Vogelkiekjes/XV

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XIV. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XV

XVI.


[ 49 ]

XV.


Over Kemphanen en Ruiters.


De Hollandsche Kemphanen (Pavoncella pugnax L.) trekken ook in den vreemde, en vooral in Engeland, de aandacht. Mr. E. Selous, de bekende Britsche ornitholoog, [ 50 ] vertoefde meermalen weken achter elkander op Texel, om de kemphanen op hunne tournooivelden te bespieden, en nacht en dag zat hij daartoe in een kuil, van zoden omlegd, „het hol van Selous" genoemd. Kearton was meermalen op dezelfde plaatsen met de camera werkzaam, en heeft menig interessant tooneeltje uit het liefdesleven der kemphanen gekiekt.

Sta eens zeer vroeg op, en begeef u naar zoo'n kampplaats. Maar daarbij moet vooraf een hol gemaakt zijn, waaruit men het terrein overzien kan door een paar kijkgaten, anders zijn de vogels te schuw.

Klaar? Wees dan stil! Zie naar de Oosterkim, waar de lucht zich langzamerhand rose kleurt, om straks de dagvorstin in gouden luister te laten opkomen. Nog is geen enkele vogel aanwezig op het platgetreden terrein. Maar hoor, daar suist wat door de lucht. Twee, drie mannetjes-kemphanen plaatsen zich op het veld, en weldra komen er meer. Ze zetten de lange kop- en kraagvederen wijd uit, en ze nemen geweldige houdingen aan. Met de koppen omlaag gebogen, rennen ze, de snavels horizontaal gericht houdende, op elkander toe, doch kwetsen doen ze mekaar niet. Zonderlinge vertooningen toch! Er zijn er nu wel zestien bij elkander, en alle verschillen ze in vederkleed. De variaties zitten vooral in de verlengde veeren van kop en hals, die bij den een mooi bruin, bij een ander weer wit, bij een derde fraai staalblauw zijn, en verder ziet men allerlei nuances en schakeeringen. De aangezichten der mannetjes zijn bezaaid met kleine, gele wratjes, die aan parasieten denken doen. Wonderlijk is het, dat na den broedtijd wratjes en lange veeren weer verdwijnen, en dat dan de vogels alle gelijk [ 51 ] gekleurd zullen zijn, evenals de wijfjes, die steeds hetzelfde grijze kleed dragen.

Zie, de vogels komen in actie, nu een eenvoudig gekleed wijfje op de kampplaats verschijnt. De mannen doen zich op het mooist voor, en nadat ze eenigen tijd gepronkt en vechtvertooningen gemaakt hebben, vliegt het vrouwtje weer heen, gevolgd door een der mannetjes, blijkbaar het voorwerp harer keuze.

We hebben dus in de vechtplaatsen der kemphanen te zien de huwelijksmarkten, waar de mannetjes van de lijn afgevraagd worden. De schijngevechten loopen alzoo parallel aan het pronken van vele andere vogels. Lang blijft zoo'n mannetjes-kemphaan niet van de vechtplaats verwijderd. Het wijfje heeft spoedig het diepe nest tusschen het gras gereed, en wanneer de vier mooie peervormige eieren, groen met zwarte vlekjes en lijntjes, gelegd zijn, houdt het mannetje nog enkele dagen wacht, om verder het broeden en later het verzorgen der jongen aan het teere vrouwtje over te laten, dat steeds eenzelverig leeft en geen ander geluid laat hooren, dan een angstig „u-hu-hu", wanneer bij nest of jongen ongewenscht gezelschap komt.

Wanneer we het hol verlaten, zien we enkele vogels, die wel op de wijfjes-kemphanen gelijken, doch ze zijn wat hooger op de pooten, die rood zijn, en de snavel is langer, terwijl de staart vele donkere dwarsbandjes laat zien. Deze vogels laten wel gedurig geluid hooren, dat nu eens klinkt als „tu-tu-tu", dan weer meer als „tureluur", en naar dat laatste heet deze Ruiter dan ook Tureluur (Totanus totanus L.). Gedurig maken deze vogels knikkende bewegingen, vooral wanneer ze post gevat [ 52 ] hebben op paal of hek. In vele streken noemt men den Tureluur ook Tjerk of Tjirk, maar ook wel Tureluut, Tuut, Daak en Witstaart.

Pas op, daar is een nest van een kievit met vier eieren. En op geen meter afstand daarvan vliegt de tureluur uit het langere gras. Jawel, daarin liggen in een dieper nest, waarboven de grashalmen kegelvormig samenbuigen, ook vier eieren, maar die zijn lichter van grond en bruiner gevlekt dan kievitseieren.

Dat doet de Tureluur nu dikwijls: zijn nest maken bij dat van den kievit. En stellig doet hij het om zijne eieren mede onder bescherming van den kievit te stellen, die zoo goed door toeschieten kraaien en ander gespuis van nest of jongen weet weg te houden.

Een turelurenpaar leeft edeler dan zoo'n stelletje kemphanen, daar het trouw te zamen voor nest en jongen zorg draagt.

De meeste kemphanen en tureluren verlaten ons land tegen den winter, doch aan de kust kan men er toch altijd exemplaren van vinden. In Maart en April keeren ze naar de broedplaatsen terug.

In het wintergetijde kan men bij ons ook vinden een donkerder gekleurde Ruitersoort, die Zwarte Ruiter of Totanus fusca L. heet. 't Is niet uitgemaakt of deze soort soms een enkele maal bij ons broedt. Onmogelijk is zulks niet, daar mr. R. baron Snouckaert mededeelt, dat in de collectie Wolley-Newton te Cambridge een ei is, 't welk genomen werd uit de oviduct van een in Nederland gevangen wijfje der soort.

Weldra hopen we nog een drietal Ruitersoorten te bezien.