Vogelkiekjes/XXVI

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXVI. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XXVI

XXVII.


[ 85 ]

XXVI.


Vogels van edelen bloede.


Hoog stonden ze in aanzien, ook in ons land, de valken, waarmede men in vroegere eeuwen ter jacht toog. Edelen en jonkvrouwen liefkoosden de jachtvalken en gaven ze dikwijls de teederste benamingen, wanneer een ridderlijk weispel gehouden werd. En van zeer hooge waarde waren de valken.

Was het de hertog van Bourgondië niet, die in 1396 voor twaalf valken honderden edellieden vrijkocht, die bij Nicopolis door Sultan Bajesdid I krijgsgevangen gemaakt waren? Wat men voor goud niet verkrijgen kon, dat wist men met een dozijn valken te bewerkstelligen.

Bij gelegenheid dat de Fransche koning Filips Angustus de stad Akka, in Syrië, belegerde, vloog op de jacht een [ 86 ] zijner valken weg, en kwam in het bezit der Turken, die niet geneigd waren den vogel voor duizend goudstukken af te staan.

Keizer Karel V stond aan de Johannieters, die ook wel „Ridders van de Orde van Sint-Jan van Jerusalem" genoemd werden, het eiland Malta in volle leen af, onder de enkele voorwaarde, dat ze hem ieder jaar een jachtvalk leveren zouden.

Reeds in 700 voor Chr. moet de valkenjacht in MiddenAzië in zwang geweest zijn, wat de Chineesche jaarboeken vermelden. Pas 12 eeuwen later begon men er in Europa mede, en in de dagen der kruistochten kwam ze er tot hoogen bloei. Ook in ons land beoefende men deze jacht en de valkerij op Het Loo had wereldberoemdheid. De Nederlandsche valkeniers stonden in hoog aanzien, daar ze handig waren, zoowel in het vangen, als in het africhten van valken.

De dichter Van Lennep zingt in zijn „Nederlandsche Legenden" in „Jacoba en Bertha":


„Haar (Jacoba n.l.) volgde een aantal ed'le heeren,
 Op 't jachtvermaak belust,
Met boog en pijl en korte speren,
 Volkomen toegerust;
Terwijl de blijdste tochtgenoot,
 De kloosterheer, den trein besloot,
Gedost in jachtgewaad.
 Een witte valk, een edel dier,
Zat op zijn vuist en pronkte fier
 Met kap van inkarnaat."


't Blijkt hieruit, dat ook de Abt van Egmond, heer [ 87 ] Gerard van Ockenburg, die met bijna vorstelijke macht bekleed was, deelnam aan de ridderlijke valkenjachten. Het houden van jachtvalken was evenwel aan de Geestelijkheid verboden.

De Valkenjacht is geheel in onbruik geraakt. Alleen te Valkenswaard wonen nog een paar personen, die zich bezig houden met het vangen en africhten van valken, die dan wel door Engelschen gekocht worden. En wat voor valken het zijn, die voor het doel de gewenschte zijn? Vooreerst de Slechtvalk (Falco peregrinus Tunst), die ook wel Passagier en Noordsche Valk geheeten wordt, en zich des winters nogal bij ons vertoont. 't Is de Edelvalk uit den Riddertijd, waarvan het mannetje een lengte verkrijgt van 4 d.M., terwijl het wijfje 5 c.M. langer wordt. Deze soort kenmerkt zich door bijzonder lange teenen, waarvan de middelste 5 c.M. meet, alsmede door een groote, zwarte knevelvlek. De vederkleuren zijn zeer varieerend, vooral in de eerste levensjaren. Het volwassen kostuum geeft een donkerbruin op de bovendeelen en een fraai blauwachtig grijs met donkere dwarsbandjes op borst en buik.

't Is een echte roofvogel, de Slechtvalk, die zoowel hazen en konijnen als allerhande vogels aanvalt. Deze soort, die van zoo groote beteekenis was voor de valkeniers, werd dikwijls in Noorwegen door hen gevangen.

Het Smelleken (Falco aesalon Tunst.), de kleinste der valken, was eenmaal de lievelingsvogel van Keizerin Katharina II van Rusland, die hem vooral bezigde voor het vangen van kleine vogels. Ook elders in de valkerijen werd deze soort hiervoor afgericht. In moed en volharding evenaart dan ook geen der andere soorten [ 88 ] hem, en niet gemakkelijk ontkomt het vogeltje aan zijn vlugge bewegingen, dat hij als slachtoffer van zijn nimmer te verzaden honger uitverkoren heeft. 't Is overigens een mooi valkje, met een grijsachtig blauw bovenlijf. Boven de oogen heeft het een witte streep en zijn keel is ook wit. Zijn onderlijf is roestkleurig en voorzien van zwarte dwarsbandjes.

Beide de genoemde valksoorten broeden niet bij ons. Dit doet wel de Boomvalk (Falco subbuteo L.), die als Baillet bij de valkenieren bekend is, en elders in ons land ook Blauwe Wiekel en Stootvalk genoemd wordt. Hij kenmerkt zich door zeer lange vleugels, die in rust tot over den staart reiken, door een donkerblauwe kleur op rug en vleugels en door wit op voorhoofd en onderdeelen met zwartachtige lengtevlekken op borst en buik. Hij is mede een brutale roover, die niet licht muizen en insecten zal nemen, wanneer hij versch vogelvleesch kan bemachtigen. Op boomen maakt hij zijn nest, en de bijna kogelronde eieren zijn geelrood van grond, met donkerder vlekken. Voor de valkerijen was hij, wegens mindere vlugheid in het grijpen van vogels, niet zoo gezocht als andere soorten, en ook was hij minder verstandig en daardoor moeilijker af te richten.

Alleen in onze plaatsnamen Valkenswaard, Valkenberg, Valkeveen, Valkoog, Valkenhuizen en Valkenisse leven de herinneringen voort aan de grootheid en macht, vertoond bij de jachtvermaken der vroegere Edelen, bij wie de valken in zoo'n hoog aanzien stonden.