Vogelkiekjes/III

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
II. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

III

IV.


[ 11 ]

III.


Over Sneeuwgorzen, Bergleeuweriken en Kramsvogels.


Zouden we nimmermeer een zoogenaamde ouderwetschen winter beleven, zoo een, als die van 1890/91? Na dat jaar hebben we eigenlijk niet dan kwakkelwinters gehad. Voor veel dingen is het misschien goed, dat de wintervorst bij ons niet gestreng en lang heerscht, maar [ 12 ] om zoo eens wat meer gevleugelde vogels uit het Noorden van Europa naar hier te krijgen, moesten we af en toe eens balken onder het ijs zien ook onder dat van de Zuiderzee.

We willen ons nog even verbeelden in dit koude jaar te zijn, en dan te vertoeven op den zeedijk bij een eenzamen polder. Hoor, aan de buitenzijde rinkelen de bellen der arresleden, die er zoo zelden gehoord worden. Doch wij gaan naar binnen, waar de sneeuw in maagdelijke reinheid de aarde dekt. Wat is de sneeuw hier veel witter dan in en bij de steden, waar ze spoedig is bezwadderd met allerlei vuil uit schoorsteenen als anderszins.

Hoor, piep, piep! Een klein troepje vogels vliegt rondom ons, alsof het voedsel van ons verlangt. We kunnen het hun evenwel niet geven.

Daar vliegen de diertjes weer heen, om een cirkel om ons heen te beschrijven, en dan plaatsen ze zich weder op de plek, van waar ze opgevlogen zijn.

't Is eene eigenaardigheid van de Sneeuwgorzen, want zoo heeten deze vogeltjes, die in arctische en subarctische gewesten der Oude en der Nieuwe Wereld hunne broedplaatsen hebben. Vrij geregeld komen er elken winter eenige troepjes van bij ons voor, doch nimmer werden er zooveel gezien, als in den winter van '90. De meeste dezer vogels zijn bruin op de bovendeelen, doch met zwarte lengtevlekken op den rug en wit op buik en borst. Maar er zijn er ook bij met meer en minder wit op de vleugels.

Kon men ze in het prachtkleed zien, dan zou men de mannetjes kennen aan een fraai zwart op den mantel [ 13 ] en op de slag- en staartpennen, maar daarvoor heeft men minstens te reizen tot aan Ben-Nevis in Schotland of tot de Faröer.

Onder den naam van Sneeuwputter wordt deze Gors wel ten verkoop aangeboden. In de kooi heeft men er evenwel weinig pleizier van, en nooit is deze vogel er zoo mooi als in de vrije natuur, wat trouwens van alle vogels gezegd kan worden.

We willen hiermede de exemplaren van Passerina nivalis (L.), zooals de sneeuwgors wetenschappelijk heet, vaarwel zeggen, als we er juist een paar vogels tusschen opmerken, die we eerst voor gewone Leeuweriken houden, doch spoedig bespeuren we fraai citroengeel aan den kop; welke kleur op kruin, wangen en krop door zwart afgebroken is. Konden we ze van nog naderbij beschouwen, dan zouden we twee vederpluimpjes aan het achterhoofd zien. Deze kenmerken zijn voldoende voor de vaststelling der identiteit. 't Zijn nl. exemplaren van den Bergleeuwerik (Evemophila alpestris flava Gmel). Ook deze vogelsoort heeft broedplaats in de Noordelijkste deelen van Europa en Azië, en komt alleen als onregelmatige wintergast tot ons. Als Strand- en Zeeleeuwerik vindt men ze meermalen in annonces aangeboden.

En nu vliegt het troepje weg tusschen gindsche droge zeekraalplantjes, om er de kleine zaadjes weg te pikken. De hongerige diertjes hebben met gestreng winterweer ook bij ons geen al te beste verblijfplaats.

Maar o wee, de vogeltjes vliegen onmiddellijk weer op. Stellig worden ze verjaagd, en zie, op de plaats wippen eenige dieren heen en weer. Zouden het misschien hermelijnen zijn? Deze bloeddorstige monstertjes toch [ 14 ] brengen des winters heel wat om hals. We zullen het onderzoeken.

Neen, 't zijn ook vogels, en ze zijn grooter en meer monter dan de Sneeuwgorzen en de Bergleeuweriken. Zie, ze wippen meer dan ze loopen en af en toe laten ze een schetterend lachgeluid hooren. Hoe meer we ze naderen, hoe meer de lijstervorm uitkomt, en nu we er niet meer dan vijftig passen van verwijderd zijn, kunnen we ze bestemmen als Kramsvogels (Turdus pilaris L.). Men kent deze vogels ook elders in ons land onder de namen Veldlijster, Schaar- en Kamlijster. Er zijn er tegenwoordig niet veel, maar bij open winters kunnen groote vluchten op de weiden en akkers verblijf houden. Voor broedplaats vindt evenwel maar een enkel paartje ons land goed genoeg. De meeste trekken in het voorjaar naar Noordelijker en Oostelijker plaatsen.

Hoe mooi kunnen we nu zien het zwartachtig roodbruin van mantel- en vleugelvederen, en de grijze en zwarte kleuren in fraaie afwisseling, benevens het roestgeel van krop en rompzijden.

't Wordt den lijsters nu ook te angstig en onder schetterende geluiden en met onregelmatige vleugelslagen gaan ze heen, om misschien in den tuin bij gindsche boerderij de laatsten hulstbessen weg te pikken.

Bij goed rondzien biedt de winter evenveel verscheidenheid aan vogels als het zomergetijde.

 

 
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Vogelkiekjes/III&oldid=60576"