Darwin - Het ontstaan der soorten (1860)/Naschrift

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk 14 Het ontstaan der soorten van Charles Darwin

Naschrift van den vertaler

Register


[ 259 ]
 

NASCHRIFT VAN DEN VERTALER.




Het is naauwelijks een half jaar geleden dat ik het voorberigt voor deze vertaling van darwin's Origin of species schreef, en daarin met een enkel woord melding maakte van de vele beoordeelingen over dat werk, die in verschillende buitenlandsche wetenschappelijke tijdschriften voorkomen. Wel was het te verwachten dat er van verschillende zijden over darwin's leer gesproken zou worden—immers een boek als het zijne kon onmogelijk verschijnen zonder opzien te baren bij hem die de wetenschap liefheeft—maar dat er in den letterlijken zin gedurende de laatste zes maanden geen engelsch of amerikaansch tijdschrift van eenigen naam in de wetenschap zou in het licht komen zonder een uitvoerig artikel te bevatten over darwin's Origin of species, gewis dat was niet vooruit te zien. Ik behoef hier zekerlijk niet te noemen the National review, the Athenaeum, the Agriculturer, the Edinburg review, en bovendien la Revue des deux Mondes, leonhardt und bronn Neues Jahrbuch en vele anderen. Ik had mij voorgenomen die Darwinliteratuur niet slechts te volgen, maar ook die als 't ware bijeen te zamelen en er een geheel van te maken, ten einde een overzigt er van te geven, bij wijze van naschrift op mijne vertaling. Om twee redenen evenwel ben ik van dat voornemen teruggekomen, en meen verpligt te zijn die hier te doen kennen. Vooreerst is er reeds zoo veel over darwin's boek geschreven, dat, indien men slechts kortelijk alles wilde [ 260 ] bijeenvatten, zulk een overzigt toch nog een boekdeel zou vormen, niet minder lijvig dan het besprokene. Ten tweede is bijna alles wat er over geschreven is in de hoofdzaak niets dan loftuigingen op het werk, op den schrijver daarvan, op zijne leer, op zijne waarnemingen en proeven. Eene degelijke kritiek, eene bestrijding van de leer die er in verkondigd wordt, heeft het boek, zooverre mij bekend is, tot heden nog niet gevonden. Ik heb gemeend die loftuigingen en die bevestigingen en toestemmingen niet te moeten verzamelen: darwin's boek behoeft iets dergelijks niet: kan wel voor zich zelf spreken. En om op het voorbeeld van den duitschen vertaler van the Origin of species, van den geleerden bronn, eene bestrijding van het oorspronkelijke als naschrift te laten volgen, daartoe—hoe gaarne ik het zou willen doen, gesteld dat ik even als de genoemde duitsche geleerde mij niet met darwin's leer konde vereenigen—schieten mijne krachten veel te kort. En zoo meende ik dan mijne vertaling te sluiten zonder meer te zeggen dan ik in mijn voorberigt reeds gedaan had, mij voorbehoudende om als later, hetzij in het buitenland, hetzij in ons vaderland, darwin's boek met eerlijke wapenen bestreden mogt worden, daarvan een overzigt te geven, zoowel als van de lofspraken die reeds algemeen gelezen zijn. Maar zie, op het oogenblik dat de laatste bladen mijner vertaling ter perse zijn, verneem ik dat een onzer grootste natuurkundigen, Prof. j. van der hoeven eerstdaags eene beoordeeling van darwin's leer, door den geleerden w. hopkins geschreven, in het licht zal geven, onder den titel van: Over natuurkundige theoriën omtrent de verschijnsels van het leven, en bepaaldelijk over darwin's theorie aangaande het ontstaan der soorten, door w. hopkins. M.A. Vice-president der Koninklijke Sociëteit en lid der Geologische, Sociëteit te Londen, enz. Door de beleefdheid van den hooggeleerden Vertaler heb ik het genoegen mogen smaken dat opstel te lezen voordat het ter perse kwam, en ten gevolge daarvan vind ik mij verpligt den nederlandschen lezer [ 261 ] uitdrukkelijk aan te sporen dat opstel te lezen. Hij zal er veel in vinden wat zijne ingenomenheid met darwin's leer ongetwijfeld zal doen verminderen, maar ook zal hij daardoor den vooruitgang, dien darwin's werk aan de wetenschap der natuur heeft doen maken, leeren waarderen; hij zal inzien hoe de regte wijze is waarop de ware geleerde de denkbeelden van een ander man der wetenschap bestrijdt; hij zal des te meer eerbied krijgen voor mannen als darwin, van der hoeven, hopkins, hooker, bronn, lyell en vele anderen onzer hedendaagsche natuurkundigen; en hij zal duidelijk leeren inzien hoe uit de wrijving der denkbeelden van zulke mannen eenmaal de waarheid glansrijk te voorschijn komen moet.

 Haarlem, Sept. 1860. T. C. WINKLER.