Vogelkiekjes/II

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
I. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

II

III.


[ 8 ]

II.


Jacht op Wilde Zwanen.


„Oe-hoe-wie-joe!" Als een dichter zijn zwanenzang zingt, is hij gewoonlijk droevig gestemd, maar meer melancholisch klinkt nog het „oe-hoe-wie-joe", dat de wilde zwanen des winters op de Waddenzee laten hooren. En wanneer het ijs tot bergjes opgehoopt is, ontdekt men niet zoo spoedig de groote, witte vogels, die in kleine vluchten tusschen de ijsheuvels hun voedsel uit het water opdiepen.

Daar ligt de witte boot, waarmede we de zwanenjagers zullen vergezellen. Maar zoo kunt ge niet mee gaan in uw donkergekleurd kostuum! Ge hebt daar over aan te trekken een lang wit kleed, dat ge, zoo noodig, van beddenlakens kunt formeeren. Over onze bonte mutsen komen witte doeken, en zoo ook zijn de jagers gekleed, die hun geweren grootendeels met wit omwikkeld hebben. En zoo nemen we plaats in de witte boot, die nu eens door het open water geboomd en soms ook over een ijsveld getrokken moet worden.

[ 9 ] We gaan langzaam voort in de richting van het „oe-hoe-wie-joe", dat gedurig duidelijker wordt. Het speurend oog van den voorsten jager heeft weldra ontdekt, waar de vogels zich bevinden, en onze bootsman gebruikt nu een korteren stok, waarvan ook het boveneinde geheel wit gemaakt is.

We mogen geen vin meer verroeren, geen fluisterend geluid zelfs meer geven. Als „tableau vivant" drijft de boot met haar inhoud de ijsheuveltjes voorbij, langzaam, maar zeker, in de richting van de door de jagers begeerde vogels. Spoedig kunnen ook wij ze zien. Af en toe worden de lange halzen gestrekt, en de zeven zwanen achter het eenig ijsbergje, dat nog tot dekking dient, zien rond, alsof ze onraad bespeuren. Maar de koppen dalen weder en worden gedompeld in het ijskoude nat. Ook nu is het laatste ijs weggedreven en niets dan blank water is er tusschen de vogels en ons. De dieren moeten ook onzen groep voor een ijsheuvel houden. Ze kunnen het niet snappen, welke kracht ons tegen den wind in brengt, anders zouden de vogels spoedig op de vleugels zijn.

We moeten boven wind zien te komen, en als dooden blijven we in positie. De bootsman beweegt nu met één hand den stok, en geeft aldus van zijn ervarenheid blijk. Steeds onrustiger worden de zwanen, doch de jagers zijn al vrijwel verzekerd, dat ze de dieren onder schot zullen krijgen, want deze vogels kunnen niet anders dan tegen den wind in op de vleugels komen en moeten dan onze boot naderen.

Rustig, als echte zonen Nimrods, wachten de mannen het goede oogenblik af. Plotseling hooren we geraas van [ 10 ] groote vogelwieken; plotseling getuigt ook onze groep van leven. In minder dan geen tijd hebben de beide jagers de schuttershouding aangenomen, en slechts enkele seconden later knallen vier schoten, die heel wat weerstandsvermogen van onze gehoorvliezen vragen. Vijf zwanen drijven snel af, één valt er paffend op het water en drijft weldra met den helderwitten buik boven, omdat het lood dadelijk moordend geweest is. Eén zwaan beschrijft nog een paar kringen in de lucht, valt dan op een ijsveldje neer, waar ze nog een paar malen den kop verheft, en ook dan heeft ze haar zwanenzang gezongen, dien wij, jammer genoeg, niet konden hooren.

En als we het eerste lijk uit het nat hebben opgetrokken, dan doet het eenigszins weemoedig aan, de roode bloeddruppelen uit een borstwond over het reine, witte vederkleed te zien parelen, doch de jagers verheugen zich over het gelukkig schot en over den mooien buit. Aan de snavelkleuren, geel naar den wortel en zwart naar voren, in weinig scherpe afscheiding, kan men Cygnus cygnus L. of musicus herkennen. Ook de tweede zwaan behoort tot deze soort, maar het grijze kleed wijst er op, dat ze reeds in hare jeugd moest omkomen, verre van de plaats waar ze het levenslicht aanschouwde. De Wilde Zwaan, die ook Deen en Hoelzwaan genoemd wordt, is broedvogel van het Noorden van Europa en Azië.

Wanneer we meermalen mede ter zwanenjacht gingen, zouden we kennis kunnen maken met nog twee zwaansoorten, die ook alleen als wintergasten bij ons vertoeven. 't Zijn de kleinere Cygnus bewicki (Yarr.), die in klein aantal voorkomt en meer zwart en minder geel in [ 11 ] scherpe afscheiding op den snavel heeft; en de grootere Cygnus olor (Gmel), die veel zuidelijker broedt dan de beide andere soorten, en te kennen is aan het rood van den bek en aan een knobbel bij den snavelwortel.

Doch onze jagers zijn voor heden voldaan, te meer daar de vinnige koude verkleumdheid brengt. Toch betreden wij met hen met opgewektheid den wal, waar we hun succes als het onze beschouwen. En als we gedurig aanschouwen het zuivere wit van het zwanendons, dan kunnen we het gelooven, dat deze keurige vogels steeds indruk hebben gemaakt, zoodat ze bij de oude Grieken gewijd konden worden aan Apollo, met de meening, dat zij van dezen de gave der voorspelling ontvangen hadden. Dan hooren we ook in het klagelijk „oe-hoe-wie-joe" de geluiden der bosch- en watergodinnen van Walkyren, die bij voorkeur in de gestalte van zwanen voorgesteld werden.