Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch/Zeventiende brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zestiende brief Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Zeventiende brief

Agttiende brief


[ 106 ]

ZEVENTIENDE BRIEF.

 Hooggeschatte Vriend!

Ik had nu alle Dorpen der Majorij, ten minsten de voornaamsten bekeeken, alleen één Dorp schoot 'er nog overig, en wel een groot Dorp, zijnde de Hoofdplaats van Peelland; ik bedoel hier St. Oedenrode. Op mijne voorige Reize, en ook in deeze lag mij dat Dorp altijd te ver uit den weg, echter had ik tot nog toe altijd zeer grooten spijt, dat ik die plaats niet gezien had, en dewijl ik mij in 's Bosch, gelijk ik U in mijnen laatsten Brief schreef, nog eenigen tijd dacht op te houden, bekroop mij de lust, om eenen uitstap naar dat Dorp te doen, en eene wandeling (het ligt maar vier uuren van deeze Stad) te onderneemen. – Zoo, beslooten zoo gedaan, – Ik ging dan, voor eenige dagen, 's morgens zeer vroeg de Stad uit; wandelde langs den Pettelaar (deezen kent Gij reeds uit mijne voorige Reize) over St. Michiels-Gestel naar St. Oedenrode. Ik kwam aldaar zeer vroeg aan. De weg, dien ik betreeden had, was zeer aangenaam, hij was mij dus niet lang gevallen. – Laat mij U nu iets van dat Dorp (ik heb 'er verscheidene dagen vertoefd, om alles naauwkeurig op te neemen) vertellen.

[ 107 ] St. Oedenrode is een zeer schoon, groot en uitgestrekt Dorp; het is in het midden bij het Marktveld zeer aangenaam bebouwd, en de Huizen liggen daar zeer digt bij elkanderen. Dit Dorp is zeer verruklijk aan de Dommel gelegen, welke 'er gedeeltelijk doorstroomt; op deeze Rivier ligt een schoone Watermolen. – 'Er zijn twee Kerken; de ééne ligt in het voornaamste van het Dorp, aan de linke zijde van de Dommel, zijnde vrij groot en aan de H. Oda toegewijd. Deeze is de zoogenoemde Kapittel- of Collegiale-Kerk – De andere ligt aan den regter oever der Rivier, doch veel verder van dezelve dan de andere; zij is ook zeer groot, voorzien van eenen schoonen hoogen tooren met eenen grooten Knop; deeze is de Parochie-Kerk, zijnde outijds aan St. Martinus geheiligd, even daaröm wordt zij thands nog de St. Martens- ook wel de Knopkerk, wegens den Knop boven op haaren tooren, genoemd. – Te Olland, een gehucht van deeze plaats plagt eene Kapel van St. Antonius te weezen, doch die is veränderd tot een Huis voor den Schoolmeester, die aldaar woont; en te Eerd, een ander gehucht, ziet men nog de Kapel van St. Petrus; welke thans voor eene School gebruikt wordt. – Men ziet hier thands nog zeer veele Kasteelen, alle zeer aangenaam gelegen, zijnde de oude verblijfplaatzen van Edelen, die zich hier plagten op te houden. – Oedenrode is zeer sterk beplant met allerlij Houtgewas; men treft 'er ook [ 108 ] veele Bosschen aan, en hierdoor geeft het hier veele lieve en vermaaklijke Wandelwegen.

Laat ik U nu zeggen, wat de Legende en Overlevering, wat de waare Geschiedenis van dit Dorp verhaalen:

De twee eersten vertellen, dat Oda, eene Maagd, en wel de Dochter van eenen zekeren Koning in Schotland was, welke in Pelgrimmasie reizende, hier zou gewoond hebben en begraaven zijn; zij zou in den jaare 713 heilig zijn verklaard. Van haar zou dit Dorp eerst den naam van Odenburg (ik zou liever denken, dat het Godenburg van alle de Goden of Heiligen, die hier geëerd zijn geworden, gelijk Gij ziet uit alle de gewijde Kerken en Kapellen, moest genoemd zijn geweest), vervolgends dien van Oden- of Oedenrode ontvangen hebben. Of zou 'er, mijn Vriend! geene andere reden van deeze benaaming kunnen gegeeven worden, want 'er zijn meer naamen van Dorpen in de Majorij, die in Rode eindigen, als: Middenrode, Nistelrode. Zou het eerste gedeelte van dien naam geen Hoogduitsch (wij hebben immers gezien dat 'er veele woorden uit die taal in de Majorij gebruikt worden) kunnen zijn, want od, oede, öde betekent daarin woest, dus zou het hetzelfde zijn als Woestrode; deeze naam past zeer wel op dit Dorp wegens deszelfs Bosschen en Heiën, en dan vervalt van zelfs de geheele Legende aangaande deeze Heilige, welk verhaal ook, gelijk ik straks toonen zal, op zeer losse schroeven [ 109 ] rust. Misschien heeft de een of andere domme Monnik, het woord Oede niet kennende in de betekenis van Woest of Wild, 'er eene Sanctinne van gemaakt, op deeze wijze zijn immers veele Roomsche Heiligen in de waereld gekomen[1]? In Duitschland vind men veele plaatzen, die uit dit woord zijn saêmgesteld, als: Oedenburg, Odenkirchen en anderen. Of – zouden die ook al naar deeze Heilige Oda genoemd zijn? Is dit wel waarschijnlijk? – Zijn 'er misschien ook meer Sinte's van dien naam geweest? – Waaröm noemde men dit Dorp naar Oda niet liever Oden- of nog beter Odarode? Maar stil eens! laat mij niet te veel vraagen! Misschien weet ik 'er al wat op: St. Oda droeg misschien ook wel den naam van Oeda, dus is het hetzelfde of men Oden- of Oedenrode zegt. Dit is wel uitgevonden, niet waar? – Doch laat mij voordgaan: Oedenrode zou in voorige tijden een Graafschap geweest zijn, en Hilvaris, eene zekere hier gewoond hebbende Graavin (andere noemen haar eene Dienstmaagd van Oda; dit is maar een klein verschil. – Of kan dit samengaan?) zoude hier de Kapittel-Kerk, benevens een Collegie van negen waereldlijke Kanonniken gesticht hebben; in deeze Kerk zou eertijds haar Grafschrift geweest zijn, bestaande in rampzalige Latijnsche Monniken-verssen. – Hier is het:

[ 110 ]

Nobilis hac fossa sunt Hildewaris hic ossæ
De Rode et Beke Dominiæ, Rodæ Comitissæ.
Ecclesias hanc et de Beeck, quæ virginis Odæ
Translatus anno, fundavit septuageno.
Van Amelroijën solus residens Everadus,
Est hic Canonici vice fungens atque Decani,
Huc fuerant de quo hæc primum clausa sepulchre
Ter septeno quingento transtulit anno:
Nam lapidum quadro tumulata sub assere mure
Huius porticui iacebant vicinia templi.

Deeze Hilvaris of Hildewaris zou ook de Stichteres weezen van het Capittel der Kanonniken, dat oulings te Hilverenbeek was, en dit Dorp zou, gelijk ik U reeds gezegd heb[2], van haar zijnen naam ontleend hebben.

Nu het geen de Geschiedenis van Oedenrode oplevert. – Veele bijgeloovige Roomschgezinde Schrijvers, die, in de domme tijden van het Bijgeloof, de levens van alle Majorijsche Heiligen beschreeven hebben, maaken geen woord gewag van St. Oda, zij schijnen haar niet te kennen; daarentegen zwijgen anderen weder als een Mof van Hildewaris of St. Hilvaris, zoodat alles aangaande deeze Heiligen zeer onzeker is. – Ik voeg hierbij de Lotgevallen deezer plaats: – In 1542. wierd dit schoone Dorp geheel door de Gelderschen in brand gestoken. In 1572. wierd het door het Krijgsvolk van den Prins van [ 111 ] Holstein uitgeplunderd. In 1576. wierden hier veele Huizen door de bezetting van Bommel verwoest. In 1581. vernielde de bezetting van Heusden 'er honderd en tien Huizen. In 1583 deed de Baron van Ysselstein de beide Kerken in brand steeken. In 1587. wierd het weder door de Krijgsmagt der Bondgenooten geplunderd. – Welk eene reeks van rampen! hoe veele ongelukken moest dit Dorp verduuren, en wel binnen zoo weinige jaaren!!

Thands heerscht hier veel onéénigheid tusschen de Roomschen wegens de Kerken; men heeft verschil, welke Kerk men den Hervormden ontneemen wil. De eene partij wil de Kapittel-, de andere de Parochie-Kerk hebben, dit hangt af, naar maate zij digter bij de eene of andere Kerk woonen. Men heeft hier geweldig over gehaspeld, doch deeze drift, als ook om ééne van die Kerken in bezit te krijgen, is thands geweldig aan het verkoelen.

Nu weet Gij reeds meer van Oedenrode (als Gij naamlijk deezen brief geleezen hebt) dan duizende andere menschen 'er van weeten. Ik mag dus deezen brief wel sluiten, want het word meer dan tijd, om deezen nog heden met den post weg te krijgen, misschien komt hij wel te laat. Ik noem mij in groote haast uwen besten

Vriend. 
  1. P. Hofstede, Over het klein getal der echte Martelaars, El: 24 volgg.
  2. Vijfde Brief. Bl: 23.