Naar inhoud springen

De Génestet/De Hertogin van Orleans

Uit Wikisource
← De handdruk De dichtwerken van P.A. de Génestet (1877) door P.A. de Génestet

De Hertogin van Orleans

Alarmisten →
Uitgegeven in Amsterdam door Gebroeders Kraay.

[ 77 ]

DE HERTOGIN VAN ORLEANS

1848.



 Gij alleen waart Koningin,
Bij het spatten van hun kronen,
 Bij ’t uiteenslaan van ’t gezin,
Bij het kraken van hun tronen;
 Gij, vol moed en moedermin,
Midden tusschen al de dolken
 Van de fijnstgeslepen taal,
Bij den oproerkreet der volken,
 Bij het dreigen van hun staal!

 Midden tusschen al ’t geschreeuw,
Kalm en zwijgend – maar welsprekend!
 Vorstenmoeder, Koningsweeûw,
Door den vinger Gods geteekend
 In het midden van uw eeuw,
Om de smaadheid, om de vlekken
 Der verworpen majesteit
Met den mantel te overdekken
 Van uw koningsheerljkheid!

 Smeekend, zeegnend stondt gij daar,
Als een vredeboô verrezen,
 Bij ’t dringen van ’t gevaar:
Laat mij Frankrijks engel wezen,
 En dit kind..., uw martelaar!
Schooner nog dan in die dagen,
 Toen, omstraald van Juliglans,
’t Land der riddren roem mocht dragen
 Op de Bruid van Orleans!

 Schooner nog dan toen weleer,
Om de wieg van d’ eerstgeboren,
 ’t Zegelied van vrede en eer
[ 78 ]Zich uit Frankrijks hart deed hooren
 Voor zijn lievling en zijn Heer!
Thans!.... die volksstem brult
 Verwoeder, Ongewisser dreigt de kans....
Luider spreekt de stem der moeder
 En der Weeûw van Orleans!

Maar dat moederlijke bloed
 Moest wel tot den einde vloeien
Met een onversaagden moed,
 En die vrouweboezem gloeien
Van een koninkljken gloed...
 Anders, telg der Julidagen,
Kost gij wenschen, dat uw zoon
 Op zijn hoofdje ’t wicht zou dragen
Van een Februarikroon?

 Moeder! zoo gij ’t eischen dorst,
0, gij wist, dat ge in uw armen
 Niet het sieraad van uw borst,
Maar het heilge moet beschermen,
 Maar het weesje van uw Vorst!
En, bij ’t stormen der gevaren,
 Kroost en volk en vorsten saam
Eên herinring grootsch bewaren
 Aan een grooten, dierbren naam!

 Koningszoon, van God verhoogd,
Eer een kroon u ’t hoofd zou drukken
 Wier gewicht gij nimmer woogt,
Hebt gij-zelf in zielsverrukken
 Uwer weduw traan gedroogd?
Was ’t uw blik die haar bestraalde
 Toen, in haar, uw vorstenzon
Koninklijker nederdaalde
 Dan zij immer rijzen kon!

 Ja, zijn geest, o bleeke vrouw,
Streed met u dien strijd der smarte:
 „Wees, mijn gade, wees getrouw!”
[ 79 ]Klonk het in uw biddend harte,
 Klonk het in dien nacht van rouw!
Hij was ’t, die u sterkte en steunde,
 Tusschen vloek en lofgeschal,
Toen een halve wereld dreunde
 Van dien daverenden val!

 Lelie, waar de ceder viel,
Beur uw stengel naar de wolken!
 Dat het kroost der vorsten kniel’
Voor de Goden hunner volken –
 Vlekloos blijve uw vorstenziel;
En uw naam zal heerlijk suizen
 Door de jongste orakelblaên,
Over ’t puin der koningshuizen
 Als een koning zal hij gaan!

 Waar de balling werven moet,
Met een kroon van schimp beladen,
 Slechts door ballingen gegroet;
Waar hij, op zijn vreemde paden,
 Geen getrouwen meer ontmoet;
Waar zijn broederen hem honen,
 Waar zijn voet zich scheuren zal
Aan de splinters van hun tronen,
 Neergesmeten door zijn val;

 Waar geen eigen graf hem wacht,
Waar de Pyreneën schateren:
 Sluwe staatsman, waar uw macht?
En alleen ’t geruisch der wateren
 Klagende antwoordt op zijn klacht;
Waar op Frankrijks kluchttooneelen,
 ’t Zedelooze volk ten spot,
’t Grijze hoofd een rol zal spelen
 Wreeder dan op ’t moordschavot....

 Gij, vorstin in ’t rouwgewaad.
Laat de vrije volken handelen
 Naar des hoogsten Konings raad,
[ 80 ]Door de volken zult gij wandelen
 Zonder wrok en zonder smaad!
Heil den bodem, heil den koning,
 Waar die koningsdochter huist!
Vrede dier onschendbre woning,
 Vrede, waar dat rouwkleed ruischt!

 Paarlen der welsprekendheid
Op dien rouw, o Lamartine,
 In bewondering gespreid!
Dat uw naam geen vloek- verdiene
 Dier verheven majesteit!
Haar uw lauwren, volksgenieën,
 Heldenmuze, haar uw klacht,
Koningszonen, buigt de knieën,
 Vrije volken, houdt de wacht:

 Voor haar wijkplaats houdt de wacht,
Als op nieuw de driften wrokken,
 Als in éénen wreevlen nacht –
Weer die grijze tronen schokken
 Door een onweerstaanbre kracht!
Als voor woede- en lasterkreten
 Voor het spottend handgeklap,
Gij geen heul of heil mocht weten,
 Koningsbloed en koningschap....

 Weduw, wandel over ’t puin
Van ’t paleis, in asch verzonken,
 En het ingestort arduin;
Want een stemme heeft geklonken
 Om uw opgeheven kruin:
Deze koningsweeûw is heilig,
 Zuiver van de vorstenblaam:
Deze koningsweezen veilig
 In de schaduw van haar naam!