Staatsregeling van Sint Maarten/Hoofdstuk 7

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk 6 Wetgeving en bestuur Hoofdstuk 7 Rechtspraak, openbaar ministerie en politie van Staatsregeling van Sint Maarten Hoofdstuk 8 Slotbepalingen


HOOFDSTUK 7 RECHTSPRAAK, OPENBAAR MINISTERIE EN POLITIE[bewerken]

§1. Rechtspraak[bewerken]

Artikel 108

1. Er is een Gerecht in eerste aanleg en een Hof van Justitie.

2. Bij onderlinge regeling met een of meer landen in het Koninkrijk kunnen de rechterlijke organisatie, de inrichting, de organisatie en het beheer van het openbaar ministerie, alsmede de samenwerking tussen de landen worden vastgesteld. Een onderlinge regeling als bedoeld in de eerste volzin wordt bij rijkswet als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk vastgesteld en neemt de bepalingen van de Staatsregeling in acht.

3. Elke tussenkomst in rechtszaken is verboden.

Artikel 109

1. De tot de rechterlijke macht behorende gerechten zijn:

a. het Gerecht in eerste aanleg;
b. het Hof van Justitie.

2. De rechtsmacht van de Hoge Raad der Nederlanden ten aanzien van rechtszaken in Sint Maarten wordt geregeld bij rijkswet.

Artikel 110

1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen:

a. de berechting van geschillen over burgerlijke zaken;
b. de berechting van strafbare feiten.

2. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van geschillen over bestuursrechtelijke zaken, tenzij bij landsverordening de kennisneming van bestuursrechtelijke zaken is opgedragen aan bijzondere rechtscolleges waarin mede een of meer leden van het Hof van Justitie zitting hebben.

Artikel 111

Geen rechter of rechterlijk ambtenaar in opleiding mag zich op enigerlei wijze inlaten met partijen, haar advocaten of gemachtigden, leden van het openbaar ministerie en verdachten over voor hem aanhangige zaken of zaken waarvan hij weet of vermoedt dat zij voor hem aanhangig zullen worden.

Artikel 112

1. De leden en plaatsvervangend leden van het Hof van Justitie worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

2. De leden en plaatsvervangend leden van het Hof van Justitie worden op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen.

3. In de gevallen bij of krachtens wettelijk voorschrift bepaald kunnen zij worden geschorst of ontslagen.

Artikel 113

1. De terechtzittingen zijn op straffe van nietigheid openbaar, tenzij bij landsverordening anders is bepaald.

2. Om gewichtige redenen kan het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk plaatsvinden met gesloten deuren. In het proces-verbaal van de zitting worden de redenen vermeld.

3. Op straffe van nietigheid worden uitspraken in het openbaar gedaan en bevatten zij de gronden waarop zij steunen.

4. Op straffe van nietigheid worden uitspraken gedaan door het bij landsverordening bepaalde aantal rechters.

5. Indien bij landsverordening is bepaald dat ook anderen dan rechters deelnemen aan meervoudige rechtspraak, zijn de beslissingen van de desbetreffende rechterlijke instantie nietig, indien deze beslissingen niet zijn genomen met het in die landsverordening bepaalde aantal personen, niet zijnde rechter.

Artikel 114

Gratie wordt verleend bij landsbesluit na ingewonnen bericht van de rechter door wie het vonnis is gewezen met inachtneming van bij of krachtens landsverordening te stellen voorschriften.

Artikel 115

De rechter is bevoegd te treden in de beoordeling van de verenigbaarheid met de Staatsregeling van vastgestelde wettelijke regelingen. Onder wettelijke regelingen zijn te verstaan overeenkomstig deze Staatsregeling vastgestelde landsverordeningen, besluiten houdende algemene maatregelen en ministeriële regelingen.

Artikel 116

1. Binnen drie maanden na vaststelling van een wettelijke regeling als bedoeld in artikel 115 of een vastgesteld besluit, kan de Ombudsman in het algemeen belang het Hof van Justitie verzoeken de verenigbaarheid van de vastgestelde wettelijke regeling of het vastgestelde besluit met de Staatsregeling te beoordelen.

2. Het Hof van Justitie kan een wettelijke regeling geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen of kan het besluit geheel of gedeeltelijk vernietigen. Het Hof kan daarbij bepalen dat de gevolgen van de geheel of gedeeltelijk buiten werking gestelde wettelijke regeling of het geheel of gedeeltelijk vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven.

3. Bij landsverordening worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de werkwijze van het Hof van Justitie.

§2. Openbaar ministerie[bewerken]

Artikel 117

1. Het openbaar ministerie bestaat uit:

a. het parket van de procureur-generaal;
b. het parket in eerste aanleg.

2. Aan het hoofd van het openbaar ministerie staat de procureur-generaal.

Artikel 118

1. De procureur-generaal staat aan het hoofd van het parket van de procureur-generaal.

2. Naast de procureur-generaal is een advocaat-generaal werkzaam bij het parket van de procureur-generaal. Om gewichtige redenen kunnen daarnaast een of meer andere leden van het openbaar ministerie werkzaam zijn bij het parket van de procureur-generaal.

3. Bij het parket van de procureur-generaal kunnen andere ambtenaren werkzaam zijn, die geen lid zijn van het openbaar ministerie.

Artikel 119

1. Aan het hoofd van het openbaar ministerie bij het Gerecht in eerste aanleg staat een hoofdofficier van justitie, die als hoofd van het parket in eerste aanleg wordt benoemd. De hoofdofficieren van justitie zijn in hun ambtsbetrekking ondergeschikt aan de procureur-generaal.

2. Bij het parket in eerste aanleg kunnen naast de hoofdofficier van justitie officieren van justitie, substituut-officieren van justitie, plaatsvervangende officieren van justitie en andere ambtenaren werkzaam zijn. De hoofdofficier van justitie, de officieren van justitie, substituut-officieren van justitie en plaatsvervangende officieren van justitie zijn in de uitoefening van hun functie allen op gelijke wijze lid van het openbaar ministerie.

3. De officieren van justitie, de substituut-officieren van justitie en de plaatsvervangende officieren van justitie zijn in hun ambtsbetrekking ondergeschikt aan het hoofd van het parket, waarbij zij zijn geplaatst. De hoofdofficier kan de bij zijn parket werkzame leden van het openbaar ministerie algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van hun taken en bevoegdheden.

4. Bij verhindering of afwezigheid van de hoofdofficier van justitie wordt zijn functie waargenomen door een ander lid van het desbetreffende parket.

Artikel 120

1. Het openbaar ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij landsverordening opgedragen taken.

2. Het openbaar ministerie is in het bijzonder belast met:

a. de handhaving van de wettelijke regelingen;
b. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
c. het doen uitvoeren van vonnissen en beschikkingen in strafzaken;
d. het toezicht op de naleving van de rechterlijke beslissingen in tuchtzaken.

3. De taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie worden, op de wijze bij landsverordening bepaald, uitgeoefend door de leden van het openbaar ministerie.

Artikel 121

1. Wanneer het aan het Hof voorkomt dat de vervolging van een strafbaar feit behoort te worden ingesteld of voortgezet, is de procureur-generaal verplicht te voldoen aan een bevel van het Hof om de gevraagde informatie te verstrekken.

2. De procureur-generaal is, behoudens de bepalingen van strafvordering, verplicht om op bevel van het Hof te vervolgen of te doen vervolgen.

Artikel 122

1. De procureur-generaal is belast met de zorg voor de justitiële politie. Hij is bevoegd aan de ambtenaren die met de politie belast zijn zodanige instructies te geven tot voorkoming, opsporing en nasporing van misdrijven of overtredingen als hij in het belang van een goede justitie nodig oordeelt.

2. De procureur-generaal waakt voor de richtige uitoefening van de taak van de politie. Hij is bevoegd aan de Minster van Justitie de voorstellen te doen die hem dienstig voorkomen.

3. De procureur-generaal ziet toe op een behoorlijke opsporing en vervolging van strafbare feiten.

Artikel 123

1. De Minister van Justitie kan de procureur-generaal algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

2. Een aanwijzing wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven.

3. De procureur-generaal kan een bijzondere aanwijzing binnen een week nadat zij is gegeven voorleggen aan het Hof van Justitie ter toetsing aan het recht. Het voorleggen van de aanwijzing aan het Hof schorst de aanwijzing.

4. Tegen de uitspraak van het Hof staat voor zowel de procureur-generaal als de Minister van Justitie binnen een week nadat het Hof uitspraak heeft gedaan beroep open op de Hoge Raad.

5. Indien het Hof dan wel de Hoge Raad van oordeel is dat de aanwijzing in strijd is met het recht, vervalt de aanwijzing.

Artikel 124

1. De procureur-generaal, de advocaat-generaal en de hoofdofficier van justitie worden benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit.

2. De overige leden van het openbaar ministerie werkzaam bij het parket in eerste aanleg worden benoemd, geschorst en ontslagen bij landsbesluit, op een daartoe strekkende aanbeveling van de procureur-generaal.

§3. Politie[bewerken]

Artikel 125

1. Er is een politiekorps.

2. Bij onderlinge regeling met een of meer landen in het Koninkrijk kunnen de inrichting, de organisatie, het gezag en het beheer van de politie en de samenwerking tussen de landen worden geregeld. Een onderlinge regeling als bedoeld in de eerste volzin wordt bij rijkswet als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk vastgesteld en neemt de bepalingen van de Staatsregeling in acht.

Artikel 126

1. Aan het hoofd van het politiekorps staat een korpschef.

2. De korpschef kan de ambtenaren van politie van zijn korps aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het korps.

Artikel 127

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

Artikel 128

De ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn taak geweld te gebruiken tegen personen en goederen, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

Artikel 129

1. Indien de politie optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde staat zij onder het gezag van de procureur-generaal.

2. Indien de politie optreedt ter handhaving van de openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak staat zij onder het gezag van de Minister van Justitie.