Staatsregeling van Aruba/Zesde hoofdstuk

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Staatsregeling van Aruba/Vijfde hoofdstuk Staatsregeling van Aruba/Zesde hoofdstuk Staatsregeling van Aruba/Zevende hoofdstuk >



Hoofdstuk VI: Het rechtswezen en de rechterlijke macht[bewerken]

Artikel VI.1
Er wordt in Aruba recht gesproken in naam des Konings.

Artikel VI.2

1. De rechterlijke macht wordt alleen uitgeoefend door de rechter die lid zijn van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
2. Elke tussenkomst in rechtszaken is verboden.

Artikel VI.3

1. Aan de rechterlijke macht behoort bij uitsluiting de kennisneming van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.
2. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.
3. Bij landsverordening kan de kennisneming van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, worden opgedragen aan de rechterlijke macht of aan bijzondere rechtscolleges, waarin leden van de rechterlijke macht mede zitting hebben.
4. Van geschillen over het kiesrecht en andere grondrechten, over de rechtstoestand van ambtenaren en over heffing en invordering van belastingen neemt de rechterlijke macht kennis, wanneer de kennisneming daarvan niet bij landsverordening aan een ander gerecht is opgedragen. Indien de wijze van berechting van deze geschillen door de rechterlijke macht niet bij landsverordening nader bepaald is, worden de voor de berechting van geschillen van burgerrechtelijke aard geldende regelen zoveel mogelijk toegepast.

Artikel VI.4
De rechter treedt, behoudens het bepaalde in artikel I.22, niet in de beoordeling van de verenigbaarheid van landsverordeningen met de Staatsregeling.

Artikel VI.5

1. De terechtzittingen vinden in het openbaar plaats, behoudens uitzonderingen te stellen bij landsverordening.
2. De vonnissen en beschikkingen bevatten de gronden waarop zij zijn gewezen of uitgevaardigd, en, in strafzaken, de aanwijzing van de artikelen der wettelijke regelingen waarop de veroordeling berust.
3. De uitspraak van de vonnissen geschiedt in het openbaar.

Artikel VI.6
Vonnissen en beschikkingen, door een rechter die de rechterlijke macht uitoefent, gewezen of uitgevaardigd in de Nederlandse Antillen kunnen in Aruba worden ten uitvoer gelegd, volgens bij landsverordening vastgestelde regels.

Artikel VI.7

1. Er is een Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.
2. Het Hof heeft zitting in Aruba.

Artikel VI.8

1. Aan het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is een griffie verbonden.
2. De griffier wordt benoemd en ontslagen door de Ministeriële Samenwerkingsraad op voordracht van de president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
3. De rechtspositie van de griffier wordt overigens bij landsverordening geregeld.

Artikel VI.9

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie oordeelt in hoger beroep over de vonnissen en beschikkingen van de gerechten in eerste aanleg en is belast met het toezicht op de geregelde afdoening van alle rechtsgedingen en de behoorlijke vervolging van strafbare feiten.
2. Het Hof treedt op als rechter in eerste aanleg in de gevallen, bij landsverordening bepaald.
3. Het Hof vervult voorts de taken, hem bij rijkswet, algemene maatregel van rijksbestuur of landsverordening opgedragen.

Artikel VI.10

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bestaat uit een president die tevens lid is, en overige leden; zo nodig worden plaatsvervangende leden in het hof benoemd.
2. De president en de overige leden van het Hof worden door de Koning voor het leven benoemd.
3. De plaatsvervangende leden van het Hof worden op een daartoestrekkende schriftelijke aanbevelingen van het Hof door de Koning benoemd. De benoeming kan voor bepaalde tijd geschieden, doch ten minste voor drie jaar.

Artikel VI.11

1. Wanneer een plaats van president of lid in het Gemeenschappelijk Hof van Justitie openvalt, zendt het Hof, het Openbaar Ministerie bij het Hof daaronder begrepen, een bij volstrekte meerderheid van stemmen opgemaakte aanbevelingslijst, bevattende de namen van drie kandidaten, aan de Ministeriële Samenwerkingsraad.
2. De Ministeriële Samenwerkingsraad stelt op zijn beurt een aanbevelingslijst op en doet deze toekomen aan de regering ten einde deze aan de Koning aan te bieden. Bij het opstellen van de aanbevelingslijst neemt de Ministeriële Samenwerkingsraad de aanbeveling van het Hof zoveel mogelijk in acht.
3. Indien de Ministeriele Samenwerkingsraad voornemens is af te wijken van de aanbeveling van het Hof, wint hij daaromtrent, alvorens die lijst aan de regering te zenden, het gevoelen van het Hof in. Het gevoelen van het Hof, alsmede de aanbeveling van het Hof worden bij de door de Ministeriele Samenwerkingsraad opgemaakte aanbevelingslijst gevoegd. De Ministeriële Samenwerkingsraad motiveert, waarom hij is afgeweken van de aanbeveling van het Hof.

Artikel VI.12
De rechtspositie van de president en de overige leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie wordt overigens bij landsverordening onder goedkeuring van de Koning geregeld.

Artikel VI.13

1. De plaatsvervangende leden van het Hof worden door de Koning ontslagen op de gronden, genoemd in artikel VI.15, eerste lid, onder 2 en 3. Het tweede en het derde lid van artikel VI.15 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Het plaatsvervangend lid van het Hof kan op zijn verzoek door de Koning ontslag worden verleend.

Artikel VI.14

1. De president en de overige leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, de procureur-generaal en de advocaten-generaal moeten bij de benoeming de volle ouderdom van dertig jaren hebben bereikt en aan een bij landsverordening aan te wijzen universiteit of hogeschool hebben verkregen hetzij de graad van doctor in de rechtsgeleerdheid, hetzij de hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze graad of deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen van een examen in de vakken, bij landsverordening te bepalen.
2. De in het voorgaande lid gestelde vereisten zijn niet van toepassing op degenen die in het bezit zijn van een getuigschrift als bedoeld in artikel 3 van de Advocatenverordening, en die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba plaatsvervangende leden zijn van het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen.

Artikel VI.15

1. De president en de overige leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie worden door de Koning ontslagen:
1° wanneer zij de leeftijd van vijfenzestig jaren hebben bereikt;
2° indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt zijn om hun functies te vervullen;
3° bij het verlies van het Nederlanderschap.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ontslag eervol verleend.
3. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder 2°, wordt voor de aanspraak op pensioen geen nader bewijs van de oorzaak der ongeschiktheid gevorderd.

Artikel VI.16

1. Wanneer de Ministeriële Samenwerkingsraad van oordeel is, dat een der redenen van ontslag, in het eerste lid, onder 2°, van het voorgaande artikel vermeld, aanwezig is, verzoekt hij aan de regering het ontslag van de betrokken ambtenaar aan de Koning voor te dragen. De regering voldoet aan dit verzoek.
2. De Ministeriële Samenwerkingsraad deelt aan de betrokken ambtenaar zijn voornemens om een dergelijk verzoek te doen onmiddellijk mede en stelt hem in de gelegenheid om een verweerschrift ter toezending aan de Koning bij hem in te dienen.
3. Alle op de zaak betrekking hebbende stukken worden door de Ministeriële Samenwerkingsraad te zamen met het verzoek aan de regering ter doorgeleiding aan de Koning toegezonden.
4. De Ministeriële Samenwerkingsraad is bevoegd de betrokken ambtenaar in afwachting van 's Konings beslissing te schorsen en in de waarneming van het ambt tijdelijk te voorzien.
5. De betrokken ambtenaar blijft gedurende de schorsing in het genot van zijn volle bezoldiging.
6. Hij kan op zijn verzoek in de gelegenheid worden gesteld om zich in Nederland te gaan verantwoorden; daartoe worden hem een verloftraktement en vrije overtocht toegekend.
7. De Koning beslist over het ontslag.

Artikel VI.17

1. De president en de overige leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie kunnen door de Hoge Raad der Nederlanden worden ontslagen:
1°. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld, dan wel bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd, die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
2°. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele zijn gesteld, in staat van faillissement zijn verklaard, surséance van betaling hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld;
3°. wegens handelen of nalaten, dat ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of aan het in haar te stellen vertrouwen;
4°. wanneer zij, na eerder wegens gelijke overtreding te zijn gewaarschuwd, de bepalingen overtreden, waarbij hun:
a. het uitoefenen van enig beroep wordt verboden;
b. een vast en voortdurend verblijf wordt aangewezen;
c. verboden wordt zich in enig onderhoud of gesprek in te laten met partijen of haar advocaten, procureurs of gemachtigden, of enige bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen;
d. de verplichting wordt opgelegd een geheim te bewaren.
2. De procureur-generaal zendt de op de zaak betrekking hebbende stukken ter vervolging aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden.
3. Hij geeft hiervan aan de betrokken ambtenaar onmiddellijk kennis en stelt hem in de gelegenheid om een verweerschrift bij de Hoge Raad in te dienen.
4. Wanneer de Ministeriële Samenwerkingsraad van oordeel is, dat een der redenen van ontslag, in het eerste lid genoemd, aanwezig is, is hij bevoegd de betrokken ambtenaar in afwachting van de beslissing van de Hoge Raad te schorsen en in de waarneming van diens ambt te voorzien.
5. De betrokken ambtenaar blijft gedurende de schorsing in het genot van zijn volle bezoldiging.
6. Het onderzoek door de Hoge Raad der Nederlanden geschiedt in raadkamer. De Hoge Raad kan hetzij op verzoek van de procureur-generaal bij de Hoge Raad of van de betrokken ambtenaar, hetzij ambtshalve getuigen horen. De Hoge Raad hoort de ambtenaar op diens verzoek.
7. De Hoge Raad der Nederlanden beslist bij met redenen omkleed arrest. De uitspraak geschiedt in het openbaar.
8. In het vonnis waarbij een rechterlijke ambtenaar, niet vallende onder de bepalingen van de voorgaande leden van dit artikel, wegens misdrijf veroordeeld wordt, wordt tevens zijn ontzetting uitgesproken.

Artikel VI.18

1. Elk lid der rechterlijke macht tegen wie hetzij rechtsingang, hetzij machtiging tot opneming in een huis van bewaring of geneeskundig gesticht voor krankzinningen is verleend, of op wie lijfsdwang is ten uitvoer gelegd, wordt daardoor in zijn bediening geschorst.
2. Schorsing in de bediening brengt geen schorsing mede in het genot der bezoldiging.

Artikel VI.l9

1. Als rechter in eerste aanleg treden op de leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
2. De rechters-plaatsvervanger in het eerste aanleg worden op een daartoe strekkend voorstel van het Hof door de Ministeriële Samenwerkingsraad benoemd en ontslagen.
3. Bij landsverordening wordt aan de rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg een toelage toegekend.

Artikel VI.20
De werkzaamheden als rechter in eerste aanleg worden door de president van het Hof onder de leden verdeeld.

Artikel VI.21

1. Het Openbaar Ministerie bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie wordt uitgeoefend door of namens de procureur-generaal.
2. De procureur-generaal wordt door de Koning, na overleg met de regering, benoemd en ontslagen.

Artikel VI.22

1. Wanneer de plaats van procureur-generaal openvalt, nodigt de regering het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, de procureursgeneraal van de Nederlandse Antillen en Aruba daaronder begrepen, uit een aanbeveling voor de benoeming te doen. Het Hof maakt bij volstrekte meerderheid van stemmen een aanbevelingslijst op, bevattende de namen van ten hoogste drie kandidaten.
2. De regering stelt op haar beurt een aanbevelingslijst op en zendt deze aan de Koning. Bij het opstellen van de aanbevelingslijst neemt de regering zoveel mogelijk de aanbevelingen van het Hof in acht.
3. Indien de regering voornemens is af te wijken van de aanbeveling van het Hof, wint zij daaromtrent, alvorens de lijst aan de Koning te zenden, het gevoelen van het Hof in. Het gevoelen van het Hof, alsmede de aanbeveling van het Hof worden bij de aan de Koning te zenden aanbevelingslijst gevoegd. De regering motiveert, waarom zij is afgeweken van de aanbeveling van het Hof.
4. Over het voornemen een advocaat-generaal te benoemen wint de regering vooraf het gevoelen in van de regering van het Koninkrijk.

Artikel VI.23
De procureur-generaal is bevoegd tot het instellen en intrekken van hoger beroep van strafzaken. Tot het instellen van hoger beroep van strafzaken is mede bevoegd de procureur-generaal van de Nederlandse Antillen volgens regels, bij de Samenwerkingsregeling van de Nederlandse Antillen en Aruba gesteld.

Artikel VI.24

1. De leden van het openbaar ministerie bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie worden ontslagen op de gronden, genoemd in artikel VI.15, eerste lid. Zij kunnen voorts worden ontslagen op de gronden, genoemd in artikel VI.17, eerste lid, onder 1°, 2° en 3°, en bij gebleken ongeschiktheid voor hun functie, anders dan uit hoofde van ziekte of gebreken.
2. De regering is bevoegd de procureur-generaal, de Raad van Advies gehoord, in afwachting van 's Konings beslissing te schorsen. De procureur-generaal geniet gedurende zijn schorsing zijn volle bezoldiging.

Artikel VI.25
De rechtspositie van de leden van het openbaar ministerie bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie wordt overigens bij landsverordening onder goedkeuring van de Koning geregeld.

Artikel VI.26

1. De procureur-generaal is het hoofd van het openbaar ministerie en is belast met de zorg voor de justitiële politie. Hij is bevoegd aan de ambtenaren die met de politie belast zijn, zodanige instructies te geven tot voorkoming, opsporing en nasporing van misdrijven of overtredingen, als hij in het belang ener goede justitie nodig oordeelt.
2. De procureur-generaal waakt voor de richtige uitoefening van de taak der politie. Hij is bevoegd te dien aanzien aan de Ministeriële Samenwerkingsraad en aan de regering de voorstellen te doen die hem dienstig voorkomen.
3. De waarneming van de procureur-generaal bij belet of ontstentenis wordt bij landsverordening geregeld.
4. In geval van belet of ontstentenis van de procureur-generaal voor langere duur wordt door of vanwege de Koning in de vervanging voorzien.

Artikel VI.27

1. Wanneer het aan het Gemeenschappelijk Hof van Justitie voorkomt, dat de vervolging van strafbare feiten in Aruba behoort ingesteld of voortgezet te worden, is de procureur-generaal verplicht om dan aan een bevel van het Hof om verslag te geven en de daartoe betrekkelijke stukken over te leggen te voldoen.
2. De procureur-generaal is, behoudens de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, verplicht om op bevel van het Hof te vervolgen of te doen vervolgen.
3. Onverminderd het bepaalde in de beide voorgaande leden, zijn de ambtenaren van het openbaar ministerie verplicht om de bevelen na te komen, die aan hen in hun ambtsbetrekking door of vanwege de regering gegeven worden.