beiden hebben van daag wel eene extra hartsterking noodig." De minister drukte hem hartelijk de hand.

Mevrouw was een en al verbazing en haar man kon niet nalaten fluisterend te vragen: "heb ik het je niet gezegd, dat de verzoening spoedig zou plaats hebben?" Zij zag bijna met eerbied naar hem op en gewillig ging zij met den heer Falck-Olsen mee. Haar man riep aan de trap Hilda toe dat zij zich zoo spoedig mogelijk gereed moest maken, om naar de familie Falck-Olsen te gaan.

Het herstel der vriendschappelijke betrekking tusschen de beide familien werd door eene rij van feesten gevierd. Het waren nu echter niet meer "de groote spijzigingen," zooals Delphin altijd zeide, maar meer kleine heerendiners, waarbij men lang aan tafel zat en waar veel gesproken werd. Delphin kwam spoedig op de hoogte, hoe de vork eigenlijk aan den steel zat en amuseerde er zich in stilte mede. [ 154 ] Tegen den Redacteur Mortensen, die nu een zeer geziene gast bij den Heer Falck-Olsen was, was hij zoo beleefd, dat deze er geheel confuus door werd. Ook vond hij er groot genoegen in, "madam Olsen" zooals hij haar in intieme kringen noemde, doodelijk te verschrikken, door haar voor vast en zeker te vertellen, dat de een of ander der nieuwe gasten een Nihilist was, die altijd met een revolver in den zak liep.

De groothandelaar zelf vertoonde zich thans in een geheel nieuw licht; stijf en terughoudend was hij nu in zijn optreden. Niets ondernam hij vóór den minister geraadpleegd te hebben en op zijne soirées noodigde hij slechts die personen, die hij met hoog verlof mocht inviteeren.

Het groote bal in "Olsens danslokaal" dat leder jaar in den herfst werd gegeven, werd vervangen door een uitgezocht "thé dansant," en de heer Falck-Olsen gaf zijne dochter een wenk om den jongen Hiorth wat vriendelijk te behandelen.

Sophie had daar volstrekt geen lust in, vooral daar haar vader niet duidelijk kon zeggen waarom zij zulks eigenlijk moest doen. Over het geheel was zij misnoegd: met den kamerheer Delphin was zij geen stap verder gekomen, en te moeten kiezen tusschen Hiorth en Bennecken, was waarlijk niet iets om zich in te verheugen, of mede te pralen. Deze beide vrienden hadden gedurende den zomer veel van hunne krachten moeten vergen. Buiten hunnen diensttijd was hun de taak opgelegd eenen zwager van Hiorth, den groothandelaar Garman, te amuseeren. Deze heer woonde wel niet te Christiania zelf, maar dicht bij de stad, in de badplaats Grefsen; zij hadden zich met zulk eenen ijver van de hun opgedragen taak gekweten, dat zij niet den tijd hadden gehad zich aan hunne hartsaangelegenheden te wijden. Toen nu het winterseizoen begon, waren zij van plan de zaak met ernst aan te vatten. Inzonderheid was [ 155 ] Alfred voornemens alle pogingen in het werk te stellen in de gunst te geraken van de jonge vrouw van den concierge. Mevrouw Bennecken had echter op zekeren dag in hare slaapkamer een gesprek onder vier oogen met hem, en het gevolg van die conferentie was, dat hij Christine met rust liet. Het bevreemdde overigens bijna iedereen, dat deze in haar uiterlijk zoo veranderd was. Het glanzende roode haar was nu stroef, en begon uit te vallen; gedurende den geheelen winter was zij ziekelijk geweest, zij had dikwijls keelpijn en klaagde over loomheid in de leden.

Haar man ging even glimlachend en even onhoorbaar als vroeger zijnen gang. Van de bruiloft af had zij een' inwendigen afkeer van hem gekregen; hun leven vloot echter kalm en eentonig daarheen en hij behandelde haar goed. Met den opperloods wisselde Mo voortdurend brieven, en nu en dan ontving hij een bankbillet. Maar tegen Kerstmis ontving hij den volgenden brief.

"Mijnheer Mo, nu kan het niet langer meer zoo gaan, want hij heeft niets anders dan schulden, daarom schrijf ik nu in mijnen eigenen naam, en Njaedel weet er niets van, want ik begin te gelooven dat het niet recht in den haak zit met al dat geld dat nu 950 kronen beloopt. Wanneer voor het dienstpersoneel bij den koning al dat geld gebruikt is, dan zijn wij niet beter dan de Russen in Rusland en in Petersburg en ik zal er over in de kranten schrijven, want de man is arm en behoeftig geworden, en zijn bloed is ziek, omdat hij zich over dat wier zoo heeft moeten boos maken, en de sloot ligt bijna weer dicht en het is treurig, hem aan te zien, waarom ik het je, daar gij zijn broer zijt, schrijf, opdat je om Gods barmhartigheid een eind aan die zaak maakt, die nu al voor twee jaar opgezonden is aan den koning zonder dat er antwoord komt, maar alleen onkosten. Ook verlangt hij zeer naar eenen brief van zijne dochter Christine, die nu je [ 156 ] huisvrouw is, en hij is er verwonderd over dat zij nu niets te schrijven heeft, daar gij dikwijls aan ons hebt geschreven, dat zij gaarne je vrouw zou willen worden, maar dat zij om het verschil van leeftijd er zich over schaamde waarom wij haar ook schreven zooals gij ons vroegt te doen, om haar te overreden en meer zulke zaken, maar ik geloof er nu niets meer van.

Met achting: 

Laurits Boldemann Sechus. 


Oom Anders las dit epistel in de wachtkamer van den minister aan het Departement. Hij vouwde den brief dicht en wierp hem in de kachel, terwijl hij het hoofd schudde en glimlachte.

De minister opende de deur. "Ben je doof?..., Mo! ik heb je tweemaal gescheld."

Anders Mo stond op en zag den minister met denzelfden niets zeggenden suffen glimlach aan.

"Maar Mo! wat scheelt je!" riep de minister, ik begin waarachtig te gelooven, dat je oud en suf begint te worden."




  1. Het komt mogelijk vreemd voor, dat een minister in den zomer zoo weinig overeenkomstig zijnen stand zou wonen, doch in het Noorden behelpen ook voorname familiën zich gedurende dit jaargetijde, want men is zelden binnen's huis. (Vert.)