Naar inhoud springen

De Génestet/Onvergankelijk

Uit Wikisource
← Niet bezorgd De dichtwerken van P.A. de Génestet (1877) door P.A. de Génestet

Onvergankelijk

Ver van huis →
Uitgegeven in Amsterdam door Gebroeders Kraay.

[ 284 ]

ONVERGANKELIJK



Hij kende de heilige Schriften
van kinds af.
2 Timotheüs III: 15.
Zalig, wien in ’s levens morgen
 ’t Levend woord der groote Schrift –
Voor de kleenen niet verborgen –
 In den boezem werd gegrift!
Wien het vragend oog mocht stralen
 Vaak van wonderbaren gloed,
Bij haar heilige verhalen,
 Manna voor het Jong gemoed.

Zalig die in de eerste jaren,
 ’t Hart gericht naar Gods geboôn,
Leerde op ’t heilig beeld te staren
 Van den eengen Menschenzoon,
Die de wereld heeft bejegend
 Met zijns Vaders vredegroet,
Die de kindren heeft gezegend,
 De aard verloste met zijn bloed!

Want die indruk kan niet sterven,
 En de weêrklank van dat woord
Ruischt, waar ooit de voet moog’ zwerven,
 Door het menschenleven voort:
Echo uit het vroom verleden,
 Vol geloof en rein genot;
Wekstem uit der kindsheid Eden,
  Moederwoord en woord van God!

Laat de stille jonkheid wijken
 Voor den storm van wilder jeugd,
En des Jonglings hart bezwijken
 In den doolhof ijdler vreugd;
[ 285 ]Moog’ hij ’t zachte snoer verbreken
 Van de vaderlijke wet,
Reizen naar de vreemde streken
 Trots het moederljk gebed....

Niet verloren, niet verloren,
 In wiens reine kinderziel,
Als het Godszaad in zijn voren,
 Eens dat woord des levens viel!
’t Leeft, ’t schiet op, ’t zal vruchten dragen,
 Schoon ’t verstikt scheen en versmoord,
’t Brengt in late najaarsdagen
 Nog zijn oogst van zegen voort!

Onvergeetlijk – schoon vergeten,
 Onwêerstaanbaar – schoon weêrstaan,
Dringt vaak plotsling door ’t geweten
 Weer het woord der oude blaên;
In de nachtwaak, om de sponde
 Van den zwerver daalt een klacht –
En de zondaar voelt zijn wonde,
 En ’t verloren kind versmacht!

’t Zijn de aandoenlijke verhalen
 En de lessen van weleer,
Ach, vernomen duizendmalen
 En geschonden duizendkeer.
’t Is een psalmtoon van ’t verleden,
 ’t Is een klachte van het kruis....
En zijn ziel keert in gebeden,
 En de boetling reist naar huis!




Anders ook leer’ ’t kind gelooven,
 Anders zij de strijd des mans
Woont de Vader wel daarboven,?
 Viel ooit stemme van den trans?
Speelt niet wondere Legende
 Door dat onbedrieglijk woord,
Die den grooten Onbekende
 Met haar nevelglans omgloort?

[ 286 ]
Wat is waarheid? Is daar waarheid?
 Heeft wel de Almacht ooit op aard,
In orakelen vol klaarheid,
 Haar geheim geopenbaard?
Wat daar ’t woord scheen van den Heere,
 Voor zijn kindsheid, bleek het niet
Menschenwoord of menschenleere,
 Heilge vorm of beeld of lied?

o Het zij! Der onschuld vrede
 Vluchte voor der kennis strijd!
Voer’ de stroom des levens mede
 Wat vergaan moet met den tijd!
Laat der kindsheid wondergaarde
 Welken als een lentehof;
Smachte naar wat licht op aarde
 Soms de balling in haar stof!

Toch, het Woord gaat niet verloren
 Voor het hart, des Twijfels roof,
Uit den kampstrijd als herboren,
 Rijst het kinderlijk geloof!
Ander licht valle op de blaêren
 Van de Schriften, die weleer
Hem zijn moeder mocht verklaren –
 Ook dat licht is van den Heer!

Met apostlen en profeten,
 Leert hij straks het hopend oog,
Smachtend, moedig, roodgekreten –
 Vroolijk richten naar omhoog!
En voor ’t diep gevoel van ’t harte,
 Is daar wonder groot noch schoon,
Als de stille Man der Smarte
 Met zijn eenge doornenkroon.

1859.