Gorter/Ik proefde de lauwe luchten

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

IK proefde de lauwe luchten
en de geduchte, de verschrikklijk geduchte
maar stille heel kalme klanken --
zelf niet hollen ze, niet wanken.

En het lichten ook stil, van zelve,
en de doode nachten, de welven
die stil aan nederzegen
op mij zoo jong zoo stil neergelegen.

O in me was het grijpen,
het nooit rijpen,
het willen, het brijzelend willen --
o en het rillen, het rillen
weg, ver weg -- maar het kalm leven
en stillen schijn geven,
het lichten als van de dagen,
dagen als oogen zagen
dalen dalen als hallezalen,
van boven beschenen gelijkelijk
door het stil oogenblikkelijk.