Gezelle/Avondrood

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Schoone nacht * 121 Avondrood van Guido Gezelle Nu of nooit * 123
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

Nog nauwelijks is het groen
der boomen groene, en even
zijn, toppewaards, alleen
de takken groen gebleven;
     al ‘t ander zwarter wordt
     en zwarter: boomen net,
     van zwarte zijde zijn ‘t,
     op blauw satijn gezet.

‘t Leeft alles langzaam uit,
dat verwe is: henen dalen
de laatste en langste van
de lieve zonnestralen;
     ‘t wordt watergroene, omhooge;
     omleege, brandt en broeit
     de groote zonne nog,
     die zinkt en grooter groeit.

Ze duikt heur aangezicht
beneên des werelds neggen,
die, eindloos, slinks en rechts,
hun lange lijsten leggen;
     die ‘k opwaardstriemen, die ‘k
     een' wolke twee of drie
     den zonnezienden kant
     geheel vergulden zie.

In ‘t heerlijk zonnenveld,
dat donker wordt omhooge,
en langzaam donkerder
en dieper, staan ten tooge,
     geschreven, zwart op goud,
     een bende reuzen groot:
     het eindloos boomenvolk,
     in ‘t eindloos avondrood.

Beziet mij haastig nu
die schoonheid! Neder nijgen
de duisternissen: ‘t veld,
het vee, de vogels zwijgen;
     het nauwt, in ‘t westen; nog
     een tijdje, en, doodgedaan,
     zal al die heerlijkheid
     gedekt en donker staan.

21/10/1896