Vogelkiekjes/XXVII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXVI. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XXVII

XXVIII.


[ 88 ] [ 89 ]
 

XXVII.


Akkermannetjes.


Zie, op den mesthoop bij die boerderij ligt een dood vogeltje. Aan de witte en zwarte kleuren, en vooral aan den langen staart, die tijdens het leven van den vogel duizenden malen op en neer bewogen werd, zie je dadelijk, dat het een kwikstaartje is. We willen het diertje van wat naderbij bezien. Ho maar, 't is al te laat! Poes heeft het vogeltje al te pakken, en is reeds druk bezig, het een eerlijk graf in haar maag te bezorgen.

Zoo gaat het. Wanneer men zich afvraagt, waar toch al de vogels blijven, die hun natuurlijken dood sterven, en het zijn er duizenden per dag, dan heeft men niet zoo dadelijk het antwoord gereed; want bijna nimmer vindt men een cadavertje, ook niet in de steden, waar legioenen musschen en ander klein goed verblijf houden. 't Zijn daar vooral de katten, die den afgestorven vogels de laatste eer bewijzen. Dikwijls reeds worden de suffe diertjes al uit hun lijden geholpen, wanneer ze bezig zijn, een donker plaatsje te zoeken, waar ze hun natuurlijk einde zouden kunnen afwachten.

Doch ook op de landerijen ziet men niet dikwijls doode vogels. Daar zijn het de kleine carnivoren en de roofvogels, die zorg dragen, dat de aarde geen Hinnomsdal wordt. Alleen in zee drijven nogal eens vogellijken rond en aan het strand kan men na stormen meermalen vele voorwerpen vinden, hoofdzakelijk van zee-eenden en alkvogels.

We hebben het als een zegen te beschouwen, dat de [ 90 ] stervende en doode dieren zoo spoedig worden opgeruimd, en waar een enkel cadaver blijft liggen, daar zorgen wormen en kevers voor een bespoedigend proces. Aasgieren kunnen bij ons geen voedsel vinden, doch ze zouden hier stellig komen, wanneer men de riffen van doode paarden en andere groote dieren op het veld liet liggen.

Jammer, dat poes het doode kwikstaartje zoo spoedig wegnam. We hadden het zoo gaarne nader bekeken. Doch zie, op het bouwakkertje naast de woning trippelt een levend akkermannetje. In druk gedoe wipt het van kluit op kluit, en gedurig snapt het een vliegje weg, en telkens wipt de lange staart op en neer. Kwikstaart is dan ook wel een goed gekozen naam, en ter onderscheiding van andere soorten wordt deze, naar het hoofdzakelijk blank kostuum, Witte Kwikstaart (Motacilla alba L.) genoemd. Uit de meer plaatselijke namen, als: Akkermannetje, Bouwmannetje, Bouwmeestertje, Paardenwachtertje en Ploegdrijverke, blijkt reeds genoegzaam, dat dit vogeltje zich gaarne op de bouwakkers ophoudt.

Daar komt poes ook om het hoekje gluren en spoedig kruipt zij op tijgerachtige wijze in de richting van ons kwikstaartje. Mis, poes! Het doode vogeltje was gemakkelijke buit voor je, maar het vlugge, levende diertje met de scherpziende oogjes vliegt heen met boogsgewijze rukken, om op het andere einde van den akker weder even levendig als ijverig vervolger van allerhande vliegjes en vlindertjes op te treden. Zoo werkt het nuttig bij ons van Maart tot October, en maakt het zijn aardig nestje in Mei op verschillende plaatsen, zoowel onder molenkappen, in stroodaken en schermen, als in slootwallen en andere plaatsen.

[ 91 ] Op den doortrek komt meermalen bij ons voor de Rouwkwikstaart of Motacilla alba lugubris Temm., die wel op de Britsche eilanden en in Noordwestelijk Frankrijk broedt, en dadelijk te kennen is aan den geheel zwarten rug.

Maar we willen heden nog een Akkermannetje bezien en wel den Gelen Kwikstaart (Motacilla flava L.), die in de lage streken van ons land en vooral ook op de eilanden zoowat alom tegenwoordig is. Deze wordt ook Geel Bouwmannetje, Geelborstje en Koevinkje, en ook nog wel anders geheeten. Hoor, sjielp, sjielp! Ja, dat is hem. Met korte vleugelslagen en lange rukken vliegt hij om het hoofd, en nu hij zich even aan den wegrand nederzet, kunnen we het heldergeel van de onderdeelen mooi beschouwen. Zoo geel is het wijfje niet, dat stellig in de nabijheid zit te broeden, wat we uit de angstige geluiden en uit de ongedurigheden van het mannetje kunnen opmaken.

Klap eens even in de handen, en zie goed toe, of er een kleine vogel uit den slootwal wegvliegt! Jawel, daar gaat er een, en dadelijk wordt het bruin en grijsgele diertje door den heldergelen kwikstaart achtervolgd. 't Is niet gemakkelijk, zoo in den ruigen wal het nestje te ontdekken, maar nu we goed hebben gezien, van waar het wijfje opvloog, gelukt het spoedig.

Keurig is het nestje, vervaardigd van stroo en bekleed met paardenhaar, en hoe knusjes zit het verscholen tusschen het gras! Je zou zeggen, dat het vogeltje moeite moet hebben, het terug te vinden. Toch vergist het zich nimmer in de plaats.

Aardig liggen de vijf geelachtige, van grijze vlekjes [ 92 ] voorziene, eitjes in het nest. Maar zie, het eene ei is aanmerkelijk grooter, dan de vier andere. Juist, en dat groote ei is niet van den kwikstaart, maar van een koekoek, die de geelbuikjes tot pleegouders van een zijner kinderen gekozen heeft.

Over een paar weken zullen we eens zien, wat er van het legsel terecht gekomen is. We laten nu de vogeltjes met rust, die ook gaarne het broedsel, stellig is het 't tweede voor dit jaar, groot brengen, doch....? We nemen voor heden afscheid van de Akkermannetjes.