Flora (Witte 1868)/45

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
44 Flora: Afbeeldingen en beschrijvingen van boomen, heesters, éénjarige planten, enz., voorkomende in de Nederlandsche tuinen van Heinrich Witte

45. Campanula medium

46


[ Pl 45 ]
 

Pl. 45: CAMPANULA MEDIUM Linn.

 
[ 177 ]
 

CAMPANULA MEDIUM Linn.

Nat. familie:

CAMPANULACEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

PENTANDRIA MONOGYNIA (Vijfmannige-Eénwijvige)[1].

 

 

Het geslacht der Klokjesbloemen (Campanula), in verschillende gedeelten van Europa door een vrij groot aantal soorten vertegenwoordigd, kan met het volste regt tot de oudste lievelingsbloemen gerekend worden.

Niettegenstaande het aantal bekende soorten van ware Campanula's meer dan twee honderd bedraagt, behalve een niet gering getal verscheidenheden, zoo mede vele soorten die, weleer hiertoe gerekend, later tot afzonderlijke geslachten gebragt werden, en waarvan wij er vroeger reeds eene bespraken (Specularia Speculum, zie pl. 30, door velen nog Campanula genoemd), is het volstrekt niet gewaagd te beweren, dat alle om hare fraaije, grootere of kleinere, meestal blaauwe bloemen verdienen gekend te worden. Ook is het getal van soorten, welke om die reden in de tuinen voorkomen, vrij aanzienlijk, daar sommige wel is waar meer plaatselijk, andere daarentegen zóó algemeen verspreid zijn, dat ze schier nergens te vergeefs gezocht worden.

Over 't algemeen zijn de Campanula's kruidachtige, veelal overblijvende of tweejarige, deels echter ook éénjarige planten, die voornamelijk de gematigde en koudere streken van het Noordelijk halfrond bewonen. Ze kenmerken zich o. a. ook daardoor, dat ze meestal tweeërlei bladeren hebben, n.l. zoogenaamde wortelbladeren, dat zijn die welke onmiddellijk uit den grond te voorschijn komen, en stengelbladeren, die aan de opgerigte stengels verschijnen. De eerste zijn [ 178 ] breeder en gesteeld, de laatste daarentegen smaller en ongesteeld. Dit verschijnsel staat echter niet op zich zelf, immers men merkt het bij zeer veel overblijvende en tweejarige planten op; bij de laatste verdwijnen gewoonlijk de wortelbladeren, wanneer de bloemdragende stengel naar boven schiet. Bij deze gewassen verschijnen in het eerste jaar alleen deze, die zich dan gewoonlijk vrij sterk ontwikkelen; in het tweede jaar echter komt de beurt aan de stengbladeren, terwijl de andere tijdens den bloei te vergeefs gezocht worden, en de stengel van onderen dan somtijds zelfs gedeeltelijk kaal is.—

Wat is het dat de Campanula's zoo fraai maakt in de oogen van iedereen?—Ontegenzeggenlijk de bloemen. En toch zijn deze hoogst eenvoudig van vorm en schitteren ze niet door hare kleuren.

De meeste zijn, gelijk ik reeds opmerkte, blaauw; enkele, en dat zijn voornamelijk verscheidenheden van oorspronkelijk blaauwe soorten, hebben eene licht roode, sommige andere eene zuiver witte kleur. En toch, hoe eenvoudig van vorm en van kleur, maken die bloemen steeds een aangenamen indruk.

Het is de fraaije vorm der bloemkroon, hare onberispelijke regelmatigheid, die hiervan ongetwijfeld de oorzaken zijn. Menige andere bloem dwingt ons door haren fantastischen vorm en door de verscheidenheid van schitterende kleuren een uitroep van verwondering af, vóór eene bloeijende Campanula staande, zeggen we: hoe schoon! 't woord prachtig zweeft ons hierbij niet op de lippen, en toch zien we er met niet minder welgevalllen naar.

Wanneer we ons in eene streek bevinden, waar smaakvolle villa's elkander afwisselen, waar men niet weet wat een lagchender aanzien heeft, de talrijke bloemperken, het frissche gazon of de elegante huizen, dan zeggen we dat we ons in eene schoone streek bevinden en verkeeren we in eene opgewekte stemming;—wanneer we morgen eene landstreek doorwandelen, waar de frissche weilanden, met gezond vee bevolkt, slechts afgebroken worden door golvende graan- of bloeijende boekweitakkers en hier en daar door eene boerenwoning, met een eenvoudig dorp in 't verschiet, waar het spitse torentje tusschen de roode of rieten daken en de groene boomen uitsteekt, dan zeggen we óók dat we ons in eene schoone streek bevinden, en verkeeren we óók in eene opgewekte stemming; maar.... schoon en schoon is twee, en alle opgewektheid is dezelfde niet.

De lezer zal mij wel begrijpen al voeg ik hier dienaangaande niets meer bij.—

Terwijl koch in zijn Tasschenbuch der Deutschen und Schweizer Flora niet minder dan een dertigtal soorten van Klokjesbloemen als in Duitschland en Zwitserland inheemsch vermeldt, worden er in ons land hoogstens een achttal in wilden staat aangetroffen, waarvan het meest algemeen is de kleine doch niettemin zeer sierlijke rondbladerige Kl. (Campanula rotundifolia), die 't overvloedigst op hooge drooge gronden voorkomt, en dientengevolge vooral in sommige gedeelten van de Provincieën Gelderland en Utrecht aangetroffen wordt; wat echter niet wegneemt dat men dit lieve, kleine plantje ook in andere streken van ons land hier en daar vinden kan. Jaarlijks bewonder ik er o.a. een aantal tegen een muur van de Zijlpoort te Leiden, waar ze zich in de voegen der steenen genesteld hebben, en er zóó frisch groeijen en zóó mild bloeijen, als stonden ze in den vruchtbaarsten bodem.

[ 179 ] In 't voorbijgaan zij hier dan ook opgemerkt dat deze soort uitnemend geschikt zou zijn ter bekleeding van rotspartijën, die ze met haar vrolijk groen en in Julij met hare talrijke blaauwe bloempjes niet weinig tot sieraad verstrekken zou.

Men kan rekenen dat van de in de tuinen voorkomende soorten een 25 à 30 tal inzonderheid aanbevelenswaardig is.

De bekende Fransche kweekers Vilmorin Andrieux & Co. te Parijs beschrijven daarvan in hun werk: Les Fleurs de pleine terre[2], behalve de verscheidenheden, 24 soorten, die alle zonder onderscheid opmerking verdienen.

Bepalen we ons thans tot de soort, op de nevenstaande plaat afgebeeld.

De Campanula Medium is zonder eenigen twijfel eene der fraaiste van het geheele geslacht. Van Zuid-Europeschen oorsprong zijnde, moest ze onvermijdelijk al zeer spoedig het burgerregt in de tuinen verkrijgen; ook dagteekent hare invoering in Engeland reeds van het einde der 16e eeuw, en vermoedelijk zal ze wel tennaastenbij gelijktijdig ook bij ons te lande bekend en meer algemeen door Midden-Europa verspreid geworden zijn.

Sommigen noemen haar overblijvend, anderen tweejarig; het laatste komt der waarheid het meest nabij, ofschoon het ook waar is dat enkele planten langer dan twee jaren leven. Daar valt echter niet veel op te rekenen; de meeste sterven nà den bloei.

In het eerste jaar ontwikkelt zich geen opwaarts groeijende stengel, maar komen er alleen wortelbladeren voor den dag, die langwerpig ovaal, aan vrij lange ter wederzijde van een bladachtig aanhangsel voorziene stelen bevestigd zijn en in den vorm eener roset bijeen staan. In de lente van het tweede jaar komt daaruit een tot 60 à 70 centim, somtijds tot een meter hoogte opgroeijende stengel te voorschijn, die met verspreid staande, langwerpig ovale bladeren bezet is, welke echter ongesteeld en dus met de bladvlakte onmiddellijk aan dezen bevestigd zijn.

Behalve uit de tien of twaalf onderste bladeren, verschijnt nu achtereenvolgend uit het oksel van elk blad (deze worden naar den top toe gaandeweg kleiner en nemen ten laatste het karakter van schutbladen aan) eene bloem, die door een langeren of korteren steel gedragen wordt.

Is de ontwikkeling der plant niet zeer sterk, dan verkrijgen die bloemstelen geene aanzienlijke lengte, en heeft de bloeiwijze wel eenige overeenkomst met eene tros; groeit de plant daarentegen forsch, dan verkrijgt ze een geheel ander, en in de hoogste mate sierlijk aanzien.

Ik heb hier op 't oogenblik een plant van de verscheidenheid met witte bloemen, die meer dan een meter hoog is, met 60 à 70 open bloemen; daarvan zijn de onderste bloemstelen 30 centim. lang en worden naar boven toe langzamerhand korter, zoodat het geheel eene piramide vormt, waarvan de bloemen wijd uiteen staan, en toch digt genoeg om een goed geheel te vor[ 180 ] men. Ik zie die plant dagelijks met genoegen, en kijk nog eens om als ik mij er van verwijderd heb.

De bloemkroon is 4–5 centim. lang, circa 4 centim. wijd, en loopt aan den top in vijf of zes slippen uit, die min of meer teruggeslagen zijn; in de bloem vindt men vijf meeldraden, en in 't midden daarvan één stijl met vijf stempels, die aanvankelijk tegen elkander liggen, doch later naar buiten omgekruld zijn.

In de geopende bloem zijn de helmknoppen reeds ledig en zien deze er verdord uit, terwijl het stuifmeel rondom tegen den stijl aanzit en dáár door een groot aantal haartjes vastgehouden wordt. Men moet een nog ongekleurden knop openen, om te zien hoe de groote helmknoppen en de stijl er oorspronkelijk uitzien. De eerste zijn dan alle opgerigt en tegen elkander, digt om den stijl geplaatst. Reeds in den knop openen ze zich, wanneer het stuifmeel in overgroote hoeveelheid door de haartjes van den stijl opgevangen wordt.

We weten echter dat het stuifmeel, zal het aan zijn doel beantwoorden, niet tégen den stijl maar óp den stempel wezen moet.

Hierbij nu doet zich een hoogst opmerkelijk verschijnsel voor. De haartjes van den stijl trekken zich namelijk, tegen dat de bloem geopend is, naar binnen terug, en stroopen daardoor als 't ware het stuifmeel af, dat nu, 't zij door den wind of door insecten op de stempels gebragt wordt.

Liet de ruimte het toe, ik zou hier nog meer van kunnen mededeelen; voor het tegenwoordige moge het bovenstaande voldoende zijn.

Eigenaardig aan deze planten is nog de kelk, die, behalve de vijf slippen aan den top, nog even zoovele bladachtige aanhangsels bezit, welke naar beneden teruggeslagen zijn, en alzoo het vruchtbeginsel omhullen, 't welk daardoor veel omvangrijker schijnt dan het werkelijk is.—

Men kweekt van C. Medium voornamelijk twee variëteiten, n.l. ééne met zuiver witte en eene met zacht rooskleurige bloemen. Deze zijn echter niet zeer standvastig, zoodat men er niet zeker van zijn kan voor dat ze bloeijen.

Deze planten laten zich zeer gemakkelijk door zaden vermenigvuldigen. Gelijk reeds gezegd is bloeijen ze eerst in het tweede jaar, wanneer men dus zorgen moet voor de zaadwinning. De plant geeft zaden in overvloed, maar deze gaan uit de zijdelings zich met poriën openende zaaddoozen ligt verloren, zoodat men ze in tijds moet afplukken.

Ze groeijen goed in elken goeden tuingrond en beminnen eene opene standplaats.

Wil men ze het eerste jaar, wijl ze dan niet bloeijen, op eene afzonderlijke plaats zaaijen, zoo verplante men ze in September, op 50 centim. afstands, wanneer tegen Julij van 't volgende jaar hare bloemen ontluiken.

Onze plaat stelt slechts het topgedeelte van een bloeijenden stengel voor.

 

 
  1. Zie de noot onder blz. 13.
  2. Een lijvig boekdeel in postformaat van 1300 bladzijden, waarin alle aanbevelenswaardige bloemgewassen voor den open grond naauwkeurig en duidelijk beschreven zijn, tevens met opgave der verschillende kweekwijzen en verdere bijzonderheden, en daarbij ook mededeelingen bevattende betreffende de synonimie en etymologie der namen. Zonder twijfel het beste en compleetste en daarom voor liefhebbers het meest aanbevelenswaardige werk in zijne soort; veel doelmatiger dan het jaarlijks verschijnende 2e gedeelte van den Bon Jardinier.
    Dezelfde firma gaf later ook een bij dit werk behoorenden atlas uit.