Gezelle/De bleekersgast

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Herteloozen * 71 De bleekersgast van Guido Gezelle De avondtrompe * 73
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

‘t Ververscht mij, in ‘t geweld gestaan
     der hooge zonnekrachten,
te zien van verre, aan ‘t water slaan,
     vuls arems, uit de grachten,
den bleekersgast: de regenvloed
‘t geleschte lijnwaad ronken doet.

Den lepel zwaait hij, zwak van leên,
     ter beken uit, omhooge;
en waken doet, hoe verre heen
     hij werpen kan, zijne ooge:
de laatste lage en mist hij niet,
en al dat drooge is nat hij giet.

De groote zonne lacht daarop
     heure alderliefste lonken;
die, vallende in den dreupeldrop,
     den dreupeldrop ontvonken:
ik regenbogen, smal van bouw,
nu hier nu daar, in ‘t gers aanschouw.

Het lijnwaad is, en ‘t gers, nu nat
     genoeg; de lanen leken;
en wederom zijn spegelglad
     van aanschijn al de beken;
de bleker zit en droogt entwaar
de peerlen uit zijn kroezelhaar.

Verzachten doet dat regenbeeld
     ‘t geweld der heete stralen,
en lichter in de longer speelt
     voortaan mij ‘t asemhalen:
zij vrede aan al die ‘t schoone van
Gods wonderheên beseffen kan!

7/5/1895