Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/468

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

298

houdt, staan de planten toch eigenlijk nooit rijk in bloei, en dat is het wat men van kleinbloemige gewassen in de eerste plaats verlangt, zullen ze óm de bloemen, als sierplanten, voor de tuinen in aanmerking komen. Daar er nu zooveel andere zijn die door een rijkeren bloei de aan haar bestede moeite beloonen, kiest men natuurlijk deze.

Yan het groot aantal voor den open grond geschikte soorten wordt dan ook slechts ééne enkele als voor de tuinen der liefhebbers bijzonder aanbevelenswaardig geacht, en dat is de hier afgebeelde Hypericum Calycinum. In hoeverre deze die onderscheiding verdient, zullen we zoo aanstonds zien. Vooraf echter het een en ander van algemeenen aard.

Bij zeer vele planten zijn de meeldraden, 't zij ze in grooter of kleiner aantal aanwezig zijn, geheel onafhankelijk van elkander, òf op den bloembodem, òf op den binnenwand van de bloemkroon, òf op den kelkrand bevestigd. In de beide laatste gevallen echter herkennen we reeds op 't eerste gezigt eene vergroeijing met de genoemde meer naar buiten geplaatste kransen. De gevallen zijn echter ook verre van zeldzaam dat ze onderling vereenigd zijn, waarbij dan meestal alleen de helmdraadjes, 't zij grootendeels of slechts aan hun voet, met elkander zamenhangen.

Dit gaf Linnæus, wiens stelsel, gelijk ik reeds herhaaldelijk opgemerkt heb, voornamelijk op 't getal en den toestand dezer organen gebouwd is, aanleiding tot de bepaling van een drietal klassen, de 16e, 17e en 18e, namelijk de Één-, Twee- en Veelbroederige.

Tot de eerste behooren die planten welker meeldraadjes alle tot één bundel vereenigd zijn, en die dus een kokertje vormen, hetwelk den stamper of de stampers omgeeft. Deze geheele klasse bestaat grootendeels uit ééne natuurlijke familie, die der Malvaceën, van welke we er in dit werk een tweetal leerden kennen (pl. 62 en 72), en welke familie zich standvastig door dit karakter onderscheidt. Ook met de Passiebloemen (zie pl. 68) is zulks het geval.

De tweede is inzonderheid zamengesteld uit de Vlinderbloemige planten, waarbij echter de tien meeldraden niet bepaald tot twee bundels vergroeid zijn, maar veelal slechts tot één bundel, terwijl in sommige gevallen één enkele meeldraad aan die vergroeijing geen deel nam, zoodat ze eigenlijk beter in de 16e dan in de 17e klasse zouden geplaatst zijn. Standvastiger komt het karakter voor bij die planten, welke tot de familie der Fumariaceën behooren, en waarvan de op pl. 16 afgebeelde Diclytra een fraai voorbeeld geeft.

Eindelijk had deze reeks nog met Drie-, Vier- en Vijfbroederige vervolgd moeten geworden zijn, maar hier bleek te zeer de weinige standvastigheid van dit karakter, wijl dan planten, die kennelijk tot één en 't zelfde geslacht behooren, van elkander gescheiden moesten worden, alleen ter wille dezer klassificatie. Dit laatste is b.v. het geval met dat der Hypericums, hetwelk soorten bevat in welker bloemen de meeldraden tot drie, andere waar ze tot vier, vijf, ja somtijds tot nog meer bundels vereenigd zijn, reden waarom het wenschelijker was om nevens de klasse der Tweebroederige, zonder naderen overgang, die der Veelbroederige te plaatsen.

De bloemen der Hypericums behooren tot die waarvan men de verschillende deelen zeer gemakkelijk herkennen kan. De kelk is vijfbladerig, of, wanneer de blaadjes met hun voet