Keulemans Onze vogels 2 (1873)/35

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
34 Onze vogels in huis en tuin, deel 2 van John Gerrard Keulemans

35. De kuifleeuwerik

36


[ Pl35 ]

Keulemans Onze vogels 2 35.jpg

[ 127 ]
 

DE KUIFLEEUWERIK.

ALAUDA CRISTATA.


Ofschoon minder algemeen, dan den Akker- of Gewonen Leeuwerik, vindt men de hier afgebeelde soort toch in verschillende streken van ons land, vooral in de duinen nabij Scheveningen en Katwijk aan Zee. Ook in Drenthe en NoordBraband treft men haar aan, doch niet zoo veelvuldig als in de nabijheid van Scheveningen, waar zij, even als de badgasten, voortdurend in aantal toeneemt. In alle landen van ons werelddeel vindt men haar op bepaalde plaatsen. Zij is de Leeuwerik van het zand, gelijk de Boomleeuwerik aan de heide, de Gewone soort aan het weiland eigen is.

Even als de beide genoemde soorten, bewoont hij bijna geheel Europa; doch komt echter ook in landen voor, waar de Akker- en Boomleeuwerik niet te vinden zijn, althans indien men de in de woestijnen van Afrika levende voorwerpen tot dezelfde soort mag rekenen. Ook bij de Kuifleeuwerik worden, gelijk bij den Akkerleeuwerik, verscheidenheden van kleur aangetroffen, en hoogsteigenaardig komt die kleur meestal overeen met den grond, waarop hij leeft. Inzonderheid is dit het geval met die voorwerpen, welke de zandvlakten van Marokko of de groote woestijn en de roode steenvlakten van Turkije bewonen, en dit heeft menigeen tot de onderstelling geleid, dat de fijnere bestanddeelen van den grond of een fijn, poederachtig, gekleurd zand zich aan de veêren zou hechten, zoodat de vogels trapsgewijze de tinten van den grond, waarop zij leven, zouden aannemen. Ofschoon dit nu werkelijk in zekere mate het geval is, bewijst dit evenwel nog volstrekt niet, dat de veêren alleen aan zulk een invloed van buiten hare tinten verschuldigd zijn; immers is het zand of de poederachtige kleurstof gemakkelijk weg te wasschen, doch blijft de oorspronkelijke kleur onveranderd.

Voor 't overige treft men ook bij voorwerpen, die op een en denzelfden bodem [ 128 ] leven, verscheidenheid van kleuren aan, en de Kuifleeuwerik van Zuid-Frankrijk is soms even ros gekleurd, als die der woestijnen. Zelfs bij de hier te lande op het lichte zeezand levende Kuifleeuwerikken vertoont zich eene rosse tint aan de binnenzijde der kleine vleugelpennen, ofschoon zij meestal bleeker en duidelijker gevlekt zijn, dan hunne in België, Duitschland en Noord-Frankrijk te huis behoorende soortgenooten. In Engeland behoort deze vogel tot de zeldzaamheden, terwijl hij het menigvuldigst in Duitschland voorkomt.

Er bestaat bij deze vogelsoort een opmerkelijk verschil in de grootte der individuen, hetgeen echter niet aan het onderscheid van sekse toe te schrijven is. Mannetje en wijfje dragen hetzelfde graauw gevlekte vederkleed. De jongen daarentegen zijn zeer verschillend en zelfs zeer fraai geteekend: al hunne vederen hebben breede witte randen; zelfs die van bovenkop en kuif zijn als geborduurd. Voor zooverre bekend is, zijn de jongen na den rui (Augustus) aan de ouden gelijk; ten minste worden er na dien tijd geene meer met lichtgerande veêren aangetroffen.

Zijn nest vindt men op den grond tusschen gras of lage planten; het is zeer slordig bewerkt en uit gras en haar of dunne plantenvezels zamengesteld. De eijeren zijn vuil rosachtig wit, en over de geheele schaal met bruine en graauwe vlekken bezet. Het eerste broeisel bevat gewoonlijk 5 à 6, het tweede 3 à 4 eijeren, die door beide ouden beurtelings worden uitgebroeid. De jongen loopen reeds met den tienden of elfden dag, en verwijderen zich soms zeer verre van het nest, hetgeen, daar zij alsdan nog niet in staat zijn zelf in hun onderhoud te voorzien, den ouden veel moeite veroorzaakt, om hen te voeden en te beschermen, vooral ook om hunne schuilplaatsen te vinden, waarin menige vogel zich soms bedriegt, hoe scherp zijn oog ook zien moge.

De ouden voeden zich met zaden, jong groen, kleine wormen, torren en sprinkhanen.

De zang van den Kuifleeuwerik is krachtig, doch heeft niet dat jubelend geluid van den Akkerleeuwerik, niet dat zuiver streelend gekweel, die helder klinkende zilvertoonen van den Boomleeuwerik; toch is hij een groot zanger en zingt hetzelfde liedje, als de beide anderen; door zijnen sterkeren bouw echter brengt hij een baryton-, de Akkerleeuwerik daarentegen een tenor-geluid voort. Zijn zang is meer eene aaneenschakeling van krachtige, zuivere toonen, minder een vloeijende andante, zoo als beide zijne geslachtsgenooten te hooren geven. Zijn gewoon [ 129 ] geroep, waarbij hij steeds de lange kuif opheft, is kort en klinkt rollend. In al zijne bewegingen vertoont hij iets deftigs, vastberadens, zelfs iets fiers. Toch ziet hij er zeer aardig uit met zijne groote stappen, vlugge, trippelende wijze van vooruitschieten, en zijne lange kuif, die door het minste togtje in eene trillende beweging gebragt wordt. Ik heb hem menigmaal gadegeslagen en zelfs tot zeer nabij kunnen naderen; want waar ik hem vond, was hij tam en vertrouwelijk. Dikwijls zag ik er twee en meer op de trappen der restauratiën op het duin van Scheveningen; zij liepen daar ongedeerd en pikten er de kruimels brood van de steenen. Ik zag er een voortvliegen met eene lange houtkrul in den bek, en staarde hem zoo lang mogelijk na, ten einde zijn nest te kunnen ontdekken; doch, ondanks alle inspanning en opoffering van tijd, gelukte het mij zelfs niet, hem of zijn nest terug te vinden.

Ik heb den Kuifleeuwerik in de kooi gehad, en voêrde hem met broodkruimels, havergort en gehakt vleesch, en nu en dan een paar miereneijeren of een meelworm.

Eens had ik twee jongen, waarvan er een spoedig stierf; het andere voorwerp daarentegen werd een echte kooivogel, een fiksche zanger. Eene groote kooi, waarin hij nu en dan eens heen en weer en omhoog kon fladderen, scheen hem bijzonder te bevallen, althans naar de houding van de kuif te oordeelen, welke steeds zijne stemming verried. Binnenshuis scheen hij niet zeer op zijn gemak; doch naauwelijks plaatste ik hem buiten het venster, of de lange kuif stond regt overeind, de veêren van het ligchaam werden op en neer geschud, en zijne houdingen bewezen duidelijk genoeg, dat het leven in dien staat hem geenszins naar de vrijheid deed verlangen.