Vogelkiekjes/XXXII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXXI. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XXXII

XXXIII.


[ 106 ]

XXXII.


Patrijzen en Kwartels.


Weet ge, waarom de patrijzen altijd zoo laag bij den grond vliegen? En weet ge, waarom deze beminde jachtvogel den Latijnschen naam van Perdrix gekregen heeft? Sage en volksgeloof zeggen het ons.

Perdrix was de zoon van Daedalus' zuster, die door deze uit ijverzucht van den toren van Minerva's tempel werd geworpen. Minerva evenwel had medelijden met den jongeling en veranderde hem bij zijn val in een patrijs. De naam Perdrix bleef behouden en, bevreesd zijnde voor den val, durft de vogel zich nog altijd niet hoog boven den grond begeven.

De namen Perdix en Perdrix komen beide voor, en de gewone patrijs, die ook veldhoen heet, wordt wetenschappelijk Perdix perdix (L.) of Perdix cinerea (Temen.) genoemd. Dat deze vogel nauw verwant is aan onze [ 107 ] hoenders, blijkt wel dadelijk uit den kleinen kop, waarvan de snavel eenigszins gekromd is, en verder uit het geheele model, alsmede uit den van een krop voorzienen slokdarm. Ook vindt men bij de mannetjes meermalen sporen aan de pooten.

Wie „Teun de Jager" van Hildebrand kent, weet, dat de Patrijs een begeerde jachtvogel is, maar ook, dat hij, in koppels neervallende en telkens weer opvliegende, sarrend voor den jager kan zijn, zoodat in het verhaal Teun niet aan den wensch van Zijtje heeft kunnen voldoen.

De jagers doen evenwel hun best „kluchten" patrijzen op hunne jachtvelden te fokken, en gaarne hebben ze er wat voor over, wanneer de landgebruikers nesten en jongen zooveel mogelijk sparen. En sterk kan deze vogelsoort voorttelen. Meermalen heeft men nesten met 15 à 20 eieren gevonden en elk wijfje legt minstens 12 eieren, groenachtig grijs en een weinig rose getint. Het nest is net dat van een kip: een met droog gras belegd kuiltje in den grond. Dadelijk na de geboorte verlaten de jonge patrijsjes het nest, en ze worden dan door de moeder gebracht naar goede voedselplaatsen. Vooral de mierenhoopen worden uiteen gekrabd en de mierenpopjes laten zich goed smaken. Bij duisternis of gevaar spreidt de oude patrijs de vleugels uit en de jongen nemen er gaarne plaats onder, evenals de kippenkuikentjes dit onder de kloek doen. Allemaal eigenschappen, die verwantschap met de hoenders aanduiden.

De patrijzen houden zich ook gaarne op op graanvelden en bouwakkers, maar dat zien de boeren niet graag, omdat deze vogels zich zooveel met zaden, als met [ 108 ] insecten voeden. Doch ook verblijven ze veel op heidevelden en op open plekken in bosschen. Ze wonen het liefst in de nabijheid der broedplaatsen en dan familiegewijze, doch wordt hier geen voldoend voedsel meer gevonden, dan verplaatsen zij zich, en men ziet ze dan ook wel enkele malen in troepen rondzwerven. Ze zijn spoedig kenbaar aan de grijze, van bruinroode dwarsstrepen voorziene, ruggen, en aan de grijze onderdeelen. De mannetjes hebben gewoonlijk een kastanjebruine vlek op het midden van de borst. In den paartijd leveren de mannen hevige gevechten. De jagers spreken van Trek- en Bergpatrijzen. Trekvogels zijn het evenwel niet.

Enkele malen is een vreemdsoortige patrijs bij ons geschoten, nl. een Roode Patrijs (Cacabis rufus [L.]), die meer in het Zuiden van Europa leeft en soms naar hier verdwaalt.

Een aardig doch schuw patrijsje is de Kwartel (Coturnix coturnix [L.]), ook Wachtel en Kwakkel genoemd. Men ziet hem niet dikwijls, daar hij zich gewoonlijk verscholen houdt tusschen graan- en grashalmen. Maar gedurig hoort men den veel bezongen kwartelslag, die weergegeven kan worden door „kwik-me-dit", en vooral ook des avonds wordt dit geluid herhaaldelijk gehoord. Uit den vorm van het kwarteltje blijkt dadelijk de nauwe verwantschap met den patrijs. Vooral het kleine kopje is mooi, inzonderheid wanneer het is opgericht en de heldere rood-bruine oogen uitzien naar den buit. Het vederkleed is eenvoudig. Het bruine bovenlijf is bedekt met menigvuldige roestkleurige strepen en de witte buik verloopt naar de zijden en naar beneden mede in een roestkleur.

[ 109 ] De kwartel legt veel later in het jaar eieren dan de meeste andere vogels. Het kreupelrijmpje:

 „In de maand van Mei
 Leggen alle vogels een ei,
 Behalve de kwartel en de spriet,
 Die leggen in de Meimaand niet,
 Maar in de hooibejouw
 En dan krijgen ze berouw".


zegt het ons. Het berouw ziet daarop, dat menig nest in den hooitijd door des maaiers zeis verloren gaat. De 12 à 16 eieren zijn mooi glanzig, lichtbruin van kleur en bedekt met donkerbruine stippen en vlekken. De jonge kwarteltjes groeien snel, wat met het oog op het reeds spoedige vertrek naar de winterkwartieren, goed te pas komt. Want de kwartel, die pas in Mei in deze streken komt, gaat in September reeds weder naar het Zuiden van Europa, waar talrijke exemplaren gevangen worden.

Ook bij ons worden wel kwartels gevangen, door bij korenvelden netten uit te spannen. Met een zoogenaamd kwartelbeentje wordt het geluid van de wijfjes nagebootst. De mannetjes worden hierdoor gelokt en vliegen in het net, zoodat ze levend gevangen worden.

Het gezegde „doof als een kwartel" is overal bekend. Toch is de kwartel niet hardhoorend. In den broedtijd evenwel verkeert het wijfje in een staat van verdooving, en blijft meermalen op het nest, wanneer men er bij postvat. En daar zal het spreekwoordelijk geworden gezegde wel vandaan komen.