Flora (Witte 1868)/16

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
15 Flora: Afbeeldingen en beschrijvingen van boomen, heesters, éénjarige planten, enz., voorkomende in de Nederlandsche tuinen door Heinrich Witte

16. Diclytra spectabilis

17


[ Pl 16 ]
 

Pl. 16: DICLYTRA SPECTABILIS dec.

 
[ 61 ]
 

DICLYTRA SPECTABILIS Dec.

Nat. familie:

FUMARIACEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

DIADELPHIA HEXANDRIA (Tweebroederige-Zesmannige)[1].

 

 

Als had het gisteren plaats gehad, zóó levendig staat mijne eerste kennismaking met deze plant mij nog voor den geest. En toch is dat nu wel reeds omstreeks twintig jaar geleden, want 't was op eene der eerste bloemententoonstellingen die te Rotterdam gehouden zijn. De plant, die ik dáár toen leerde kennen, hoewel in een pot gekweekt, zooals men, toen zij pas bekend was geworden, algemeen deed, maakte, door hare bloeirijkheid, hare bevalligheid en de uitnemende fraaiheid tevens der afzonderlijke bloemen, zulk een diepen indruk op mij, dat ik de geheele plant nog, zooals ze daar was, mij voor den geest roepen en de plaats aan wijzen kan waar ze stond.—


Linnæus reeds heeft haar beschreven onder den naam van Fumaria spectabilis, en hoezeer de sierlijke bloemen ook reeds de bewondering van dezen natuurkundige gaande maakten, blijkt uit de woorden: Planta eximia floribus speciosissimis, maximis[2] die hij in zijne Species plantarum op de wetenschappelijke beschrijving laat volgen.

Inderdaad ken ik geene andere onder de vaste of overblijvende kruidachtige vollegrondsplanten, die met meer bevalligheid hare sierlijke, bloemen draagt, die meer regt op onze bewondering heeft.

Het geslacht Diclytra is verwant aan dat waartoe onze gewone Duivenkervel (Fumaria [ 62 ] officinalis) behoort, die men vooral in zadige streken, b.v. langs bouwlanden, zeer menigvuldig aantreft, en welker bloemen, hoewel op eenigen afstand niet in 't oogloopend, van nabij gezien toch werkelijk fraai zijn, al halen ze 't dan ook op verre na niet bij deze.

Wanneer men die bloempjes der Fumaria ziet, dan valt het in het oog dat ze van onderen een staartvormig aanhangsel bezitten, zooals dat ook met vele andere bloemen het geval is, b.v. met die der Oost-Indische Kers (Trapaeolum majus). Zulk een aanhangsel treft men in meerdere bloemen aan, en 't is gewoonlijk eene zakvormige uitbreiding van een der bloem- af kelkbladeren, of van de bloemkroon of den kelk als al die blaadjes tot één geheel zijn zamengegroeid. Daar die zakjes veelal, wat hun vorm betreft, met een hanespoor overeenkomen, is men ook in de kruidkunde gewoon dat deel der bloem een spoor te noemen.

Ter loops voeg ik hier nog bij dat die sporen steeds honig afscheidende organen, en dus niet anders dan eigenaardige vormen van de zoogenaamde nectarieën of honigbakjes zijn, welke zich onder velerlei vormen voordoen.

Treft men aan de bloem der Duivenkervel altijd ééne spoor aan, die van de plant waarmede wij ons thans bezig houden, vertoont er twee, die echter zoo kort zijn, dat ze maar nauwelijks den naam van sporen verdienen, en zich als twee zakjes ter weerszijde van het bloemsteeltje voordoen.

Die twee sporen, voor dat geslacht zeer karakteristiek, brengen mij van zelf tot de etymologie van den naam dien het draagt en omtrent de spelling waarvan men 't alweer verre is van eens te zijn.

Ziehier kortelijk eenige bijzonderheden welke daarop betrekking hebben.

Ik zeide zooeven dat reeds Linnæus deze plant gekend en beschreven heeft. Hij rekende haar te behooren tot het geslacht der Duivenkervel of Fumaria, en, wat de algemeene karakters der bloem betreft, komt ze daarmede ook goed overeen. De latere wetenschap stelde echter strengere eischen van de geslachtsbepaling, en zoo levert deze plant dan ook inderdaad verschil genoeg met de zooeven genoemde op, om haar als tot een afzonderlijk geslacht behoorende te beschouwen.

Dit gaf dan ook reeds in 1797 aan Borkhausen in Darmstadt aanleiding om die soorten van Fumaria's, die zich door zulk een dubbele spoor kenmerken, als tot één geslacht behoorende te beschrijven en dat geslacht noemde hij Diclytra.

Nu vindt men door den één het woord aldus, door een ander Dicentra en weêr door een ander Diëlytra geschreven, en dat niet alleen door kweekers, maar ook door kruidkundigen.

Prof. K. Koch geeft hiervan de volgende verklaring: Met den naam Diclytra kan Borkhausen alleen gedoeld hebben op de twee sporen onder aan de bloem, in de veronderstelling namelijk dat Klytron het grieksche woord voor eene spoor was, alzoo zou Diclytra zooveel beteekenen als „twee-spoorbloem".

Niet Klytron maar Kentron echter beteekent in het Grieksch eene spoor, zoodat latere kruidkundigen, deze vergissing bemerkende, den naam meenden te moeten verbeteren, door, de beteekenis behoudende, Dicentra te schrijven. Anderen weder beweren dat men zich in de be[ 63 ] teekenis vergist, welke Borkhausen aan dien naam hechtte, en dat hij veeleer er mede doelde op de twee kleine kelkschubjes, of op de twee buitenste bloembladeren, en men bijgevolg Diëlytra schrijven moet.

Ik voor mij laat ieder gaarne in zijne keuze in dit opzigt vrij, maar houd mij hier aan de meest algemeene schrijfwijze, die tevens het voordeel heeft van, ze moge dan al of niet op eene vergissing berusten, de oorspronkelijke te zijn.—

Ieder, die niet een weinigje kennis heeft van de eigenaardige karakters der bloemdeelen van deze plantenfamilie, zal, die bloemen ziende, en ze vergelijkende met de meeste andere, misschien moeite hebben om er de gewone organen in terug te vinden. En toch is dat inderdaad zoo moeijelijk niet, als men maar weet hoe men zoeken moet.

Zijn deze bloemen reeds zeer fraai op het eerste gezigt, hare zamenstelling is inderdaad bewonderenswaardig.

Men treft hier wel iets aan wat den kelk vertegenwoordigt, maar 't zijn slechts twee zeer kleine schubjes, die onder de buitenste groote, ronde bloembladeren weggedoken zijn. De bloemkrans bestaat uit vier blaadjes. Men herkent er maar twee, 't is waar, maar dat komt wijl ze tweeërlei vorm hebben. De beide buitenste namelijk zijn groot, fraai karmozijnrood van kleur, ze loopen elk nabij het steeltje in een zakje of spoor uit en hebben aan den top een teruggeslagen slip.

Wanneer men nu deze beide ronde bloembladeren van elkaar verwijdert en ze voorzigtig van 't steeltje afplukt, dan volgen, in afwisselende orde met deze, twee veel kleinere, witte bloemblaadjes, welke met hun top tegen elkander aanliggen. Maakt men ze nu daar los, wat zeer gemakkelijk gaat, en verwijdert men ook deze, dan houdt men de meeldraden en den stamper over. Ook de meeldraadjes zijn, hoewel de onderste draadvormige gedeelten ervan, de helmdraadjes, zich aan hunne basis sterk van elkaar verwijderden, met hun topgedeelte, de helmknopjes, zeer los vereenigd, en zaten, tevens met het topgedeelte van den stamper, de stempel, tusschen de topgedeelten der beide binnenste bloemblaadjes verborgen.

Daar de beide binnenste witte bloemblaadjes langer zijn dan de buitenste roode, steken ze, tegen elkander aanliggend, als een wit tongetje daaruit naar buiten; dit tongetje is aan het boveneinde gezwollen; 't is de plaats waar de helmknopjes en de stempel verscholen zitten.

Wanneer men weet met welke bloemdeelen men hier te doen heeft, en hoe ze zich tot elkaar verhouden, dan zal men, ééns zulk een bloem uiteen geplukt hebbende, het zonder twijfel vaak herhalen, en ook datgene aan anderen willen toonen, wat men zelf niet genoeg bewonderen kan.

Niet alleen eene uitnemend fraaije plant is de Diclytra spectabilis, maar ze toont zich tevens uiterst gewillig om zich in alle opzigten naar onze wenschen of onze middelen te schikken. Volkomen bestand tegen onze strengste winters, komt ze reeds vroeg in 't voorjaar krachtig uit den grond te voorschijn, om in Junij en Julij haar meesten luister ten toon te spreiden. Maar ook in eene pot gekweekt ontwikkelt zij zich goed, al is 't dan ook niet zoo krachtig; terwijl deze plant zich uitnemend goed laat forceeren, zoodat men zich, zelfs reeds in den winter, in't genot harer fraaije, zij 't dan ook wat bleekere, bloemen kan verheugen.

[ 64 ] Daar de stengels niet hooger worden dan ongeveer een halve meter, is deze plant uitnemend goed voor kleine massiefs, in welk geval de talrijke, bevallig overhangende bloemtrossen, zoowel op eenigen afstand als nabij, een allerbevalligst effect maken, waartoe de sierlijk verdeelde, lichtgroene bladeren niet weinig bijdragen.

Zaden geeft deze plant zeer schaars; de vermenigvuldiging gaat echter uiterst gemakkelijk en spoedig, door scheuring in 't voorjaar.

De Diclytra spectabilis behoort oorspronkelijk in het Noordelijkst gedeelte van China en het Zuidelijke deel van Siberië thuis, en werd in 1844 of 1845 door Rob. Fortune naar Engeland gezonden, vanwaar ze zich zeer spoedig door geheel Europa verspreidde, en overal een goed onthaal vond. Zelfs tegenwoordig is deze prachtvolle plant nog zoozeer in trek, dat ze in 't voorjaar bij duizenden verzonden wordt, waarvan zeker een zeer groot deel bestemd zijn om vervroegd in bloei gebragt te worden, ten einde bloemtafels als anderzins tot sieraad te strekken.

Eenige jaren geleden kwam ook eene verscheidenheid met witte bloemen van deze Diclytra in den handel. Deze, die nog niet zeer algemeen is, groeit niet zoo vlug en schijnt veel gevoeliger. 't Laat zich echter niet denken dat de witbloemige ooit zóózeer gunstelinge van 't algemeen zal worden, als de oorspronkelijke soort, daar de bloemen uit den aard der zaak, hoe fraai ze ook zijn mogen, het in dit opzigt toch tegen deze verliezen moeten.

 

 
  1. Zie de noot onder blz. 41.—De Orde der Zesmannige bevat al die Tweebroederige, in welker bloemen zes meeldraden gevonden worden.
  2. "Eene uitstekend fraaije plant, met zeer schoone, groote bloemen"