Flora (Witte 1868)/6

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
5 Flora: Afbeeldingen en beschrijvingen van boomen, heesters, éénjarige planten, enz., voorkomende in de Nederlandsche tuinen door Heinrich Witte

6. Euonymus latifolius

7


[ Pl 6 of 7 ]
 

Pl. 7 (in fact Pl. 6): EUONYMUS LATIFOLIUS

 
[ 21 ]
 

EVONYMUS LATIFOLIUS Mill.

Nat- Familie:

CELASTRINEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

PENTANDRIA MONOGYNIA (Vijfmannige-Éénwijvige)[1].

 

 

Terwijl in een kruidkundig, en dus zuiver wetenschappelijk werk de afbeelding, van de bloemen eener plant hoofdzaak is, en er, zoo mogelijk, slechts eene vrucht bijgevoegd wordt, om haar in hare verschillende levenstijdperken min of meer aanschouwelijk voor te stellen, vertegenwoordigt onze afbeelding een tak van de Breedbladerige Kardinaalsmuts, zooals die zich vertoont in de maand October, in het najaar dus.

Immers het is hier alleen de vraag, hoe en wanneer de plant, waarvan sprake is, uit een schoonheidsoogpunt beschouwd, de meeste waarde heeft, en, terwijl dat zeker, wat de meeste andere gewassen betreft, het tijdperk van den bloei is, zijn er toch ook niet weinige, welker vruchten het in schoonheid van de bloemen verre winnen niet alleen, maar wier bloei zelfs in dit opzigt zóó weinig beteekent, dat men het niet eens de moeite waard acht er notitie van te nemen, ja, ze in het voorjaar vaak voorbij loopt, zonder te zien dat die boom of heester met bloemen beladen is.

Prijkt diezelfde boom of heester dan in den nazomer met honderden, met duizenden vruchten, die, 't zij ze groot zijn of klein, door vorm en kleur in 't oog loopen, zoo zelfs dat de blik er met welgevallen op rust, dan vraagt men zich wel eens af: waar komen die vruchten nu van daan, want bloemen zag ik niet?

[ 22 ] Dit nu kan, ten aanzien van dezen heester, al zeer ligt het geval zijn met hen, wier opmerkzaamheid alleen door díe voorwerpen in de natuur getrokken wordt, welke door een of ander karakter zich als 't ware aan die opmerkzaamheid opdringen, en zoodoende daaraan letterlijk niet kunnen ontgaan, en dit is—de Lezer houde mij deze opmerking ten goede—vrij algemeen het geval met allen, die het zich niet tot eene gewoonte gemaakt hebben om altijd en overal om zich heen te zien, waardoor hun blik van zelf meer geoefend wordt, zoodat ten laatste zelf de kleinste voorwerpen hunne opmerkzaamheid trekken.

Vooraf wil ik hier melding maken van eene andere soort van Kardinaalsmuts, die in ons land, inzonderheid in de boschachtige streken van Gelderland, in 't wild groeijende aangetrotfen wordt, en waarmede de hier afgebeelde zóóveel overeenkomst oplevert, dat Linnæus haar als niets anders dan eene verscheidenheid van deze, die men als de Gewone Kardinaalsmuts (Evonymus europæus) kent, meende te moeten beschouwen.

De Nederlandsche benaming van dezen heester klinkt sommigen welligt vreemd; toch is ze inderdaad niet slecht gekozen, wat op verre na niet van alle nederlandsche plantennamen gezegd kan worden.

De scharlakenroode vruchten zijn het, die, als ze in het najaar, gewoonlijk met vier, somtijds met vijf kleppen, opengesprongen zijn, tot dien naam aanleiding gaven, daar ze inderdaad dan veel op eene kardinaalsmuts gelijken. Levert deze heester veelal, gedurende het eerste gedeelte van den zomer, geen in 't oogloopend fraai gezigt op, ja, is hij dan vaak door de afgevreten, of met spinsel van insecten zamengevlochten bladeren, zelfs alles behalve een sieraad van tuin of park, wanneer, in den nazomer, de beschadigde of verloren bladeren weder door nieuwe en zuivere vervangen zijn, en hij volbeladen is met de sierlijke, helder gekleurde, en overal tusschen de takken vrolijk uitkomende vruchtjes, waarbij de donker oranjekleurige zaden zeker niet het minst effect maken, zet hij aan het herfsttooneel, een ongemeen levendigen en opwekkenden luister bij.

't Zijn inzonderheid die zaden, welke daaraan dan zooveel bevalligheid geven; immers, vallen die in verreweg de meeste andere gevallen, inzonderheid wanneer de vruchten, gelijk hier, aan dunne steeltjes naar beneden hangen, wanneer deze, rijp zijnde, volkomen opengebersten zijn, er uit en op den grond, dit is bij de Kardinaalsmuts niet het geval; althans niet dan nadat de vrucht reeds geruimen tijd geheel geopend is; ze zijn namelijk, meestal twee aan twee, aan de toppen der nu ver uiteengeweken vruchtkleppen bevestigd en blijven daar soms verscheidene weken aanhangen.

De zaden hebben eene fraaije, donkere oranjekleur... zou men althans zeggen. En dit is ook inderdaad zoo, wanneer men die korrels in haar geheel, zooals ze daar uit die vruchtjes hangen en den heester tot een sieraad strekken, veel fraaijer dan de kunst zou kunnen uitdenken, als zaden beschouwt. Toch zijn eigenlijk de zaden zelf geelachtig, maar ze zijn overtrokken door eene zachte, min of meer vleeschachtige zelfstandigheid, in de kruidkunde een zaadmantel genoemd—een purperen mantel dus.

Het is geen algemeen verschijnsel dat de zaden in de vruchten nog bovendien in zulk een [ 23 ] eigenaardig overtreksel gehuld zijn, hoewel het toch aan den anderen kant in 't geheel niet op zich zelf staat. Het fraaist welligt doet dit zich voor bij de zaden van den, op de Moluksche eilanden groeijende, Notenmuskaatboom (Myristica fragans), waar dat overtreksel, die zaadmantel, niet, gelijk in dit geval, een gesloten geheel vormt, maar het voorkomen heeft van de mazen van een net, hoewel niet zoo regelmatig. Als die vrucht, die men in haar geheel 't best bij eene groote groene pruim zou kunnen vergelijken, zich, met twee kleppen, opent, dan vertoont zich de donkere noot, omgeven door den fraai rooden zaadmantel, in den vorm van dikke meestal in de lengte over de korrel heenliggende banden. Die zaadmantel wordt later van de zaden afgenomen, in den handel gebragt en is bij ons als foelie goed bekend.—

De Kardinaalsmuts bloeit in Mei. Dàn is die heester letterlijk met duizenden bloemen overladen, die naauwelijks een ned. duim groot zijn en meestal uit vier smalle, zeer licht, of beter witachtig groene bloemblaadjes bestaan, terwijl men aan de achterzijde vier, in afwisselende orde geplaatste, zeer kleine kelkblaadjes aantreft.

Hoewel Linnæus dit geslacht tot de klasse der Vijfmannige bragt, treft men in de bloemen van de Gewone Kardinaalsmuts in den regel niet meer dan vier meeldraadjes aan, die op een vleezig donker groen ligchaam, in 't midden der bloem geplaatst, een schijf genoemd, zijn ingeplant, en in welker midden zich de stamper bevindt, bestaande uit het, halverwege uit dien schijf te voorschijn komende vruchtbeginsel, dat in een spitsen stijl uitloopt en op welks top de stempel naauwelijks te herkennen is.

De bladeren zijn bij paren tegenover elkander geplaatst, enkelvoudig, aan den rand van fijne zaagtandjes voorzien en loopen aan den top en de basis spits toe.

Men kan deze in den zomer zeer digte heester, zoowel om den gesloten groei als om de fraaije vruchtjes, een ware sierheester voor de tuinen noemen; jammer echter dat hij in het voorjaar, tijdens den bloei, bezocht en geëxploiteerd wordt door een heirleger van rupsen, de larven namelijk van eene zwart gestippelde mot (welk insect, bij uitnemendheid op dezen heester levende, daarom ook zijn naam draagt (Hyponomeuta Evonymi), die de bladeren deels wegvreten, deels met een digt, spinnewebachtig weefsel overdekken en zamentrekken, 't welk dan zeker een alles behalve aanlokkelijk schouwspel oplevert; tegen het midden van den zomer haalt de heester echter zijn schade in, zoodat weldra de verloren gegane bladeren door nieuwe vervangen zijn.

Vergelijken we nu de Breedbladerige Kardinaalsmuts (Evonymus latifolius) met de gewone, dan valt deze vergelijking allezins ten voordeele van gene uit. Zij is niet bij ons inheemsch, maar behoort oorspronkelijk in het zuidelijk gedeelte van Europa, zoo mede in de bergbosschen aan beide zijden der Alpen tot aan Oostenrijk te huis.

Is de gewone digt en gesloten, deze daarentegen is veel ijler en luchtiger, en bereikt even als de vorige eene hoogte van 12–16 voet. De bladeren zijn veel breeder en aan den voet rondachtig, staan ook tegenover elkander, maar zijn op verre na niet zoo digt opeengedrongen; de bloemen, en dus ook later de vruchtjes, uit de oksels der bladeren ontspruitende, zijn dus ook minder talrijk, zoodat het geheel, ondanks de aanzienlijk grootere bladeren, [ 24 ] een veel losser en tevens bevalliger en frisscher voorkomen heeft, waartoe de meerdere lengte der bloem-, later de vruchtsteelen, zeker niet weinig bijdraagt. Deze laatste, die tijdens den bloei groen zijn, worden tegen 't najaar rood.

Hier treffen we in de bloemen het getal vijf genoegzaam standvastig aan, en zien we ook dat dit geslacht wel degelijk tot de Vijfmannige behoort. Vijf lichtgroene, fondachtige kelkblaadjes, daarmede afwisselend vijf bloemkroonblaadjes, die, in plaats van licht groen, zooals bij de gewone, groenachtig paars zijn; vervolgens vijf meeldraadjes, en, in 't centrum der bloem, de stamper, met een korten stijl en naauwelijks zigtbaren stempel. Ook hier zijn de meeldraden en den stamper in een groenen, vleezigen schijf bevestigd. De vruchten zijn iets grooter.

Eigenaardig is het, dat, naar 't schijnt, de straks genoemde rups zich veel minder of schier in 't geheel niet op deze soort vertoont, wat haar zeker voor de tuinen veel verkieslijker maakt, ook al verdiende zij die voorkeur niet om hare meerdere bevalligheid.

Ik stip hier ter loops nog aan dat van de Groene Kardinaalsmuts ook eene verscheidenheid met witte vruchten in de tuinen aangetroffen wordt, die mede zeer verdient in aanmerking te komen.

Ten slotte zij nog opgemerkt dat het hout van deze heesters licht geel van kleur, uiterst fijn en daarbij zeer hard is, zoodat het veel op het bekende, zoogenoemde palmhout gelijkt; ook is het voor draai- of snijwerk bijzonder geschikt, hoewel slechts voor kleine voorwerpen, daar de Kardinaalsmuts een heester en geen boom is, en bijgevolg de stammetjes ook geen aanzienlijke dikte bereiken. Alleen die zeer oud zijn maken hierop eene uitzondering. In den Leidschen Hortus staat een Gewone Kardinaalsmuts, wiens stam bij den grond eene dikte van twee palm heeft, doch een voet hooger zich in twee takken splist, die zich, weer een weinig hooger, in verscheidene armen van circa een palm diameter verdeden. Diens hout zou dus voor velerlei technische doeleinden geschikt zijn, maar zóó zwaar treft men ze slechts schaars aan.

Deze heesters zijn door de zaden gemakkelijk te vermenigvuldigen; ook door middel van stekken kan men dit doel nog spoediger bereiken, als het ten minste niet om een zeer groot aantal te doen is. Ze zijn over 't algemeen niet zeer keurig wat den grond betreft, zoodat men ze in elken tuin planten kan.

 

 
  1. Zie: de Noot onder bladz. 13.