Vogelkiekjes/XXV

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXIV. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XXV

XXVI.


[ 82 ]

XXV.


Raafachtige vogels.


Wanneer iemand steelt „als een raaf", wordt hij tot de ergste dieven gerekend. Dit spreekwoordelijk geworden gezegde duidt wel degelijk een eigenschap aan van de raven, waartoe ook kraaien, kauwen en eksters gerekend worden. vooral van de ekster is het bekend, dat zij gaarne blinkende voorwerpen rooft en verzamelt.

Maar ook, wie nestelende raven, kraaien of kauwen in de nabijheid van zijne woning heeft, zal ondervinden, dat wollen stoffen op de bleek niet veilig zijn, en meer zaken zal men plotseling missen, van welk verdwijnen men misschien in stilte een dienstbode of iemand anders beschuldigen zal.

Wie de Raaf (Corvus corax L.) in haar stout liefdeleven wil leeren kennen, kan overal in ons land, waar bosschen van eenige uitgebreidheid zijn, terecht. Doch niemand stelle zich voor kolonies van raven te zullen aantreffen, want elk ravenpaar duldt geene soortgenooten in zijne nabijheid, zelfs niet op eenige mijlen afstands. Wie dus het geluk heeft een ravennest te ontdekken, behoeft in den omtrek naar geen tweede uit te zien. Het liefst [ 83 ] broedt de raaf, waar hooge bomen staan in de nabijheid van eenzame plaatsen, zooals heidevelden en moerassen, waar zij haar voedsel kan vinden.

In fiere vlucht nadert de raaf haar nest, dat men een horst zou kunnen noemen. Doch wanneer men bedenkt, dat de raaf bij de zangvogels is ingedeeld, zeker meer om de vormen, dan om liefdelijkheid van geluiden, dan willen we toch maar liever van ravennesten blijven spreken. Het begrip zangvogelhorsten wil er niet zoo dadelijk in. En ook, laten we ons wachten voor dergelijke zangvogels, want de raven durven wel een mensch aanvallen, zoo deze haar nest wat al te dicht nadert. En dan behoeft men de kracht van de raaf, die in den stevigen, eenigszins haakvormigen snavel een geducht wapen heeft, niet gering te schatten. Zelfs, als de vogel gewond is, durft hij zich nog hardnekkig verdedigen. Zoo'n raaf is ook aanmerkelijk grooter dan de alom bekende bonte kraai. Hare lengte, gerekend van snaveltip tot staarteinde, bedraagt bijna 6 d.M.

Bij het beoordeelen van een vogel springt bij den een meer deze, bij den ander gene eigenschap op den voorgrond. Daaraan ook is het toe te schrijven, dat de raaf met haar mooi glanzig zwart vederkleed, waarin vele groene en violette kleurschakeeringen op te merken zijn, b.v. bij de oude Scandinaviërs gold als een zinnebeeld van moed, terwijl de Romeinen in haar zagen een onheilsbode, daar zij meer op het roofzuchtige van den vogel het oog hadden. Ook aan deze eigenschap is het toe te schrijven, dat de raaf voor ons land zeldzamer gaat worden, want men vervolgt haar zooveel mogelijk.

Wilt ge een raafachtigen vogel zien, die in alles veel [ 84 ] gelijkt op de raaf, doch aanmerkelijk kleiner is, beschouw dan maar de zwarte kraai (Corvus corone L.), die elk voorjaar in bijna alle bosschen en boschjes van ons land nestplaats heeft. Moedig en gracieus stapt de mooie, glimmende zwarte vogel daarheen, en als het zonnelicht hem beschijnt, ziet men allerlei schakeeringen tusschen metaalblauw en goudgroen met violet en purper. De kraai broedt even ongezellig als de raaf, en in euveldaden doet zij niet voor haar onder. Als de honger nijpt, durft ze wel kippen, eenden, patrijzen en andere vogels aanvallen, en wee den armen vogels, die het des winters door de koude wat te kwaad krijgen! Meedoogenloos worden ze door de zwarte rakkers, hierbij trouw bijgestaan door de bonte kraaien, omgebracht. Gelukkig nog weer, dat de kraaien zich ook voeden met muizen, wormen en insecten, waardoor de hefboomsarm der schade weer aanmerkelijk omhoog gebracht wordt.

En nu willen we nog even bezien een klein raafje, dat we zeker wel allen kennen, want het woont met en bij ons, zoowel in steden en dorpen, als bij de alleenstaande huizen, terwijl we het in gezellig en druk gedoe dikwijls op de landerijen kunnen vinden, en, in afwijking van den gewonen ravenaard, in troepen bijeen. Trouwens, de zwarte kraai vereenigt zich ook wel in vluchten, doch alleen in den trektijd en niet tijdens het broeden. Dan leeft elk kraaienpaar in zelfgenoegzaamheid. Doch ons kleintje is altijd gezellig, vroolijk en onrustig van aard, en in gevangenschap is het spoedig tam en vertrouwelijk. Bedoeld wordt de Kauw (Coloeus monedula spermologus [Vieill.]). Door het verorberen van granen en vruchten bezorgt zij den menschen wel eenige schade, maar veel [ 85 ] meer nut doet zij door het eten van allerlei insecten. We laten ons Kauwtje, dat we dadelijk kennen aan het witachtig grijs van hals en nek, maar stil begaan, wanneer het nest komt maken op de schoorsteenen van onze huizen, op kerken en bouwvallen of in de holle boomen. Haar helder en schel ka-geluid is niet leelijk, al kenmerkt het ook den zangvogel niet. We nemen afscheid van de raafachtige vogels met den wensch, dat ze ook om hun diefachtigen aard niet al te veel vervolgd worden. Ze passen in de Natuur, en daarin moeten alle vormen zooveel mogelijk blijven voortbestaan.