Flora (Witte 1868)/15

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
14 Flora: Afbeeldingen en beschrijvingen van boomen, heesters, éénjarige planten, enz., voorkomende in de Nederlandsche tuinen van Heinrich Witte

15. Magnolia lennéï

16


[ Pl 15 ]
 

Pl. 15: MAGNOLIA LENNÉI hybr.

 
[ 57 ]
 

MAGNOLIA LENNÉÏ Hybr. hort.

Nat. Familie:

MAGNOLIACEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

POLYANDRIA POLYGYNIA (Veelmannige-Veelwijvige)[1].

 

 

De Magnoliaceën vormen eene uit slechts een tiental geslachten zamengestelde natuurlijke familie, en onder de soorten, uit welke deze geslachten bestaan, is er misschien geene enkele, die niet in een of ander opzigt opmerkenswaardig is. De meeste kenmerken zich door sierlijk gebladerte of door prachtige of zeer welriekende bloemen of zaden, en onder die, welke door hare schoonheid bijzonder uitmunten, bekleedt ontegenzeggelijk het geslacht Magnolia de eerste plaats.

Dit geslacht, aldus door Linnæus genoemd ter eere van Pierre Magnol, die, in 1638 te Montpellier geboren, later aldaar het hoogleraarsambt in de kruidkunde bekleedde en er in 1715 stierf, mag vrijelijk onder de uitgelezenste van het plantenrijk gerekend worden, en bevat een aantal soorten, die eene eereplaats in onze tuinen overwaardig zijn.

Deels in de meer Zuidelijke Staten van Noord-Amerika, deels in Oostelijk Azië te huis behoorende, zijn wel is waar de meeste, maar toch niet álle voor ons klimaat geschikt, en kunnen enkele er van, die zich voornamelijk van de overige, die alle afvallende bladeren hebben, daardoor onderscheiden, dat ze hare lederachtige bladeren zoowel 's winters als 's zomers behouden, alleen als zoogenaamde koudekas-planten in aanmerking komen. Onder deze staat zonder eenigen twijfel de prachtige grootbloemige M. (Magnolia grandiflora Linn.) aan de spits, terwijl zich mede de struikachtige M. fuscata Andr., door hare wel is waar slechts kleine, bruine, doch liefelijk geurende bloemen onderscheidt.

[ 58 ] 't Is intusschen niet met deze dat wij thans te doen hebben, maar alleen met die, welke zich willig schikken naar ons klimaat, terwijl van deze laatste de prachtige Magnolia Lennéï ons thans meer bepaaldelijk zal bezig houden.

Ik moet beginnen met te zeggen dat deze plant op geene enkele plek van de geheele aarde in oorspronkelijken toestand, en dus wild groeijend wordt aangetroffen, en dat dus in dit opzigt Europa zelfs rijker is dan een der beide werelddeelen die als de bakermat van dit geslacht te beschouwen zijn. Het is namelijk eene zoogenoemde tuin-hybride.

Wanneer we de geschiedenis van haar ontstaan willen leeren kennen, dan is 't noodig vooraf met een paar andere soorten kennis te maken.

Eene der fraaiste van alle is zonder twijfel M. Yulan Desf. Deze, die reeds in 1789 uit China, haar vaderland, in Engeland ingevoerd werd, is over 't algemeen zeer gezocht en komt misschien wel 't meest van alle in de tuinen voor. Naar men wil zou deze soort in China tot boomen van 40 à 50 voet opgroeijen, en daar in de tuinen der aanzienlijken veelvuldig aangeplant worden. Bij ons neemt hij echter veeleer het karakter van een heesterachtigen boom aan. De groote witte bloemen ontluiken reeds vroeg in 't voorjaar, vóórdat de bladeren verschijnen, zoodat hij werkelijk een der prachtigste voorjaarsheesters is die wij bezitten, te meer nog wijl de bloei vrij lang duurt, en bovendien alles wat dán bloeit, en vooral zoo prachtig bloeit, dubbele waarde voor ons heeft.

Eene andere soort, die 't, wat de grootte der bloemen betreft, tegen deze verliest, is M. obovata Thbg., ook wel onder den naam M. purpurea bekend. Een heester die geen grooten omvang verkrijgt en welker bloemen van buiten purperrood en van binnen wit zijn. Deze hebben een aangenamen geur en ontluiken op de toppen der takken, iets later dan de bladontplooijing plaats had, dus ook in 't voorjaar. Ook deze is van Chineeschen oorsprong en werd in 1790 naar Engeland overgebragt.

Deze beide soorten nu stonden eens te gelijkertijd in bloei in den tuin van zekeren Italiaan, wiens naam mij niet bekend is. De koesterende zon, welker stralen niet door de digte wolken van een Noorderhemel door mist of nevel onderschept werden, had de bloemen in hare volle schoonheid doen ontluiken; die planten vierden een hoogtijfeest, schooner, liefelijker en weelderiger dan een harer zusters in deze streken immer mogt of zal beleven.

En de bijën zagen die bloemen, waarvan die van de ééne door haar blinkend wit, die van de andere door haar schitterend rood feestkleed haar reeds uit de verte tot zich lokten; ze vlogen er driftig op aan, ze vlogen er in en uit om den nectar uit die groote kelken te drinken. Maar ze vergenoegden zich niet met de bloemen van de ééne te exploiteeren; ze vlogen van de witte op de roode of omgekeerd, en bragten onbewust het stuifmeel uit de bloemen der ééne soort over in die der andere.

De bloemen vielen af; de vruchten groeiden door, en kwamen zonder tegenspoed—wat bij ons alles behalve regel is—tot rijpheid. En toen de zaden door den kweeker verzameld waren, wist hij niet beter of hij had even zoovele korrels die dezelfde soort weder reproduceeren zouden.

[ 59 ] Maar, in plaats van dezelfde, kwamen uit die zaden boompjes voort met bladeren, ongeveer gelijk aan de witbloemige, doch welker bloemen van beide soorten aanzienlijk afweken, maar toch zeer duidelijk het karakter van beide bezaten. Ze hadden namelijk de grootte en den vorm der witbloemige, maar daarentegen de kleur der purperbloemige.

Die ondeugende bijen hadden het gedaan; de kweeker niet, die nog al dacht zeker van zijne zaak te zijn. Omtrent het feit bestond geen twijfel, en die kon evenmin bestaan omtrent de oorzaak er van. En de kweeker, hij mag vreemd opgezien hebben toen hij die groote roode bloemen hare prachtige bloemkroonen zag ontplooijen, zijne teleurstelling zal gewis wel te dragen geweest zijn, want inderdaad, al had hij 't er ook jaren achtereen op toegelegd, schooner aanwinst kon hij onmogelijk verlangen.

Dit bleek dan ook later, toen hij dezen boom of heester aan den heer Topf te Erfurt, naar men zegt voor eene zeer aanzienlijke som, verkocht.

Deze vermenigvuldigde de plant zoo spoedig mogelijk, en doopte de nieuwe hybride met den naam M. Lennéï, ter eere van Peter Joseph Lenné (niet te verwisselen met Linné), die, om zijne bijzondere verdiensten, in 1853 door den koning van Pruissen tot General-Director der Koninklijke tuinen benoemd werd, en eerst voor weinige jaren overleed. Die hulde was inderdaad wèl verdiend, daar Lenné 't was, aan wien de "Landschafftsgärtnerei" voornamelijk haren bloei in Duitschland te danken heeft. Wat zich anders in den regel de kweeker, vooral tegenwoordig, tot taak stelt, dat had hier de Natuur gedaan, door niets anders dan eenige bijen daarbij geholpen. En het buitendien reeds zoo schoone geslacht der Magnolia's was met een nieuw lid vermeerderd, 't welk er zeker niet weinig toe zou bijdragen om het zijn roem te doen behouden, ja nog aanzienlijk te doen toenemen.

Ook in de tijd der ontwikkeling van de bloemen houdt deze hybride het midden tusschen de beide ouders, immers, ontluiken die der M. Yulan aan de nog kale en die der M. obovata iets later[2] aan de bebladerde takken, hier hebben de bladeren ongeveer een derde hunner grootte bereikt als de bloemen geopend zijn.

Beziet men de bloem van buiten, dan heeft ze wel eenigzins het voorkomen eener kolossale tulp, met dit verschil evenwel, dat hier een drietal aan de basis groen en naar den top rood gekleurde kelkbladeren voorhanden zijn, die echter spoedig afvallen. De bloemkroon bestaat uit zes komvormig uitgeholde bloembladeren, die in twee seriën geplaatst zijn, drie naar buiten en, met deze afwisselend, drie naar binnen. Een groot aantal niet zeer lange meeldraden vindt men daarbinnen gezeten, en in het midden daarvan een kegelvormig ligchaam. Dit laatste is een pyramidale voet of bloembodem, waaromheen een aantal stampers zeer digt opeengedrongen zitten. Wanneer de bloem verwelkt is, laat elk van die stampers een vruchtje achter; deze vruchtjes zwellen weldra op, dringen dus nog vaster tegen elkaar, terwijl het geheel in grootte toeneemt en ten laatsten in vorm veel overeenkomst verkrijgt met een dennekegel, of liever met [ 60 ] met dien van eene Spar. Is het geheel tot rijpheid gekomen, dan bersten die vruchtjes open, en uit elk daarvan komt één groote, bruine zaadkorrel te voorschijn, die echter aan een draad, de navelstreng genoemd, blijven hangen.

De Magnolia's, hoe prachtig ze ook zijn, en hoevele soorten en verscheidenheden, welker aantal meer dan twintig bedraagt, er van in den handel voorkomen, treft men toch verre van zoo algemeen in de tuinen van partikulieren aan, als men zou mogen veronderstellen. Dit mag ten deele gezocht worden in de vrees, dat zij aan onze winters geen weerstand bieden kunnen, welke vrees echter ten eenemale ongegrond is.

Men zij echter voorzigtig met het verplanten. De ondervinding toch heeft geleerd, dat deze boomen of heesters de verplanting dan het best verdragen, wanneer ze in het voorjaar in ontwikkeling, wanneer dus de vroegbloeijende soorten reeds met bloemen beladen zijn. De reden hiervan zal wel deze zijn, dat de grond zoowel als de lucht vóór dien tijd nog te koud zijn en de wortels dan te lang in stilstand blijven verkeeren en daardoor sterven, waarvoor later geen vrees meer bestaat. Voorts mogen bij het verplanten de wortels niet van de aarde ontdaan worden, maar moet de kluit zorgvuldig, door middel van eene mat of stroo, bijeengehouden worden, welk omwindsel men er niet van verwijdert, maar de kluit met de mat of het stroo in den grond plaatst.

De Magnolia's beminnen een lossen, voedzamen, maar vooral niet te droogen grond, waarom bij het planten ook niet vergeten moet worden den grond om den stam goed te begieten, 't welk men volhoudt tot de groei zigtbaar geregeld is. Daar de bladeren groot en teêr zijn, en, even als ook de bloemen, ligt door den wind beschadigd worden, plaatse men ze op eene min of meer beschutte standplaats, maar toch steeds zoodanig, dat men er in 't voorjaar een vrij gezigt op heeft.

De vermenigvuldiging heeft gewoonlijk door het afleggen der takken plaats; ook door zaden, die echter hier te lande veelal niet goed tot rijpheid komen, kan men ze zeer goed aankweeken, mits men die niet te lang droog laat liggen, maar ze spoedig na de inzameling in den grond legt. Dit gaat echter veel langzamer, daar het niet zelden een jaar, of langer zelfs, duurt eer deze uit den grond te voorschijn komen.

 

 
  1. Zie de Noot onder bladz. 25.
  2. Het schijnt aan een toevallig zamentreffen van een iets vroeger bloeijen van een exemplaar der M. purpurea en eene late bloei der M. Yulan te danken te zijn, dat deze kruising heeft kunnen plaats hebben.