Theo van Doesburg/Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst/1

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst [1]
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum Vrijdag 1 augustus 1913
Titel Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst. Inleiding
Krant De Avondpost
Editie, pg [Avond], B. 2-3
Avondpost no 8654 article 01 column 01a.jpg
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron Wikimedia Commons
Auteursrecht Publiek domein

[B. 2.]

[...]


Onafhankelijke bespiegelingen over de Kunst.


door Theo van Doesburg.


Inleiding.


      Wanneer iemand onverwachts uw kamer binnenkomt, bijvoorbeeld uw vriend, die een geval heeft doorleefd, dat hem zoo hevig heeft aangedaan, dat hij behoefte gevoelt u deelgenoot te maken in zijn zielstoestand, dan zal hij zich inspannen om door woorden, gebaren en houdingen u in zijn zielstoestand over te brengen. Gij zult er in ’t geheel niet op letten hoe die woorden en gebaren en houdingen zijn, niet die zult ge beoordeelen, maar gij zult in hoofdzaak den zin of de beteekenis uit al zijn woorden, gebaren en houdingen trachten te putten en u in zijn toestand verplaatsen en gij zult het geval dat uw vriend doorleefd heeft, doorleven, alsof het alles zoo met U gebeurd was.
      Wanneer ge de woorden, gebaren en houdingen die uw vriend als hulpmiddelen aanwendt om u in zijn toestand over te brengen en die alle ongemerkt en tegelijkertijd elkaar aanpassen, gaat beoordeelen, dan zult ge steeds verder van de beteekenis der woorden gebaren en houdingen worden afgeleid.
      Ja, ge zult den toestand geheel niet of maar gedeeltelijk begrijpen.
      Het is naar den graad van hevigheid, waar mee uw vriend door het geval getroffen werd hetgeen weder afhankelijk is van zijn zielsgesteldheid en levenskracht, of uw vriend in staat is door zijn adem-tempo’s, woorden, gebaren en houdingen u tot de kern van zijn zielstoestand te voeren.
      Wellicht doet hij het zóó, dat ge niet eens zijn woorden, gebaren of houdingen noch zijn gelaats- en toonveranderingen als zoodanig opmerkt, doch geleidelijk van uit uw zielstoestand in zijn zielstoestand overgaat.
      Wellicht schept hij door de middelen die hij bezigt een atmosfeer, die gij inademt en waardoor gij geheel leeft in het gemoed van uw vriend. Dan gebeurt het, dat gij de kast die tegenover u staat, de schilderijen aan de wanden, de wanden zelf, den vloer, den stoel waarop ge zit en ten slotte uzelf vergeet. Ge verliest u zelf om in het wezen van uw vriend te bestaan.
      Het hangt van den graad van bezieling af waarmee uw vriend omgaat met zijn ademhaling, woorden, gebaren, enfin met zijn geheele lichaam, hoedanig gij zelf van zielsgetelheid verandert en hoe diep ge in den zielstoestand van uw vriend dóórdringt.
      Van uw kant is er niets dan deelneming of belangstelling noodig voor hetgeen uw vriend doorleefd heeft en een weinig vereenigingsvermogen om al wat uw vriend beroert, en de middelen die hij aanwendt om die beroering te bezielen, tot een geheel op te bouwen.
      Zoodra ge er op gaat letten, of de hand, die hij uitsteekt, wel geheel rein is, de nagels goed onderhouden zijn, zijn kleeding van goede snit is, enz, zult ge nooit tot de kern van het geval doordringen en altijd aan de oppervlakte blijven.

      Hetgeen ik hierboven gezegd heb, is niet ongelijk aan de verhouding waarin de Kunst en de maker staan tot den beschouwer.

      In het leven van het kunstlichaam*) gegroeid van eeuw tot eeuw, van land tot land, van volk tot volk, van stad tot stad, zijn ademhalingen, woorden, gebaren, klanken en houdingen, die alle tezamen een beteekenis hebben. Vooral in deze eeuw nu het Kunstwezen nieuwe gebaren maakt, nieuwe woorden spreekt, nerveuzer ademt, geheel vreemde klanken uitstoot, komt de begeerte in u op de beteekenis, den zin van dat alles te weten. Ge verlangt dit door de beoordeelaars of althans door lieden, die daar hun speciale studie van maken, verklaard te zien.
      Ge verlangt de Kunst, het Kunstwezen verklaard te zien. Verlangt ge dat werkelijk? Ge slaat de nieuwsbladen open en zoekt in de kunstrubrieken naar een verklaring van al die „nieuwe” of „moderne” verschijnselen. En wat vindt ge daar? Een verklaring van haar nieuwe gebaren? Neen, die vindt ge daar niet. Ge vindt er hoogstens de oppervlakkige beschrijving van de materialen en hulpmiddelen waarvan de kunstenaars zich bedienen. Men zegt u, dat zij zich van die materialen en hulpmiddelen als: verf, borstels, paletten, marmer, klei, woorden, klanken, noten enz, anders bedienen als voorheen. Men zegt u dat dit nu „moderne” verschijnselen zijn. men zegt u niet waarom dat zóó is en niet zooals voorheen. Men laat u in het duister en het weinige licht dat men voor u ontsteekt laat u alleen den materieelen kant zien van een schilderij, boek, drama of muziekstuk. Voert men u naar een minder oppervlakkige laag van een kunstwerk, dan spreekt men u (bij schilder kunst b.v.)over „staaltjes van kleur”,over potjes, kannetjes, molentjes en binnenkamertjes en vaartjes die het „wel doen”.
      En gij houdt dat wellicht voor de beteekenis van schilderkunst. Stel u voor dat iemand u de beteekenis van een vogel wil verklaren door hem één voor één de veeren uit te trekken en u de schoonheid van de ééne veer tegen de leelijkheid van de andere toont.
      Wat zal er op het eind van dit martelspel van den vogel overblijven? Wat anders dan een bloedend en kreunend gedierte, als vogel zonder eenige beteekenis. En terwijl juist de beteekenis van den vogel is dat hij vliegt en zingt en zwenkt, zich in evenwicht houdende op de doorzichtige aether, ziet ge een gehavend monster als een kuiken rondspringen, niet meer in staat zich om halven meter van den grond te verheffen.
      En zult ge dan bij de kritiek, die dit zelfde met de kunstwerken doet, een verklaring zoeken van het onsterfelijke Kunst-wezen? Bij de aesthetici dan misschien?
      Maar evenmin als gij bij de philosophen een eenvoudige en heldere verklaring van het Leven of van God vindt, evenmin vindt ge een eenvoudige en heldere verklaring van het Kunst-wezen bij de aesthetici, onder wier invloed de kritiekjes en rubriekjes over kunst geschreven werden en worden en wel door menschen, die met het horloge in de hand de musea en tentoonstellingen bezoeken, om er toch vooral niet te veel tijd te verliezen. Al loopt ge ook de geheele aesthetica door; van de laatste eeuwen b.v. van Shaftesbury (1670-1713) tot Sar Peladan, (1895) ge zult de beteekenis van het Kunstwezen niet verklaard vinden. De kritiek is er op uit slagboomen van kunst-termen te gooien tusschen u en het wezen der Kunst, waardoor ge den toegang tot de Kunst belemmerd ziet. Vraagt ge de kunstenaar zelf, dan werpen ook zij weder slagboomen tusschen u en hen, slagboomen van techniek, van stippeltjes, cubusjes, cirkeltjes,enz, waardoor ze u belemmeren de Kunst ook maar één duim te naderen. De duisternis omgeeft u overal. Waar zult ge dan heen om licht?
      Waar zult ge heen, om een zoo belangrijk op de cultuur en alle menschelijke handelen invloed uitoefenend, verschijnsel als de Kunst, te verstaan te begrijpen? Waarheen?
      Terug.
      Tot u zelf!
      Juist. Nergens anders is de bron tot scheppen, die tot kunst leidt meer nabij te vinden dan in u zelf.
      Luister slechts aan de borstkas van dat groote Kunstlichaam, dat gegroeid is van eeuw tot eeuw en grootgebracht is en wordt door verschillende volkeren; wat hoort ge daar? Ge hoort daar een menschelijke ademhaling. Dat is slechts van belang, al het andere is bijzaak voor u. De kunst heeft haar oorsprong in ’t innerlijk leven van den mensch. Dat ge u zelf in de kunst herkent zooals ge uzelf in uw zoon herkent, is hoofdzaak voor u om de kunst en wel haar innigst wezen te begrijpen.
      De mensch verklaart zijn innerlijk leven, zijn gevoelens en wat daar al zoo beweegt, door middel van Kunstwerken. De kunst ontspringt uit u zelf. Ontsprong de kunst uit een ander wezen, dat niets met het aardsche leven te maken had (men — weder de critici en aesthetici — wil u wel doen gelooven dat het genie bovenaardsch is en kunstarbeiders boven-natuurlijke wezens zijn, doch dit zijn slechts kletspraatjes om u den weg tot de Kunst te versperren), b.v. een bewoner van Mars, wellicht dat de Kunst dan geheel onverstaanbaar voor u was. Maar, het Kunstgeheel is opgebouwd noch door bewoners van Mars, doch door dieren of planten, waar door menschen evenals gij en daarom moet de Kunst verstaanbaar voor u zijn.
      Hoe verder de mensch de beteekenis van leven en kunst zoekt, hoe moeilijker hij de beteekenis van Leven en Kunst zal begrijpen.
      Wanneer eenig werk kunst is, dan is het een verklaring en valt het overigens als kunst niet te verklaren: streek voor streek (bij schilderkunst), klop voor klop (bij beeldhouwkunst), woord voor woord (bij literatuur) of klank voor klank (bij muziek).
      De werken van kunst kenmerken zich door een geestelijk en lichamelijk deel. Het geestelijk deel betreft de gevoelens en gedachten die tot uitdrukking komen door middel van het lichamelijke deel. Nu gebeurt het bij echte kunstwerken, dat er in den werkman een innige verzoening plaats heeft tusschen doel, (de geest in ’t werk) en middel (het lichamelijke in ’t werk: de materie) In dat geval ontstaat, b.v. bij een schilderij, tegelijk met elken streek ook de Kunst; bij een beeld tegelijk met elken hamerslag ook de Kunst; in de literatuur tegelijk met elke zinswending ook het Woord; bij elke klank van een muziekstuk, tegelijk: Muziek.
      Hoe meer men aan een schilderij kan bespeuren, dat het geschilderd is, des te minder is het als kunst; hoe meer men aan een beeld kan merken, dat het uit marmer, of andere stof, gehouwen is, des te minder is het werk als kunst; hoe meer men aan een boek kan merken dat het geschreven is, des te zwakker is het als gesproken Woord.
      Juist datgene wat men in dezen tijd voor het eigenlijke van Kunst aanziet, verlamt het Kunst-wezen en voert tot wetenschap en oppervlakkigheid.
      Wanneer de mensch, die onder invloed van echte Kunst komt, onbekend is met zijn eigen gevoelens, welke hier door een der hierboven genoemde vormen te voorschijn komen, dan kan het gebeuren, dat hij den geest in het kunstwerk niet herkent en daar door zich met een oppervlakkige beschouwing tevreden stelt.
      Wanneer ge b.v. de fresco’s van Fra Angelico beziet, dan kan het gebeuren, dat ge ze niet begrijpt en dat komt wellicht doordat ge nimmer in uw leven gevoelens hebt ondergaan, gelijk aan die hier door middel van gekleurde figuren op een muur te voorschijn zijn gekomen. Wel zullen de eenvoudige, bijna onmerkbare vormen, de sobere kleuren en niet-kleuren uw gezicht treffen en in verrukking brengen, maar aangezien dit werk uit een gevoel boven de verrukking geschapen is, zal de waarachtige aandoening, die Fra Angelico bezielde, aan u voorbij gaan. Het was den werkman volstrekt niet te doen om eenvoudige vormen in kleur te zetten en u hierdoor in verrukking te brengen. Fra Angelico wilde zoo eenvoudig en helder mogelijk zijn ge-
————————
      *) Hierdoor te verstaan alle vormen van de Kunst te zamen: muziek, litteratuur, schilderbeeldhouwkunst, enz.


[B. 3.]

voelens verklaren en deed dit toevallig door middel van eenvoudige, haast onmerkbare gestalten en kleuren, omdat hij zich niet kon voorstellen, dat men op andere wijze die gevoelens verklaren kon. Het werd alles zoo bizonder aandoenlijk, omdat hij werkelijk bestond in zijn aandoening en er een innige verzoening tusschen geest en materie op die muren plaats had.
      Zooiets nu is echte kunst. Kunst zonder eenige bedoeling, tendenz of bijoogmerk.
Zulke kunst groeide uit het innerlijk leven van een geheel volk en het gansche volk deelde in die Kunst en het drong met voorbijzien van de hulpmiddelen tot het wezen van het werk door.
      Zulke kunst bestaat niet meer, omdat de bron waaruit die kunst opwelde, verdroogd is. Reeds Da Vinci liep van Kunst over naar wetenschap, verloor zich in technisch gebeuzel, hetgeen de ruïne van zijn eigen werk ten gevolge had. De kunstenaars der laatste eeuwen — met uitzondering van enkele — hielden het aanwenden der hulpmiddelen, en dat op steeds andere manieren, voor het wezen der Kunst. Zoodra het hun te doen werd om kleur- en vormentaal, om technische caprices — ik zal het u aanstonds duidelijk voor oogen stellen — trad de degeneratie, waar we nu midden in zitten van van alle kanten door worden omsingeld, in en het volk wendde zich steeds meer en meer van de Kunst af, tot het er ten slotte geheel van vervreemdde.
Zoo moest het besef van de beteekenis van het Kunst-wezen dus wel verloren gaan.


(Wordt vervolgd.)