In het jaar 2000 (Bellamy 1890)/5

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
IV. In het jaar 2000 van Edward Bellamy

V.

VI.


[ 35 ]
 

HOOFDSTUK V.

 

 

Toen in den loop van den avond, de dames naar hunne kamers waren gegaan, probeerde Dr. Leete of ik lust had om te gaan slapen, zeggende dat als ik wilde, mijn bed gereed was, maar als ik op wilde blijven, hem niets grooter genoegen zou doen dan mij gezelschap te houden. "Ik ben zelf een plakker", zeide hij, "en zonder een schijn van vleierij, mag ik zeggen dat een belangwekkender kameraad dan gij moeielijk te bedenken zou zijn. Het gebeurt werkelijk niet elken dag dat men in de gelegenheid is met iemand uit de negentiende eeuw te praten."

Nu had ik juist den geheelen avond met eenigen angst het oogenblik tegemoet gezien waarop ik, bij het naar bed gaan, alleen zou zijn. Omringd van deze allerbeminnelijkste vreemdelingen, opgewekt en gesteund door hun vriendelijk medegevoel, was ik in staat gebleven om mijn geestelijk evenwicht te bewaren. Maar toen zelfs, in de gapingen van het discours, had ik gezichten gehad, zoo helder als bliksemflitsen, van de gruwelijkheid der bevreemding die ik onder de oogen zou moeten zien als ik geen afleiding meer had. Ik wist dat ik dien nacht niet zou kunnen slapen, en om wakker te liggen en te denken, ik geloof niet dat het lafhartigheid verraadt, wanneer ik zeg dat ik daar bang voor was. Toen ik, in antwoord op mijn gastheers vraag, hem dit openhartig meedeelde, zeide hij dat het vreemd zou zijn als ik niet zoo dacht, maar dat ik geen angst behoefde te hebben voor het slapen; als ik naar bed zou willen gaan, zou hij mij een middel geven dat mij een goede nachtrust [ 36 ] zou verschaffen, zonder fout. Den volgenden morgen zou ik bepaald wakker worden met het gevoel van een oud burger van den nieuwen staat.

—"Alvorens ik dat krijg," antwoordde ik, "moet ik eerst wat meer weten van het Boston waarin ik nu ben teruggekeerd. U verteldet mij toen wij op het plat waren, dat ofschoon maar een eeuw voorbijgegaan was sedert ik in slaap gevallen ben, er meer merkwaardige veranderingen in den toestand van het menschdom waren voorgevallen dan in menig voorafgaand duizendtal jaren. Met de stad vóór mij kon ik dat zeer goed gelooven, maar ik ben zeer begeerig te weten waarin sommige van de veranderingen hebben bestaan. Om ergens een begin te maken, want het onderwerp is zoo groot, welke oplossing hebt gij wel gevonden voor het arbeiders-vraagstuk? Het was een onverstaanbaar raadsel in de negentiende eeuw, toen ik verdween was de maatschappij den ondergang nabij, omdat men het antwoord maar niet kon vinden. Het is wel de moeite waard om honderd jaar te slapen om te weten te komen wat het juiste antwoord was, indien gij het ten minste al gevonden hebt."

—"Nu er tegenwoordig geen arbeiders-vraagstuk bestaat," antwoordde Dr. Leete, "en er geen mogelijkheid is om er weer een te krijgen, geloof ik dat wij kunnen zeggen het opgelost te hebben. De maatschappij zou inderdaad ten volle verdiend hebben ondergegaan te zijn, als zij in gebreke was gebleven zulk een gemakkelijk raadsel te ontdekken. Om de waarheid te zeggen, had de maatschappij niet eens noodig het raadsel te raden. Men kan zeggen dat het vanzelf opgelost is.

"De oplossing kwam als de slotsom van een proces van eene maatschappelijke evolutie, die niet anders had kun[ 37 ] nen eindigen. Alles wat men te doen had, was die evolutie erkennen en ondersteunen toen hare strekking onmiskenbaar werd."

—"Ik kan alleen zeggen," antwoordde ik. "dat toen mijn verdooving begon, zulk een evolutie nog niet erkend geworden was."

—"Het was immers in 1887 dat uwe verdooving begon?"

—"Ja, 30 Mei 1887."

Mijn ondervrager beschouwde mij peinzend gedurende eenige oogenblikken. Toen merkte hij op:—"en gij zegt mij dat zelfs toen er geen algemeene erkenning was van de soort van crisis die de samenleving tegemoet ging? Natuurlijk geloof ik uw mededeeling ten volle. De zonderlinge verblindheid van uwe tijdgenooten voor de teekenen der dagen, is een verschijnsel dat door vele geschiedschrijvers besproken is, maar weinig historische feiten zijn voor ons moeilijker te begrijpen dan juist dit, zoo duidelijk en onmiskenbaar schijnen ons de teekenen, die ook onder uwe oogen hebben moeten komen, van de naderende verandering. Ik zou u verplicht zijn, Mijnheer West, als gij mij een eenigszins meer bepaalde voorstelling kondt geven van de opvatting die gij en menschen van uwe ontwikkeling, van den staat en de vooruitzichten van de samenleving in 1887 waart toegedaan. Gij moet toch tenminste hebben ingezien dat de uitgebreide industrieele en maatschappelijke moeilijkheden, en de onderliggende ontevredenheid van alle klassen over de maatschappelijke ongelijkheid en de algemeene ellende van het menschdom, dragers waren van groote veranderingen van welken aard dan ook."

—"Dat zagen wij inderdaad in," antwoordde ik. "Wij [ 38 ] voelden dat de samenleving haar anker verloor en gevaar liep te stranden. Waar het zou stranden wist niemand, maar iedereen was bang voor de rotsen."

—"Evenwel," zeide Dr. Leete, "was de richting van den stroom toch duidelijk waarneembaar als gij maar de moeite had genomen van te kijken, en de richting was niet naar de rotsen maar naar een dieper vaarwater."

—"Dat het niet moeilijk is om het gebeurde te voorspellen, gevoel ik nu beter dan ooit. Maar wat ik zeggen kan is dat het vooruitzicht zoodanig was, toen ik mijn langen slaap begon, dat ik niet verwonderd zou geweest zijn indien ik vandaag neergezien had op een hoop gezengde en begroeide bouwvallen, in plaats van op deze machtige stad."

Dr. Leete luisterde zeer aandachtig naar mij en knikte peinzend toen ik uitgesproken was.

—"Wat gij daar zeidet," hernam hij, "zal beschouwd worden als een merkwaardige voldoening voor Storiot, wiens beschrijving van uw tijdvak algemeen overdreven werd gevonden in de schildering van de duisternis en de verwarring in de gemoederen der menschen.

"Dat een tijdvak van overgang, gelijk het uwe, vol opwinding en beweging zou zijn, kon men inderdaad verwachten, maar met het oog op de duidelijkheid van de strekking der beweging, zou men gelooven, dat hoop, meer dan vrees, de doorgaande stemming van de openbare meening zou geweest zijn."

—"U hebt mij nog niet verteld welke de oplossing van het raadsel was die gij gevonden hebt," zeide ik. "Ik ben begeerig te weten door welke stoornis in de natuurlijke gevolgen, de vrede en de voorspoed teweeggebracht zijn. [ 39 ] die gij nu schijnt te genieten als een vervolg op het tijdvak van ons."

—"Pardon," zeide mijn gastheer, "rookt u ook?"

En niet voordat onze sigaren aangestoken waren en goed brandden zetten wij het gesprek voort.

—"Nu gij meer lust hebt om te praten dan om te slapen, evenals ik, kan ik misschien niet beter doen dan u een denkbeeld trachten te geven van ons hedendaagsch stelsel van arbeid, om tenminste den indruk weg te nemen, als zou er eenig geheim steken achter den gang van deze evolutie.

"De Bostonners van uw tijd hadden den naam van veel te vragen, en ik zal mijn afkomst toonen door u een vraag te stellen om te beginnen. Wat noemt gij wel het meest in het oog vallende van de werkquaestie van uw tijd?"

—"Natuurlijk de werkstakingen," antwoordde ik.

—"Juist, maar wat maakte de stakingen zoo geducht?"

—"De groote vakvereenigingen."

—"En wat was de oorzaak van die groote vereenigingen?"

—"Wel, de arbeiders beweerden dat zij georganiseerd moesten zijn om hunne rechten te verdedigen tegen de groote kapitalen."

—"Dat is het juist," zeide Dr. Leete; "de vakvereenigingen en de werkstakingen waren alleen een gevolg van de concentratie van kapitaal tot grootere hoeveelheden dan ooit te voren gezien was. Voordat deze concentratie begon, terwijl tot nog toe handel en nijverheid gedreven werden door ontelbare kleine belanghebbenden met weinig kapitaal, inplaats van door een klein getal van groote belanghebbenden met uitgebreid kapitaal, was de werk[ 40 ] man betrekkelijk onafhankelijk in zijne verhouding tot den werkgever. Bovendien, toen een klein kapitaal of een nieuw denkbeeld voldoende was voor iemand om zich in zaken te vestigen, werden werklieden onophoudelijk werkgevers en er bestond geen onoverkomelijke scheiding tusschen de beide klassen. Vakvereenigingen waren overbodig en er was geen sprake van werkstakingen. Maar toen de periode van beperkte kapitalen opgevolgd was door groote ophoopingen van kapitaal, veranderde alles. De afzonderlijke werkman, die betrekkelijk van belang was voor den kleinen werkgever, werd onbeduidend en machteloos tegenover de groote concentratie, terwijl tegelijkertijd het hem onmogelijk werd gemaakt op te klimmen tot patroon. Zelfverdediging moest hij zoeken in vereeniging met zijne kameraden.

"De stukken uit dien tijd bewijzen dat de aanvallen op de concentratie van kapitaal geweldig waren. De menschen geloofden, dat de maatschappij er door bedreigd werd met een tirannie erger dan ooit doorstaan was. Zij geloofden, dat de groote ondernemingen een juk van erger slaafschheid smeedden dan ooit aan de menschen was opgelegd, van slavernij niet onder menschen maar onder machines, ongevoelig voor eenigen anderen drang dan onverzadelijke hebzucht. Van achteren beschouwd, kunnen wij ons niet verbazen over hunne wanhoop, want zekerlijk was nooit de menschheid blootgesteld geweest aan een ellendiger lot dan de periode van afgrijselijken dwang zou zijn die zij tegemoet zagen.

"Intusschen, zonder in het minst door het geraas afgeschrikt te worden, ging het opnemen van alle zaken in steeds grootere ondernemingen voort. In de Vereenigde Staten was er, na het begin van het laatste kwart gedeelte [ 41 ] der eeuw, geen kans van slagen voor een zaak van welken aard ook in eenig belangrijk vak van handel en nijverheid, die niet gesteund werd door een groot kapitaal. Gedurende de laatste tiental jaren waren de weinige kleine huizen die nog bestonden, sterk verminderende overblijfselen uit een vorig tijdvak, of enkel bijloopers van de groote monopolies, of zij behoorden tot een bedrijf van te weinig belang om de kapitalen aan te trekken. Die kleine zaken verkeerden in den toestand van ratten en muizen, zij leefden in hoeken en gaten en alleen als zij in vergetelheid bleven, konden zij bestaan. De spoorwegmaatschappijen waren samengesmolten, tot dat eenige weinige syndicaten alle lijnen van het land in handen hadden. Van elk voornaam artikel waren de fabrieken in het bezit van syndicaten. Deze syndicaten, trusts, of hoe zij ook heetten, stelden de prijzen vast en vernietigden alle concurrentie, behalve wanneer evengroote combinaties oprezen. Dan volgde er een worsteling, eindigende met een nog grootere vereeniging. De groote stads-bazaar verdrong den dorps-winkel door zijne depots, en verdrong in de stad zelf al de kleinere concurrenten, totdat alle handel van een geheele buurt onder één dak werd samengebracht, met honderd vroegere winkeliers als bedienden. Zonder eigen zaken om zijn geld in te steken, vond de kleine kapitalist geen andere belegging dan de aandeelen en obligaties van de onderneming waar hij werkzaam werd, en zijn afhankelijkheid was dus tweevoudig.

"Het feit, dat het wanhopige verzet tegen het vereenigen van alle zaken in eenige weinige machtige handen, dit geenszins kon beletten, bewijst dat er groote economische drijfveeren voor geweest moeten zijn.

[ 42 ] "De kleine kapitalisten, met hunne ontelbare geringe beleggingen, hadden het veld geruimd voor de groote ophoopingen van geld, omdat zij behoorden tot een tijd van kleine dingen en geheel onbekwaam waren om aan de eischen van de eeuw van stoom en telegraaf en reusachtige ondernemingen te voldoen. De vorige orde van zaken te herstellen, zelfs indien het mogelijk geweest ware, zou zijn het terugkeeren tot diligences. Geweldig en ondragelijk genoemd en vervloekt door de slachtoffers, moesten zelfs dezen toegeven, dat de nationale arbeid door de opstapeling van kapitaal, grootelijks gebaat was geworden, dat uitgebreide bezuinigingen waren verkregen door concentratie van beheer en éénheid van bedrijf; bovendien, dat sedert het nieuwe stelsel in de plaats van het oude gekomen was, de rijkdom vermeerderd was op een tot dusver ongehoorde schaal. Wel is waar had deze vermeerdering voornamelijk gediend om de rijken nog rijker te maken, en de kloof tusschen hen en de armen te vergrooten; maar de omstandigheid bleef bestaan, dat bloot als een middel om rijkdom voort te brengen, het kapitaal betere diensten had bewezen naarmate het geconcentreerd werd. Herstel van de oude vormen, indien mogelijk, zou zeker een grootere gelijkheid teweeggebracht hebben, met meer persoonlijke waardigheid en vrijheid, maar enkel ten koste van algemeene armoede en schorsing van den stoffelijken vooruitgang.

"Had men dan geen middel, om over de diensten van dit machtige, rijkdom-scheppende beginsel te beschikken, zonder zich te bukken onder een geld-heerschappij gelijk aan die van Carthago? Zoo spoedig de menschen dit begonnen te bedenken, vonden zij het antwoord gereed liggen. De beweging van zaken door steeds grootere massa's kapi[ 43 ] taal gedreven, de neiging tot monopolies, waartegen men zich zoo wanhopig en vruchteloos had verzet, werd ten slotte in hare ware gedaante erkend als een ontwikkeling, die enkel volledig behoefde te worden om aan de menschheid een gouden toekomst te ontsluiten.

"In het begin van de vorige eeuw kreeg deze ontwikkeling haar beslag door de geheele vereeniging van al het kapitaal van het geheele volk. De nijverheid en de handel hielden op met gedreven te worden door een stel onverantwoordelijke lichamen en syndicaten van particulieren naar hun luim en voor winst; zij werden toevertrouwd aan een enkel college, vertegenwoordigende het volk, en beheerd in het algemeen belang en tot algemeen voordeel. Dat wil zeggen, het volk organiseerde zich tot éen groote onderneming, die alle kleine ondernemingen in zich opnam, het werd de eenige kapitalist in de plaats van al de andere kapitalisten, de uitsluitende werkgever, het monopolie waarin alle monopolies werden opgelost, een monopolie in welker voordeelen alle burgers deelden. In éen woord, het volk der Vereenigde Staten nam het bestuur van hare eigen zaken in handen, zooals zij een goede honderd jaar geleden hare eigen regeering had aanvaard; zij organiseerde zich nu voor industrieele doeleinden, gelijk zij dat vroeger voor politieke had gedaan. Ten laatste, verbazend laat in de geschiedenis van de wereld, bespeurde men de voor de hand liggende waarheid, dat geen onderwerp zoozeer de publieke zaak is als de nijverheid en de handel, waarop het leven van het volk berust, en dat haar aan bijzondere personen over te laten voor hun bijzonder voordeel, is een gelijksoortige dwaasheid, ofschoon van een onvergelijkelijk grootere beteekenis, als de staatkundige regeering over [ 44 ] te geven aan koningen en edelen voor hun persoonlijk genoegen."

—"Zulk een ontzettende verandering als gij beschrijft," zeide ik, "zal natuurlijk niet zonder groote bloedstorting en vreeselijke schokken hebben plaats gehad."

—"integendeel," antwoordde Dr. Leete, "er is volstrekt geen geweld gebruikt. De verandering was lang voorzien. De openbare meening was er rijp vóór geworden en zij werd gesteund door het geheele volk.

"Het was niet mogelijk haar tegen te gaan, noch door geweld, noch door redeneering. Aan den anderen kant had de volksopinie omtrent de groote lichamen hare bitterheid verloren, naar gelang men hunne noodzakelijkheid inzag als een schakel, een overgangstoestand, in de evolutie van het ware stelsel. De hevigste vijanden van de groote private monopolies moesten nu erkennen, hoe onwaardeerbaar en hoe onvermijdelijk hunne rol was geweest om het volk op te voeden in het denkbeeld zijn eigen zaken te besturen. Vijftig jaar geleden zou het brengen van allen arbeid onder nationaal beheer, ook aan de luchthartigsten een zeer gewaagde proefneming hebben toegeschenen. Maar door een reeks van overtuigende lessen, waargenomen en bestudeerd door iedereen, hadden de groote lichamen een voorraad nieuwe denkbeelden aan het volk geleerd. Men had lange jaren syndicaten geldsommen zien behandelen, grooter dan de inkomens van staten, en den arbeid van duizenden menschen zien besturen met een volkomenheid en een spaarzaamheid, onbereikbaar in kleinere lichamen. Men had het axioma leeren verstaan, dat, hoe grooter de zaak is, hoe eenvoudiger de beginselen van inrichting kunnen zijn; dat, zooals de machine vertrouwbaarder is dan de hand, het [ 45 ] stelsel, dat in een groote onderneming het werk doet van het oog des meesters in eene kleine zaak, betere uitkomsten oplevert. Zoo geschiedde het, dank zij de groote kapitaal-ophoopingen zelve, toen het voorgesteld werd dat het volk hunne werkzaamheden zou overnemen, dat het plan niets bevatte dat onuitvoerbaar scheen zelfs voor de bloòhartigsten. Zeker was het een stap verder dan men tot dusver gegaan was, een breedere generalisatie, maar het feit zelf, dat het volk de eenige ondernemer zou wezen, zou spoedig, naar men zag, vele moeilijkheden doen verdwijnen, waarmede de gedeeltelijke monopolies nog te kampen hadden gehad."