Gezelle/Op de wagens

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
't Vriest * 11 Op de wagens van Guido Gezelle Winternacht * 13
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

Slaande rolt het rad daarhenen,
op de vastgevrozen schenen:
     ‘t ruchtbaar roerend, ronkend staal
     rooft mij oore en tonge en taal.

Dichte ineengevlokte vlagen
doom, lijk snee, die versch is, vagen
     snel voorbij; en, stikken lands
     verre, zie ‘k hun' witte glans.

Overal, omleege, omhooge,
hier en daar en vat mijne ooge
     niet als witzijn, als en als,
     wit gelijk nen zwanenhals.

Zwart alleen zijn esschen, iepen;
zwart de duistere boomenstriepen,
     ginder, lijk nen dam, geleid,
     tenden al die wittigheid.

Kwetsen zie ‘k uwe ingewanden
mannevolk, die, happe in handen,
     moeder Eerde, in uwen schoot,
     grijpen naar hun daaglijksch brood.

Kraaien, nu waarom niet laten
eens uwe arme voeten baten
     ‘t dikke van uw' kleêren? Zwart
     zit gij in de snee en schart!

‘t Doet mij dere, en ‘k wou ulieden
veerdig hulpe en bijstand bieden:
     horkt!... Maar, eer ‘k een zake u zeg,
     roeit gij, van den werke, weg!

‘t Sneeuwt nog eens al! Op en neder
danst het lijzig lochtgeveder;
     uit den hoogen afgedaald,
     ‘t een witje om het ander dwaalt.

Roeren doet de locht, alomme
vol gestorte runselblomme;
     room gelijk, die, moegepord,
     beuter, onder ‘t keernen, wordt.

‘t Sneeuwt! Hoe gaat, hoe gaat ge varen,
die ‘t, met een, met al te sparen,
     kostet houden, nog nen dag
     ‘s maals, aleer de snee daar lag?

Die de vogels, zonder zaaien,
laat den scherpen honger paaien,
     Heere, neemt uw volk in acht,
     dat van U nen troost verwacht!

Slaande rolt het rad daarhenen,
op de vastgevrozen schenen;
     ‘t rap, mij verder voerend, staal
     rooft mij oore en tonge en taal.

14/2/1895