Flora (Witte 1868)/14

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
13 Flora: Afbeeldingen en beschrijvingen van boomen, heesters, éénjarige planten, enz., voorkomende in de Nederlandsche tuinen van Heinrich Witte

14. Prunus japonica

15


[ Pl 14 ]
 

Pl. 14: AMYGDALUS NANA linn. flore plena.

 
[ 53 ]
 

PRUNUS JAPONICA Thunb. FLORE PLENO.

Nat. Familie:

AMYGDALEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

ICOSANDRIA MONOGYNIA (Twintigmannige-Éénwijvige)[1].

 

 

Het lieve heestertje, van welks ongemeen rijken voorjaars-bloei de nevensstaande plaat slechts een flaauw denkbeeld geven kan, te meer daar de teekenaar in dit geval in zóóverre van de natuur meende te mogen afwijken, dat hij, ter wille der duidelijkheid, eenige bloemen wegliet, is inderdaad een der fraaiste sieraden, welke men in eenen, zelf den allerkleinsten tuin, wenschen kan, en behoort tot het geslacht der Pruimen 't welk aan de Amandelen en de Perziken zeer na verwant is.

Op het eerste gezigt zou men het werkelijk dan ook veeleer voor eene dwergachtige Amandel- dan voor eene Pruim-soort groeten, waarom het ons niet zoozeer verwonderen kan, dat men, alvorens met de vruchtjes ervan bekend te zijn, het ook dáárvoor hield. Eén blik echter op de fraaije plaat, door von Siebold en Zuccarini in hun prachtwerk, Flora Japonica (tab. 90), gegeven, waar een tak met enkele bloemen en een andere met vruchten, benevens een ongekleurde tak der dubbelbloemige is afgebeeld, geeft de overtuiging van het tegendeel.

Hier zou weder eene gereede aanleiding zijn om in bijzonderheden te treden betreffende de synonimie, wat ik echter geloof beter te doen in dit geval achterwege te laten, te meer daar ik liever eenige bijzonderheden wensch mede te deelen betreffende de bloemen en vruchten der familie waartoe dit heestertje behoort.

't Zij dus voldoende hier op te merken dat men dit heestertje nog tegenwoordig in sommige kweekerijen aantreft onder den naam Amygdalus nana; terwijl anderen het Prunus chinensis [ 54 ] en weder anderen het Cerasus japonica noemen. De namen Prunus japonica en Cerasus japonica trouwens kunnen als van gelijke waarde beschouwd worden, daar sommige kruidkundigen den Pruimeboom en den Kerseboom als soorten van één geslacht (Prunus) beschouwen, terwijl anderen de kersen en wat daar direct aan verwant is als een eigen geslacht meenen te moeten aannemen, 't welk men Cerasus heet. Vandaar dat de één van Prunus japonica spreekt, waar de ander Cerasus japonica schrijft, 't Is hier dus weêr even als met de appelen en peren; de lezer doe wat hem 't liefste is in dit geval.

De familie der Amygdaleën, waarvan de Amandelboom (Amygdalus communis) de type is, bestaat slechts uit een drietal geslachten, waarvan alleen Amygdalus en Prunus gerekend worden bij ons bekend, maar dan ook tevens zeer algemeen bekend te zijn, en dat wel inzonderheid als vruchtboomen.

Maar ook, al bevatten deze beide geslachten geene enkele soort, die eetbare vruchten voortbragt, dan nóg zouden ze in aanmerking verdienen te komen om hare fraaije bloemen, en om hare bloemrijkheid tevens.

Het is nu echter eenmaal de gewoonte dat men aan den bloei van boomen of andere planten, die zich door de vruchten jegens ons verdienstelijk maken, geene andere waarde hecht, dan dat deze de voorbode is van een lateren oogst, en men een bloeijenden Appel-, Kerse-, Perzikeboom, enz., mooi vindt, alleen omdat hij een mooi vooruitzigt geeft tegen het najaar.—

Behalve die, welke in de serie der vruchtboomen vallen, komen er echter onder de Amygdaleën ook niet weinige voor, die alléén door hare bloemen waarde voor ons hebben, en daaronder zijn er die werkelijk uitstekend fraai zijn.

Dit is zoowel met sommige Amandel- of Perzik- (Amygdalus)- als met enkele Pruim of Kers- (Prunus)- soorten het geval, en onder deze bekleedt de dubbelbloemige Prunus japonica zeker niet de minste plaats.

Wanneer men een bloeijenden Appelboom en een Pruime- of Kerseboom met elkander vergelijkt, dan trekt het de opmerkzaamheid, hoezeer die op elkaar gelijken, terwijl alleen de kleur der bloemen veelal genoegzaam verschilt om ze op eenigen afstand te herkennen.

Maar ook wanneer men de afzonderlijke bloemen dezer boomen van zeer nabij beziet, valt die overeenkomst in 't oog, zoo zelfs, dat het velen welligt moeijelijk vallen zou te zeggen, waarin ze wezenlijk van elkaar verschillen, daar men toch als vanzelf gevoelt dat noch de witte, rosé of hoog roode kleur der bloemblaadjes, noch dezer grootte op deugdelijk verschil wijzen, immers loopt de grootte, zoowel als de kleur bij de verschillende soorten van Appelen en Peren, als bij de Pruimen en Perziken nog al uiteen.

En toch is hier een karakter te vinden, en zeer gemakkelijk te vinden zelfs, waardoor ze zich zeer kennelijk van elkander onderscheiden; en dat karakter zal gewis wel deugdelijk zijn, daar dat het juist is, 't welk oorzaak is van het in 't oogloopend verschil der vruchten; immers, hoe ligt de leek ook eene appel- of perebloem met die van een pruime- of perzike- of kerseboom zou kunnen verwisselen, in de vruchten zal zelfs een klein kind zich met geene mogelijkheid vergissen.

Beide, de bloemen van den Appel- en van den Kerseboom, hebben, benevens een vijf[ 55 ] slippigen of vijfbladigen kelk, die wel eenig uiterlijk verschil opleveren, maar 't welk toch niet zeer in 't oogloopend is, vijf bloemblaadjes, en binnen die bloemblaadjes een aantal meeldraadjes; alles zoodanig gerangschikt, dat de bloemen op elkaâr gelijken als de ééne roos op de andere.

Maar, terwijl bij de appelbloem het vruchtbeginsel door het benedenste gedeelte van den kelk vast omsloten wordt, zoodat deze, en dus ook de daartusschenliggende bloemblaadjes en meeldraden er gedeeltelijk mede zamengroeijen, waaromtrent ik vroeger (blz. 31), van den Meidoorn sprekende, reeds eenige bijzonderheden mededeelde, staat in de bloem van den Kerse- of den Amandelboom het vruchtbeginsel binnen in de bloem geheel vrij en op zich zelf.

Heeft het dan ook in de appelbloem door die zamengroeijing van de onderste helft der buitenste bloemdeelen met het vruchtbeginsel den schijn, als stond dat in dit geval onder de bloem, waarom het ook in de kruidkunde onderstandig genoemd wordt, hier vinden we het, zooals we trouwens bij de meeste andere bloemen gewoon zijn, daarin. Deze bloemen geven ons de verschillende organen die eene bloem zamenstellen, een kelk, eene bloemkroon, meeldraden en een stamper, die van onderen in een gezwollen vruchtbeginsel uitloopt, dan ook zeer duidelijk te zien; alleen zijn hier de bloemblaadjes zoowel als de meeldraden niet op den bodem der bloem bevestigd, maar op de binnenzijde van den kelk.

De appel is als vrucht dan ook daarom, niet alleen in geur en smaak, maar ook. in ontwikkeling en in gedaante heel wat anders dan de perzik, abrikoos, pruim of kers, wijl het vleezige gedeelte van de eerste eigenlijk gevormd wordt door de later voortgegroeide bloemdeelen, die reeds tijdens den bloei om het vruchtbeginsel heen zaten, en daarmee zóó vast vereenigd waren, dat ze er één geheel mede vormden; terwijl, streng genomen, eigenlijk voornamelijk het klokhuis, als de vrucht, in botanischen zin, te beschouwen is.

Dat zulks bij de pruim en de daaraan verwante vruchten niet het geval is of zijn kan, laat zich nu gemakkelijk begrijpen, daar hier het vruchtbeginsel, waaruit weldra de vrucht ontstaat, met geen der bloemdeelen zamenhangt, en deze ook na den bloei afvallen, terwijl alleen het vruchtbeginsel doorgroeit.

Hieruit ontstaat dan eene ware vrucht, d.w.z. aan welker vorming geen andere deelen dan het oorspronkelijke vruchtbeginsel deelnamen.

De vraag rijst nu echter bij dezen of genen: waaraan het dan toch toe te schrijven is, dat deze vruchten zoo vleezig en saprijk zijn, terwijl zooveel andere een vliezig, houtig of in elk geval droog omhulsel hebben?

De oorzaak hiervan is kortelijk deze: Het omhulsel van iedere vrucht—iedere ware vrucht namelijk—wordt geacht uit drie over elkander liggende lagen te bestaan, die in enkele gevallen zeer duidelijk, in enkele andere echter moeijelijker kunnen onderscheiden worden; namelijk: eene binnenste laag, eene buitenste laag, en eene die daartusschenin besloten is.

Deze drie lagen ontwikkelen zich nu bij de vruchten waarvan hier sprake is op zeer karakteristieke wijze. De buitenste namelijk doet zich voor als een dun vlies, 't welk men er gewoonlijk [ 56 ] gemakkelijk van afnemen kan, de binnenste daarentegen wordt vrij dik en steenhard, terwijl de daartusschenliggende laag, het vruchtvleesch, sterk ontwikkeld en zeer saprijk is. Deze drie lagen: het dunne schilletje, het vruchtvleesch en de steen maken dus met elkander de vrucht uit, waarbinnen het zaad besloten is.

De Amandelboom toont reeds een blijkbaren overgang naar de drooge vruchten, daar hier het vleesch niet sappig is en het buitenvlies daarvan niet loslaat.

Gewoonlijk treft men in den steen van de verschillende hier genoemde vruchten slechts één zaadkorrel, de pit, aan; in het vruchtbeginsel bevinden zich tijdens den bloei echter twee eitjes. Eén daarvan komt echter in den regel slechts tot ontwikkeling, hoewel men er in de amandelen ook wel eens twee vindt die goed ontwikkeld zijn. Die hebben dan steeds eene platte zijde, het gevolg van de drukking die ze in den steen op elkaâr uitoefenden.—

Hoewel de naam Prunus japonica tot het vermoeden leiden zou dat dit heestertje van Japanschen oorsprong is, zou men zich hierin toch vergissen, eene vergissing waartoe reeds Thunberg, die de plant in 1784 in zijne Flora Japonica onder dien naam beschreef, aanleiding gaf. De heester komt, volgens Von Siebold, in Japan zeer veel in gekweekten toestand voor, wat Thunberg tot de meening kan gebragt hebben dat hij daar inheemsch was. Hij is echter, naar de stellige verzekering van eerstgenoemden Schrijver, van China afkomstig, en moet reeds voor lang vandaar naar Japan overgebragt zijn, alwaar inzonderheid de dubbelbloemige, natuurlijk om de fraaije bloemen, zeer gezocht is.

Nevens deze bezitten we ook eene dubbelbloemige witte, Prunus japonica flore albo-pleno, die niet minder aanbevelenswaardig is.

Deze heestertjes, die zeer weinig ruimte innemen, geve men een goeden grond en eene niet te natte standplaats. Ze verduren onze winters zeer goed, en vereischen alzoo geenerlei bedekking. Men zorge er echter voor dat ze niet in het vroege voorjaar ingesneden worden, wijl dan een deel der bloemen verloren gaat. Doet men dat echter iets later, namelijk onmiddellijk ná den bloei, dan schaadt het daaraan in geenen deele.

De vermenigvuldiging geschiedt zeer goed door stekken. Jonge planten kan men ook een paar jaren in potten houden, en den bloei daarvan dan gemakkelijk vervroegen; ze maken dan in eene bloemmand een allerliefst effect.

Ook kan men ze veredelen op stammetjes van p.m. een meter hoogte, wanneer men er sierlijke kroonboompjes van verkrijgt. De natuurlijke, heesterachtige groeiwijze blijft echter zonder eenigen twijfel altijd de fraaiste.

 

 
  1. Zie de Noot onder bladz. 29.—De orde der Eénwijvige bevat al die planten uit deze Klasse, in welker bloemen slechts één stamper aanwezig is.