Vogelkiekjes/XVII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XVI. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XVII

XVIII.


[ 56 ]

XVII.


Mooigevederde vogels.


Er komen vogels bij ons voor, die aan de tropen doen denken. Denken we eerst aan den Pestvogel (Bombycilla garrulus L.). Waarom dit fraaie dier bij ons zoo'n leelijken naam moet dragen? 't Is het bijgeloof, dat hier een woordje meespreekt. Het dier verschijnt slechts zeer onregelmatig bij ons. Nu eens ziet men er op den trek vele, dan weer weinige, en telkens ook zijn er jaren geweest, waarin geen enkel voorwerp dezer soort zich in onze streken vertoonde. En het toeval heeft gewild, dat in vroegere tijden enkele malen de gevreesde pestziekte uitbrak, toen deze vogel zich menigvuldig bij ons vertoond had. Het gevolg was, dat men in zijne verschijning een voorbode van de pest zag, en pestvogel was zijn naam. En, gegeven namen worden nu eenmaal niet zoo spoedig teruggenomen, anders zou de bij ons plaatselijk voorkomende naam Zijdestaart wel zoo passend zijn. Ook de Duitschers noemen hem Seidenschwanz, terwijl men bij het Engelsche Waxwing denkt aan dezelfde bijzonderheid, waarnaar deze vogel in Groningen wel Lakvogel [ 57 ] heet. Want de kleine slagpennen hebben lakroode bladachtige aanhangsels.

Of de vogel, die een weinig grooter is dan een spreeuw, een mooi pakje draagt? Stellig! De zeer zachte vederen zijn hoofdzakelijk bruin; de zwarte staart heeft grijze boven- en bruine onderdekvederen; ook de slagpennen en de keel zijn zwart. Aan de kleine slagpennen vindt men witte zoomen; die aan de groote slagpennen en aan de staartvederen zijn geel. Ziehier een zwakke kleurbeschrijving van het mooie, gekuifde vogeltje.

De pestvogel, die broedgebied heeft in de arctische gewesten, leert daar stellig de menschen niet als zijne vijanden kennen, want de exemplaren, die hier op den trek voorkomen, toonen zich volstrekt niet schuw. Ook, wanneer men er een zóó uit de natuur in eene kooi plaatst, is de vogel dadelijk goed tevreden, en de aangeboden lijsterbessen neemt hij weldra uit de hand aan. Broeden doet de pestvogel bij ons nimmer. Maar we willen hem telkens, wanneer hij in grooter of kleiner aantal ons land met een bezoek komt vereeren, gastvrij ontvangen, en zijn leelijke naam zal nimmer schrikgevende gevoelens bij ons opwekken.

We willen nog een prachtigen vogel bekijken, en wel een, dien we het geheele jaar, ook als broedvogel, bij ons kunnen vinden, zij het dan ook in gering getal. Laat ons post vatten op deze zeesluis, waar men den IJsvogel (Alcedo ispida L.) dagelijks kan vinden. Zie, daar zit hij op den rand van die boot, roerloos en stom. Neen, mooi van vorm is hij niet. Daarvoor is zijn kop te groot en zijn snavel te zwaar, daarvoor ook is het lichaam te veel ineengedrongen, en de kleine, roode pooten zijn bijna te [ 58 ] zwak om het dier te dragen; bovendien zijn aan elken poot de buitenste en de middelste teen tot op de helft samengegroeid. Maar het vederkleed is boven lof. Bovenkop en nek zijn donkergroen met lichtere dwarsvlekken; de rug is metaalblauw, terwijl zijden, vleugels en staartpennen donkerblauw zijn, met lichtblauwe vlekjes op de vleugels. Bij de ooren en aan de teugels ziet ge een roestkleur, die ook hoofdzakelijk de kleur der onderdeelen is, witachtig is de keel, en ook een vlek achter de oorstreek heeft die kleur.

We hebben het gezien, dat de IJsvogel een zeldzaam veelkleurige, maar tevens zonderling gevormde vogel is. Verbazen moet men zich er evenwel over, dat een dier met zulke zwakke pooten een hol van wel een meter lengte in een slootwal kan graven, aan het einde waarvan zijn nest is. Op enkele vischgraten worden de 8 à 11 bijna kogelvormige, glanzig witte eieren gelegd, en de jongen, die een muskusgeur van zich geven, worden eerst met wormen en insecten, en later met visch gevoed.

Zie, daar plompt de IJsvogel als een steen in het water, en met een vischje in den snavel komt hij weer boven. Al dien tijd heeft hij geduldig zitten wachten, of er iets van zijne gading wilde komen, en dan grijpt hij bijna nimmer mis. Zoo vischt hij ook in zoet water.

De IJsvogel wordt aangeduid met den naam Alcedo. Dit woord is afgeleid van Alcyon en van Halcyone. Halcyone nu, zoo zegt het verhaal, veranderde zich bij het zien van het lijk van haren echtgenoot Ceyx, in het water omgekomen, in een IJsvogel, die alleen op het water leefde en de stormen kon doen bedaren, daar, waar hij zijn nest op het water bouwde. Verband met dit verhaal [ 59 ] houdt een gedenkpenning van Willem den Zwijger, waarop gegraveerd is het nest van een Alcyon op de golven en daaronder de leuze: „Saevis tranquillus in undis" dat beteekent: „rustig, te midden der woelende baren".

Op den 17den December 1899 is er in ons land gevangen een Amerikaansche Bandijsvogel (Ceryle alcyon L.)

Deze soort is veel grooter dan de bij ons wonende. Zij ontvangt haar naam naar een breeden witten balsband. De vederen van kruin en achterhoofd zijn verlengd en vormen een fraaie, naar achteren liggende kuif.

Maar het eenige voorwerp dezer soort, dat zich ooit in ons land heeft laten zien, en plaats gekregen heeft in de collectie van den heer mr. Wurfbain, te Steeg, in Gelderland, geeft ons nog niet het recht, den Bandijsvogel tot onze avifauna te rekenen.