Flora (Witte 1868)/32

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
31 Flora: Afbeeldingen en beschrijvingen van boomen, heesters, éénjarige planten, enz., voorkomende in de Nederlandsche tuinen van Heinrich Witte

32. Skimmia japonica

33


[ Pl 32 ]
 

Pl. 32: SKIMM1A JAPONICA Thunb.

 
[ 125 ]
 

SKIMMIA JAPONICA Thunb.

Nat. familie:

ZANTHOXYLEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

PENTANDRIA MONOGYNIA (Vijfmannige-Eénwijvige)[1].

 

 

Er zijn plantenfamilie's, die zich door zulke in oog springende karakters van alle overige onderscheiden, dat het zelfs den leek niet moeijelijk valt om, wanneer hij eene nieuwe, daartoe behoorende plant ziet, haar reeds op het eerste gezigt als zoodanig te herkennen.

Wie toch, die maar eenig begrip heeft van de klassificatie der gewassen naar het natuurlijke systeem, zal een oogenblik twijfelen, waar het den bekenden bloemvorm betreft van eene die tot de Vlinderbloemige (Papilionaceën), tot de Kruisbloemige (Cruciféren), de Anjelierachtige (Caryophyllaceën), de Lipbloemige (Labiaten), enz. behoort.

Dit laat zich dan ook zeer gemakkelijk begrijpen, daar de bepaling van deze uitgebreide plantengroepen, behalve op andere, minder in 't oog loopende karakters, ook voornamelijk berust op den zeer gemakkelijk herkenbaren vorm van de bloemkroon, zoo zelfs dat ook de namen daaraan gegeven op dien bloemvorm berusten.

Maar niet weinig plantengeslachten zijn er ook, welker plaatsing in dat stelsel niet zoo gemakkelijk gaat, en, valt het ook hem, die maar met eene geringe dosis botanische kennis is toegerust, uiterst gemakkelijk die planten hare plaats in het kunstmatige stelsel van Linnæus aan te wijzen, zelfs de grootste systematici, die, veteranen in de wetenschap, zich een vasten blik op [ 126 ] de planten hebben eigen gemaakt, zitten niet zelden verlegen, als 't er op aankomt om deze vraag te beantwoorden.

De in de meeste bloemen duidelijk herkenbare meeldraden en het aantal stijlen, of de onderlinge zamenvoeging dezer bloemdeelen beslissen deze systematische aangelegenheid in het eerste geval in een oogenblik. De Klassen en Orden van het kunstmatige stelsel zijn scherp begrensd en, al vereenigt men op deze wijze een aantal planten, die, behalve wat den toestand van die organen betreft, geene de minste overeenkomst met elkander hebben, ja, die in alle andere opzigten ver van elkander afwijken, of, al verwijdert men andere ver van elkander, die, overigens op het eerste gezigt als verwanten herkenbaar, alleen verschil opleveren wat de sexuëele organen betreft, men komt spoedig klaar, en, is men slechts daarmede tevreden, dan is 't goed.

De wetenschap echter is daar, op haar tegenwoordig standpunt, in 't geheel niet mede tevreden. Ze wil naauwkeurig bekend zijn met de natuurlijke verwantschap, welke er tusschen de ééne plant en de andere bestaat, en onderzoekt haar daarom in al hare deelen, ten einde te weten te komen aan welke familie het geslacht, waartoe de plant in kwestie behoort, 't naauwst verwant is en waardoor zij van andere, daaraan eveneens zeer nabijkomende, afwijkt.

Nu doet zich echter somwijlen het geval voor, dat een zeker geslacht tot vier, vijf of zes familiën te gelijk gerekend kan worden te behooren, al naar mate men meer gewigt hecht aan den toestand van het ééne orgaan of het andere en men minder let op kleine afwijkingen van andere deelen der plant, of die over 't hoofd ziet; zoodat b.v. zulk een plantengeslacht door dezen om tien redenen gerekend wordt te behooren tot de familie A., waarmede het in alle opzigten, behalve, om iets te noemen in de rigting der meeldraden en den vorm van den kelk afwijkt, terwijl een ander eveneens om tien redenen, maar waarbij juist die twee verschilskenmerken behooren, het tot de familie B rekent, waarvan het echter weêr verschilt door den stamper of de onderdeelen daarvan, waaraan deze echter in dit geval op zijne beurt minder gewigt hecht.

Ik voer dit hier aan, ten eerste omdat de plant, waarvan hier meer bijzonder sprake zal zijn, er aanleiding toe geeft, en ten andere, wijl dit verschijnsel misschien wel eens de opmerkzaamheid van sommige lezers zal getrokken hebben en ze niet wisten waaraan dit toe te schrijven, daar toch namen als b.v. de Jussieu, de Candolle, Endlicher, Koch, le Maout, Decaisne, en onder onze landgenooten Blume, Miquel, enz., aan mannen doen denken, die een hoog standpunt in de kruidkundige wetenschap bereikten, en op wier uitspraak in dit opzigt men geneigd is allezins te vertrouwen; toch heerscht er ook tusschen deze corypheën der wetenschap in dit opzigt vaak verschil van gevoelen, zoodat sommige geslachten door den éénen als tot die, door den anderen als tot eene andere familie gerekend worden te behooren.

Men denkt dan alligt aan een zoeken naar verschil, waar 't eigenlijk niet te vinden was, ten einde, uit een personeel beginsel, een ander een onnaauwkeurigheid voor de voeten te kunnen werpen, of iets dergelijks.

Ik heb geen regt om te beweren, dat het eerste niet nu en dan plaats heeft, zoomin als ik zou kunnen bewijzen, dat er steeds eene uitstekende verhouding tusschen de kruidkundigen onderling heerschte; maar zeker is het dat men zich in dit geval, aldus oordeelende, door den schijn [ 127 ] zou laten misleiden, daar vele botanici meestal eerst na lang wikken en wegen, en na gezette vergelijkende studie tot een besluit kwamen.—

Het geslacht Skimmia, reeds in 1784 door Thunberg in zijne Flora japonica beschrevenen waarvan toen, en lang na dien tijd, nog slechts ééne soort, namelijk de hier afgebeelde Skimmia japonica bekend was, werd achtereenvolgend tot verschillende familiën gebragt, n.l. tot de IIicineën, de Aurantiaceën, de Lucumeën, enz., terwijl laatstelijk de beide Fransche kruidkundigen Emm. le Maout en J. Decaisne, in hun uitmuntend werk Traité général de botanique descriptive et analytique[2], het tot de niet zeer uitgebreide groep der Zanthoxileën bragten.

De naam Skimmia is eene wijziging van den Japanschen naam voor dit heestertje Myama Sikimi of "Sikimi van het gebergte", terwijl de soortsnaam het vaderland aanduidt.

Ofschoon reeds voorlang door Thunberg beschreven, dagteekent de invoering er van in Europa toch eerst van het jaar 1850, toen deze plant, zoo ik mij niet vergis door Fortune, naar Engeland overgezonden werd; een paar jaren later kwam zij in den handel en is sedert dien tijd vrij algemeen verspreid.

Het is een in den volsten zin des woords fraai, een lief heestertje, 'twelk zelfs in Japan, waar von Siebold het in het gebergte op eene hoogte van 594 meters boven den spiegel der zee wild groeijende aantrof, niet meer dan 3 à 4 voet hoogte bereikt en daar in de tuinen veelvuldig als sierheester gekweekt wordt; ik voeg er bij dat exemplaren zelfs van die grootte, zoo ze al ergens in Europa bestaan, zeker uiterst zeldzaam zullen zijn. Mooi is het als men er ziet die 2 voet bereikt hebben.

De plant behoort tot de groenblijvende heesters, d.w.z. dat hare donkergroene bladeren eerst na drie of vier jaren afvallen, en heeft wel eenige overeenkomst met het Laurier-Peperboompje (Daphne Laureola), waaraan echter zwarte bessen de bloemen opvolgen, die bij de Skimmia bloedrood zijn.

Reeds vrij jong ontwikkelen zich de digte bloempluimen aan de uiteinden der takjes. De bloempjes bestaan uit een vijfslippigen kelk, eene vijfbladerige, witte bloemkroon, daarmede afwisselend vijf meeldraadjes en één stamper, die van onderen uit een kogelvormig groen vruchtbeginsel bestaat, terwijl op een kort stijltje een kopvormige stempel zit. De bloemen hebben een zachten, aangenamen reuk.

Niet lang na den bloei worden de bloemsteeltjes zoowel als de blijvende kelkslippen bruin, waarna de vruchtjes, als ze de grootte eener erwt bereikt hebben, hoewel ze niet rond maar iets langwerpiger van vorm zijn, eene donkerroode kleur verkrijgen met eene glimmende opperhuid.

Daar deze vruchtjes zeer lang aan de steeltjes bevestigd blijven, en er zelfs nog stevig aanzitten als die van het volgende jaar reeds vrij ontwikkeld zijn, strekken ze het heestertje tot een waar sieraad, en van den milden bloei kan men zich eenig denkbeeld vormen, wanneer ik zeg dat ik op dit oogenblik een in een pot gekweekt heestertje van nog geen 1½ voet hoogte vóór mij heb staan, met niet minder dan 12 vruchttrossen, elk uit ongeveer twintig vruchtjes bestaande, [ 128 ] terwijl aan 17 nieuwe bloempluimen de bloemen gedeeltelijk nog open zijn, deels echter reeds aan jonge vruchtjes het aanzijn gaven.

Men heeft het lang in twijfel getrokken of dit heestertje werkelijk tegen ons klimaat bestand zou zijn; thans echter kan men dit als zeker beschouwen. Onder anderen lees ik in een werkje van een in dit opzigt zeer betrouwbaren boomkweeker: „De plant zal vrij goed onze winters verdragen, daar ze bij mij reeds meerdere jaren ongedekt is gebleven, doch behoeft om goed te tieren, eene noordelijke, of ten minste zeer schaduwrijke standplaats"[3]. Ook de heer Rodigas vermeldt, dat, na den winter van 1860–61, die voor vele planten, waarvan men in dit opzigt zeker meende te zijn, noodlottig was, de Skimmia japonica, ondanks eene niet zeer gunstige standplaats, in België niet alleen volstrekt geen letsel kreeg aan de bladeren, maar zelfs de vruchtjes ongedeerd bleven; hij beschouwt dezen nederigen heester dan ook als „un des arbustes à feuilles persistantes les plus beaux que nous ayons en pleine terre"[4].

In den laatsten tijd zijn er door Fortune nog een drietal soorten van dit geslacht in Engeland ingevoerd, die reeds meer en meer verspreid worden. Omtrent de rusticiteit van deze valt echter nog weinig te zeggen, maar zeker is het dat ze alle eene robustere groeiwijze hebben, en dus zonder twijfel hooger zullen worden dan de Sk. japonica.

Het zijn Sk. oblata, met twee variteiten, nl. oblata flore albo en oblata variegata, de eerste gelijk de naam aanduidt met witte bloemen (deze soort zelf heeft roode bloemen), de andere bontbladerig; Sk. ovata, met vrij groote bladeren; deze plant schijnt het sterkst te willen groeijen, en eindelijk Sk. fragrans, met meer smallere bladeren. De bladeren dezer drie soorten zijn lichter groen dan die van de Sk. japonica.

Deze kan zeer gemakkelijk door zaden, onder glas gezaaid en eenigen tijd aldus opgekweekt, alvorens ze in den open grond te zetten, zoo mede door stekken vermenigvuldigd worden. Goede boschgrond of veenaarde is verkieslijk. Ook in potten gekweekt vormen ze zeer fraai gevulde en rijk met vruchtjes beladen heestertjes.

De vruchtjes worden in Japan voor vergiftig gehouden.

 

 
  1. Zie de noot onder bladz. 13.
  2. Paris, Firmin Didot Frères & Co.—Dit werk bevat niet minder dan 5,500 zeer fraaije en duidelijke houtgravuren.
  3. C. de Vos, Beredeneerd Woordenboek der voornaamste heesters en Coniféren. blz. 121.
  4. Em. Rodigas in v. Houtte, Flore des Serres et des jardins de l'Europe. Vol. XIV. pag. 51.