Flora (Witte 1868)/44

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
43 Flora: Afbeeldingen en beschrijvingen van boomen, heesters, éénjarige planten, enz., voorkomende in de Nederlandsche tuinen van Heinrich Witte

44. Gentiana acaulis

45


[ Pl 44 ]
 

Pl. 44: GENTIANA ACAULIS Linn.

 
[ 173 ]
 

GENTIANA ACAULIS Linn.

Nat. familie:

GENTIANEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

PENTANDRIA DIGYNIA (Vijfmannige-Tweewijvige)[1].

 

 

Het gaat in het plantenrijk evenzoo als het menigwerf ook onder ons gaat. Dikwijls ontmoeten wij menschen, wier voorkomen, houding en toon regt geven tot het vermoeden dat ze groote verdiensten hebben, of althans, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, zich zeer verdienstelijk zouden toonen; maar bitter wordt men dan vaak teleurgesteld, wanneer men, hen op den keper leerende kennen, tot de overtuiging komt dat men zich in hen bedrogen heeft, dat ze letterlijk voor de maatschappij niets beteekenen, en al hunne verdiensten dáárin bestaat, dat ze hun kleermaker werk verschaffen en met hier en daar toevallig opgevangen woorden of gezegden bij gunstige gelegenheid anderen een grooten dunk van hunne intellectuëele ontwikkeling geven. Omgekeerd ontdekt men somtijds toevallig verhevene eigenschappen of eene hooge mate van kennis en bekwaamheid in hen, wier uiterlijk bedeesd en teruggetrokken voorkomen het tegendeel vermoeden doet.

Zoo zijn er ook planten, wier houding en groeiwijze ons reeds bij het eerste gezigt ten haren voordeele stemmen en van welke we met reden meenen te mogen verwachten dat ze in hare bloemen groote schoonheid ten toon zullen spreiden, 't zij omdat ze tot een geslacht of een familie behooren die zich daardoor onderscheidt of om welke andere reden ook: welke bloei dus met ongeduldig verlangen tegemoet wordt gezien, tot eindelijk eenige kleine, onaanzienlijke bloempjes, somtijds nog half tusschen de bladeren verscholen, die hoop den bodem inslaan.

Evenzoo kennen wij er een groot aantal, die, zoolang ze niet bloeijen, letterlijk door niemand [ 174 ] aangezien worden, die zich noch door de bladeren, noch door hare groeiwijze in eenig opzigt onderscheiden, of 't moet zijn dat die in 't oogloopend onsierlijk zijn, maar die zich, tijdens haar hoogtijfeest in een zoo ongemeen prachtig gewaad steken, welker bloemen zóó schoon, zóó fraai gevormd, zóó schitterend van kleur en daarbij vaak, bij zeer kleine planten, zóó groot zijn, dat men, ze ziende, ze voor de honderdste, voor de duizendste maal ziende, opgetogen is van bewondering en geen woorden vinden kan, krachtig genoeg om die bewondering volkomen uit te drukken.

Zoo gaat het ook mij thans, nu ik het plantje vóór mij heb, waarvan de nevensgaande plaat eene zeer getrouwe afbeelding voorstelt. Zoo gaat het, om iets anders te nemen, steeds iedereen bij 't zien van die prachtige bloemen der tropische Orchideën, meestal voortgebracht door planten, die zich overigens in geen enkel opzicht aanbevelen.

Maar wat spreek ik hier van tropische Orchideën? alsof daar ééne onder was die het in schoonheid van deze Gentiaan wint! In fantastischen bloemvorm ja, ook vooral door geur, maar hoe prachtig van kleur ze ook zijn, geen enkele kan deze daarin overtreffen. En toch, wie het plantje ziet vóór en na den bloei, als er van de bloemen dus nog niets of niets meer te bespeuren is, verwacht niets daarvan, letterlijk niets.

Ik kan de plant beschrijven: den vorm van den kelk, de bloemkroon, meeldraden, enz; maar om een denkbeeld te geven van de schoonheid der bloemen, den indruk te vertolken dien 't zien van dit nietig kleine plantje reeds bij den eersten aanblik maakt, acht ik eene onmogelijkheid.—

Ik wil den lezer vooraf weder eenige bijzonderheden, het geslacht der Gentianen over 't algemeen betreffende, mededeelen, om daarna op de hier afgebeelde kortelijk nader terug te komen.

Het aantal soorten welke hiertoe behooren is zeer talrijk. Niet minder dan dertig worden er door Koch[2] als oorspronkelijk in Duitschland en Zwitserland groeijende vermeld; ze behooren dan ook eigenaardig tot de Alpenflora, van welke sommige soorten, en niet het minst de stengellooze Gentiaan (G. acaulis), hier en daar een der grootste sieraden zijn. Aan de spits daarvan staat de algemeen bekende gele Gentiaan (G. lutea), die als de type van het geslacht kan beschouwd worden, en, zij het ook niet om de prachtige kleur der bloemen, dan toch om hare edele, fiere houding, de fraaije bladeren en de sierlijke bloeiwijze, die eer overwaardig is.

Reeds bij de oudste geneeskundigen stond de gele Gentiaan, inzonderheid om de geneeskrachtige eigenschappen der wortels, hoog aangeschreven, en Plinius verhaalt, dat zekere koning Gentius, die 500 jaren vóór onze tijdrekening over Illyrië heerschte, het eerst deze plant als een middel tegen de pest aanbeval, wat Linnæus aanleiding gaf om hém ter eere het geslacht waartoe die plant behoorde Gentiana te heeten.

Ook in ons land komen een viertal soorten van Gentianen voor, n.l. twee overblijvende en twee éénjarige, welke beide laatste, de veld-G. (campestris) en de bittere G. (G. amarella), evenals de overblijvende kruisbladige G. (G. cruciata) in de duinpannen of in hooge streken gevonden worden, terwijl de mede overblijvende klokjes G. (G. Pneumonantha) voornamelijk in Gelderland schijnt voor te komen.

[ 175 ] Deze laatste is zonder eenigen twijfel de schoonste van de vier en komt in dit opzigt de stengellooze al zeer nabij. Komt bij deze echter slechts eene enkele bloem op den top der korte stengeltjes voor, die van de klokjesdragende G. draagt er wel drie, vier of meer, die echter iets kleiner en niet zoo donkerblaauw zijn.

De stengellooze G., die in Midden- en Noordelijk Europa, inzonderheid op de Alpen, thuis behoort, is een zodevormig plantje dat naauwelijks vier centimeter hoogte bereikt; de blaadjes zijn ongesteeld en zitten twee aan twee tegenover elkander in afwisselende orde aan de korte stengeltjes.

Sommige van die stengeltjes rekken zich als 't ware in het laatst van Mei uit, zoodat een tweetal dier bladparen daardoor veel verder van elkaar verwijderd wordt, en worden paars aan de bladgeledingen. Uit het bovenste, dus uit den top van het stengeltje, komt nu eene bloemknop te voorschijn, die spoedig grooter wordt, en weldra prijkt het nederige plantje met haar schoonen dos.

De bloemen bestaan uit een vrij grooten vergroeidbladerigen kelk, die in vijf spitse slippen uitloopt en onmiddellijk op het bovenste bladpaar rust.

De bloemkroon is mede vergroeidbladerig, klokvormig, met een omgeslagen, vijfslippigen zoom, 5 à 6 centim. lang en circa 4 centim. breed, met eene opening van 1½ centim. De vijf meeldraden zijn tot op de helft harer lengte met de bloemkroonbuis, door middel van een vlies dat even goed als een uitgroeisel van deze als van gene kan beschouwd worden, vereenigd; ze zijn zeer digt tegen elkander geplaatst, zoodat ze zelfs schijnbaar met elkaar vergroeid schijnen; hierdoor vormen die verbindingsvliezen tusschen de bloemkroon en den voet der meeldraden vijf zakjes op den bodem der bloem, 't welk aan deze, wanneer men daar vlak van boven inziet, ook van binnen een zeer fraai regelmatig aanzien geeft. De helmknopjes, die vrij lang zijn, zitten zoo stevig aan elkander vast, dat ze een kokertje vormen waar de beide stempels als een paar kleine pluimpjes bovenuit steken.

Is deze bloemkroonvorm een der fraaiste te noemen, het is in dit geval inzonderheid de kleur daarvan, welke die bloem zoo uitstekend fraai maakt.

De vlak uitgespreide of slechts een weinig teruggeslagen slippen van de bloemkroon zijn ultramarijnblauw, hetwelk in de keel, dat is de ingang van de bloemkroonbuis, met groen gemengd en met nog donkerder blaauw afgezet is, waarover een aantal zeer donkere stippen verspreid zijn. Bovendien, terwijl de slippen mat en fluweelachtig van tint zijn, is de bloem van binnen als vernist.

Maar ik wil mij verder geene moeite geven om te beschrijven wat toch eigenlijk niet beschreven kan worden; de lezer oordeele uit onze plaat, die toch altijd, hoe fraai overigens ook uitgevoerd, maar eene zwakke reproductie is van de natuur.

De Gentianen behooren op verre na niet tot die planten, welke zich zeer gemakkelijk naar onze wenschen schikken, en overal willig groeijen waar men maar gelieft ze te planten. Meerendeels zelfs toonen ze zich volstrekt ongenegen om als burgeressen in onze tuinen te figureeren en stellen de volharding van hem, die ze bemint, vaak op eene zware proef.

Zoo erg is het evenwel met de stengellooze G. niet. Integendeel, deze verblijdt ons [ 176 ] dikwerf in 't voorjaar met een zeer rijken bloei, mits wij op onze beurt maar zorgen dat ze een zooveel mogelijk aan hare natuurlijke eischen voldoenden grond en standplaats heeft.

Hoewel een kalkhoudende grond veelal voor deze en meerdere Gentianen wordt aanbevolen, heeft toch de ondervinding geleerd, dat ze ook in goeden zandigen boschgrond zeer goed groeijen, vooral als ze op eene half beschaduwde, noordelijke plek staan. Ook kunnen ze, waar de grond niet te zwaar is, zeer goed voor randen gebezigd worden, mits daar niet op getrapt worden kan, terwijl ze mede als een der fraaiste sieraden voor rotspartijen aanbevolen worden, als hoedanig ik ze echter zelf nimmer zag, wat voor mij daarom volstrekt geen reden is om er aan te twijfelen, daar de natuur der plant, naar 't mij voorkomt, als vanzelf op deze wijze van kweeking wijst.

Zaden verkrijgt men er niet ligt van; men moet deze planten dus vermenigvuldigen door scheuring, en dat wel in den nazomer of zeer vroeg in het voorjaar. Daar de plantjes goed uitstoelen, gaat deze wijze van aankweeken dus ook spoedig genoeg in zijn werk.

Is men evenwel gelukkig genoeg er zaad van te winnen, dan strooije men de zeer fijne korrels in 't voorjaar op fijnen en zuiveren hei- of boschgrond uit, en plaatse de potten in de schaduw, zorg dragende de aarde vochtig te houden, zonder door het gieten de zaden onder den grond te woelen, waarom men dus daartoe een zeer fijnen sproeigieter gebruikt. Als de plantjes sterk genoeg zijn, worden ze weder in potten overgeplant, gedurende den winter in eene koude bak bewaard, en in het voorjaar op niet te grooten afstand uitgeplant.

 

 
  1. Zie de noten onder bladz. 13 en 29.
  2. Taschenbuch der Deutschen und Schweizer Flora, 6e Auflage 1865, bladz. 338–342.