Gezelle/De zonneschicht

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoe weet gij ‘t dan zoo wel... * 50 De zonneschicht van Guido Gezelle Muggen * 52
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

      Gedoken diepe in ‘t stammig groen
van peerdeboon- en terruwstalen,
hoe lavende is het, asemhalen
      en levenskracht weêr innedoen!
‘k Zou blijven staan hier, stap aan stede,
zoo lang het licht mij dagen dede.

      ‘t En is, van hier tot tenden uit,
zoo verre als bei mijne oogen dragen,
geen mensch te zien; de winden vagen
      voorbij mij, over ‘t veie kruid
der wentelende koorenaren,
die langzaam op- en nedervaren.

      De zonne zit mij, over ‘t hoofd,
te bliksemen; de vonkenregen
verdappert: ‘t is den middag tegen;
      de vogeltale is uitgedoofd;
daar waait een lucht mij ommentomme,
zoo noegzaam als de nagelblomme.

      De grond is drooge, en, nesch, beneên
den akker, schuilt nog veite in de aarde,
die verwe geeft aan ‘t verschgeblaarde
      gebouwsel, langs de velden heen.
‘k Mag zitten waar ik zitten wille:
het kruid is dwee, de locht is stille.

      Maar stooten doet de zonneschicht
mij, door end door de lijfsgewanden,
‘t geweld, dat in de hemelpanden
      geboren en geborgen ligt;
het doet me een' vreemde deugd: in de âren
gevoele ik vochtig vier mij varen!

8/1/1897