De Lotgevallen van Tom Sawyer/Hoofdstuk V

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Lotgevallen van Tom Sawyer
Hoofdstuk I · Hoofdstuk II · Hoofdstuk III · Hoofdstuk IV · Hoofdstuk V · Hoofdstuk VI · Hoofdstuk VII · Hoofdstuk VIII · Hoofdstuk IX
Hoofdstuk X · Hoofdstuk XI · Hoofdstuk XII · Hoofdstuk XIII · Hoofdstuk XIV · Hoofdstuk XV · Hoofdstuk XVI · Hoofdstuk XVII · Hoofdstuk XVIII
Hoofdstuk XIX · Hoofdstuk XX · Hoofdstuk XXI · Hoofdstuk XXII · Hoofdstuk XXIII · Hoofdstuk XXIV · Hoofdstuk XXV · Hoofdstuk XXVI · Hoofdstuk XXVII
Hoofdstuk XXVII · Hoofdstuk XXIX · Hoofdstuk XXX · Hoofdstuk XXXI · Hoofdstuk XXXII · Hoofdstuk XXXIII · Hoofdstuk XXXIV · Hoofdstuk XXXV · Hoofdstuk XXXVI


Hoofdstuk V.[bewerken]

Om halfelf begon de oude klok van het kleine stadje te luiden en aanstonds stroomde de goegemeente naar de morgendienst. De kinderen van de Zondagsschool verspreidden zich in het gebouw en bezetten de banken met hun ouders, zodat ze behoorlijk onder toezicht waren. Tante Polly kwam, gevolgd door Tom, Sid en Marie. Tom werd naast de koorgang geplaatst, zodat hij zo ver mogelijk van het open raam en de verleidelijke zomertoneelen daar buiten was. De schare trok op naar de zijvleugels; de oude en behoeftige postmeester, die betere dagen gekend had; de Mayor en zijn vrouw - want men had te St. Petersburg, onder andere overtolligheden, ook een Mayor: de kantonrechter; de knappe, opgedirkte, veertigjarige weduwe Douglas, een goedhartige ziel die er warmpjes inzat en wier op de heuvel gelegen herenhuis het enige paleis van de plaats was, het minst bekrompen huis waarop St. Petersburg kon bogen, als ’t op feesten geven aankwam; de gebogen en eerwaardige burgemeester met zijn echtgenoot; de advocaat Riverson, de nieuwe notabele; daarna de schoonheid van het stadje, gevolgd door een troep met prachtige overhemden pronkende hofmakers, toen enige jeugdige stedelijke ambtenaren, die terwijl ze op de knoppen van hun wandelstokken zogen, in het voorportaal een ronde muur van gepommadeerde en glimlachende bewonderaars hadden gevormd, totdat het laatste meisje de revue gepasseerd had; en eindelijk de modeljongen, Willie Mufferson, die zo zorgvuldig op zijn moeder past. Hij vergezelde zijn mama altijd naar de kerk en was de trots van alle matronen. De jongens echter haatten hem, omdat hij zoo braaf was en nog meer omdat hij steeds als voorbeeld werd aangehaald. Zijn witte zakdoek hing. als iederen zondag, toevallig uit de zak van zijn buis. Tom had geen zakdoek; hij noemde het dragen van zulk een weeldeartikel “kwasterig.”

Toen de gemeente vergaderd was, werd de klok nog eens geluid om de tragen en talmenden te waarschuwen, en daarop ontstond er een plechtige stilte in de kerk, nu en dan afgewisseld door het gegiegel en gefluister van de koorjongens op de galerij. Koorknapen giegelen en fluisteren gewoonlijk den hele dienst door. Ik ken maar één plaats, waar dat niet het geval was, maar ik ben vergeten waar die ligt. Het is ook veel, heel veel jaren geleden, sinds ik daar was en ik herinner mij er nauwelijks iets meer van; alleen ligt mij flauw bij, dat het ergens in het buitenland was.

De predikant gaf het gezang op en las het voor met innig zelfbehagen en op een eigenaardige wijze, die in die streek zeer bewonderd werd. Zijn stem, begonnen in een gemiddelde toon, klom gestadig, totdat zij een zeker punt bereikt had (meestal het voorlaatste woord van de regel en plofte dan onmiddellijk als de straal van een fontein naar beneden) aldus:

Mark Twain De Lotgevallen van Tom Sawyer written phragment.gif

Hij werd beschouwd als een puikjuweel in de kunst van voorlezen. Op godsdienstige bijeenkomsten werd hij altijd uitgenodigd om te reciteren, en zodra hij zijn stem verhief, sloegen de dames de handen ineen, on ze daarna machteloos in hun schoot te laten vallen, keken met zwemmende ogen naar boven en schudden het hoofd, alsof ze wilden uitroepen: “Woorden kunnen het niet weergeven; het is te schoon, te schoon voor deze wereld!”

Nadat het lied gezongen was, nam de eerwaarde heer Sprague het bulletin in de hand en las de kennisgeving voor van alle vergaderingen, bijeenkomsten enz. die er in die week plaats zouden hebben, een lijst die tot den jongste dag scheen te duren. Deze zonderlinge gewoonte wordt nog altijd in Amerika gevolgd, zelfs in grote steden en in een eeuw waarin het nieuwsbladen regent. ’t Gebeurt echter vaker, dat een oud gebruik, naarmate het minder te rechtvaardigen is, te moeilijker schijnt afgeschaft te kunnen worden.

En nu begon de dominee te bidden — een goed, grootmoedig gebed, waarin niets werd overgeslagen. Hij bad voor de kerk en voor de kinderen van de kerk; voor de andere kerken van de stad; voor de stad zelf; voor het district; voor de Staat; voor die dienaars van de Staat; voor de Verenigde Staten; voor de kerken van de Verenigde Staten, voor het Congres; voor de President, voor de andere leden van de regering; voor de arme zeevaarders, die op onstuimige wateren geslingerd worden; voor de miljoenen, die onder Europese monarchie en Oostershe dwingelandij zuchten; voor hen die, ofschoon in het licht van het Evangelie geboren, geen ogen hebben om te zien en gene oren om te hooren; voor de heidenen op de verre eilanden in de zee; en hij eindigde met een smeekbede, dat de woorden, die hij zou spreken, in genade mochten worden aangenomen en als het zaad mochten zijn, dat in vruchtbare aarde word geworpen en te zijner tijd een heerlijke oogst van Godzalige vruchten zal afwerpen. Amen.

Nu volgde een geruis van japonnen en de staande vergadering ging zitten.

De knaap, wiens geschiedenis in dit boek verhaald wordt, putte geen geestelijk genot uit de preek; hij droeg die als een kruis — en niet altijd met geduld. Hij deed zijn best om stil te zitten en hield onbewust aantekening van alle bijzonderheden, waarin de preek afdaalde; want ofschoon hij niets met aandacht volgde kende hij het terrein en de weg, die de predikant nam, sedert lang — en wanneer er maar iets nieuws werd ingelast, ontdekte zijn oor dat, en zijn hele gemoed kwam er tegen in opstand. Elke toevoeging was in zijn schatting oneerlijk en schelmachtig.

Midden onder de preek, had een vlieg zich achter tegen de vóór hem staande bank neergezet en dat beestje werd een kwelling voor zijn ziel. Het wreef zich de pootjes zo kalm tegen elkaar, en nam zijn kopje tussen de voorpoten en poetste dat met zoveel geweld, dat dit lichaamsdeel op het punt scheen de romp vaarwel te zeggen en het nekje, als een draad te kijken kwam; het schuurde zijn vleugeltjes met de achterpootjes en streek die zoo glad tegen het lichaam, alsof ze de panden waren van een rok en maakte zijn toilet zoo rustig, alsof het wist dat het volkomen veilig was. En dat was het ook; want ofschoon Toms handen jeukten om het te grijpen, durfde hij dit niet ondernemen, daar hij in de overtuiging leefde, dat hij verloren was, wanneer hij zoiets deed, terwijl het gebed aan de gang was. Maar toen dit op een eind liep, begon zijn hand zich te krommen en ging zachtjes vooruit; en zodra het “amen” weerklonk, was de vlieg gevangen. Doch tante ontdekte het en liet Tom haar de vrijheid hergeven.

De dominee las een tekst voor en was in zijn preek zó eentonig en droog, dat menig hoofd zich te sluimeren neigde, en toch spuwde hij in zijn rede vuur en vlam en dreigde het uitverkoren Godsvolk met hel en verdoemenis. Tom had de gewoonte de bladen van de preek na te tellen. Na kerktijd was ’t hem altijd bekend hoeveel pagina’s er omgeslagen waren doch meestal was dat ook het enige, wat hij van de rede onthouden had. Ditmaal echter werd zijn aandacht voor een kort ogenblik geboeid. De predikant schetste prachtig en treffend hoe het zijn zou in de welaangename tijd van het duizendjarig rijk, als de leeuw en het Lam te zamen zouden nederliggen en een klein kind hen zou leiden. Maar het verhevene, de lering en de moraal van dat grootse schouwspel gingen voor de knaap verloren; hij dacht alleen aan de heerlijkheid van het toneel voor de toeschouwende natiën; en zijn gelaat glansde van verrukking bij het denkbeeld, dat hij dat kind mocht zijn, als de bedoelde leeuw maar een tamme was.

Toen evenwel het dorre hoofdonderwerp weer werd opgevat, verviel hij opnieuw in een toestand van duldend dragen. Opeens schoot hem in de gedachten, dat hij een schat bij zich had en deze werd voor de dag gehaald. Het was een grote zwarte kever, met een puntige bek, die hij met de naam van “bijtende tor” bestempelde. Die “bijtende tor” was geborgen in een percussie-doos. Zodra de doos openging, pakte de kever hem bij de vinger en beet hem. Daarop werd het beest natuurlijk weggeknipt en de kever vloog door de kerk en viel daarna op de rug, terwijl Tom den zere vinger in de mond stak.

Intussen bleef het diertje hulpeloos liggen, niet in staat zich om te keren. Tom oogde hem met een blik vol verlangen na, maar de kever was buiten zijn bereik. Andere lieden, wier gedachten van de preek afgedwaald waren, vonden een gewenste afleiding in de kever en gingen eveneens diens bewegingen gadeslaan.

Daar kwam eensklaps druipstaartend en met hangende oren, een verdwaalde poedel de kerk binnensluipen. Hij ziet de kever; de neerhangende staart gaat in de hoogte en begint te kwispelen. Hij neemt de buit in ogenschouw, loopt er omheen, beruikt hem op behoorlijke afstand, loopt er nog eens omheen, wordt moediger en beruikt hem iets meer van nabij, opent zijn bek, waagt behoedzaam een poging on hem te grijpen en mist zijn doel, waagt een tweede poging, daarna een derde, begint er schik in te krijgen, tracht de kever tussen zijn poten te vangen, maar wordt moe van het vruchteloos werk en gaat er bij zitten. De slaap bevangt hem; hij laat de kop hangen en zoetjes aan sukkelt zijn kin naar beneden, totdat zij met de puntige bek in aanraking komt en een beet krijgt van het dier. Daarop volgt een luid gejank, een snelle beweging van poedels kop en de kever vliegt weg, on terstond weer op zijn rug terecht te komen.

De in de buurt zittende toeschouwers schudden inwendig van het lachen. Verscheidene gezichten werden achter waaiers of in zakdoeken verborgen en Tom zat zich bovenmate te verkneuteren. De hond zag er uit, alsof hij niet wist hoe hij het had, en wist dat waarschijnlijk ook niet. Er was toorn in zijn hart en hij dorstte naar wraak. Daarom ging hij nogmaals naar de kever toe en hernieuwde omzichtig de aanval, sprong gedurig in een cirkel op hem toe, trachtte hem op een duimbreeds afstand met zijn voorpoten te pakken, hapte naar hem en gooide met zijn kop, totdat hij er duizelig van werd. Weldra echter werd hij het spelletje moe en zocht hij zich met een vlieg te vermaken. Toen vervolgde hij, met zijn neus vlak op de grond, een mier en kreeg ook daar al heel spoedig zijn bekomst van; hij gaapte, zuchtte, vergat de kever en ging er op zitten! Geen seconde later verhief zich een oorverdovend geblaf in de kerk en de hond rende door de ruimte. Het geblaf hield aan en de hond bleef aan ’t rennen; hij vloog dwars door de kerk, langs de ene vleugel, toen weer naar de andere vleugel, liep voor de deuren op en neer, jankte luide alsof hij voor het huis van zijn baas stond en binnengelaten wilde worden. Zijn angst nam toe, naarmate hij rondliep, totdat hij op een komeet leek, die met de snelheid van het licht schitterend voortholt op haar baan. Eindelijk staakte het razende dier zijn woeste vaart en sprong op de schoot van zijn baas, die hem uit het venster wierp, en het geluid der klagende stem verzwakte on eindelijk in het verschiet weg te sterven.

Intussen zat de hele kerk met gloeiende wangen en bijna stikkende van het lachen, dit toneel aan te staren en de dominee moest zijn redevoering voor een ogenblik staken. De preek werd weer hervat, maar zij ging gebrekkig en hakkelend voort, en alle pogingen om indruk te maken waren vergeefs. Zelfs de ernstigste zaken werden met een onderdrukte uitbarsting van zondige vrolijkheid door de achter de rug der banken wegschuilende vergadering aangehoord, alsof de arme man iets bijzonders grappigs had verteld.

Het was een ware verlichting voor de hele gemeente, toen de vuurproef doorstaan en de zegen uitgesproken was. Tom verliet vrolijk en opgewekt het godshuis en overlegde bij zichzelf, dat kerkgaan nog zo vervelend niet was, indien er, zoals vandaag, een kleine afwisseling in kwam. Er was maar een gedachte die hem kwelde: hij had er niets op tegen, dat de hond met de kever speelde doch hij vond het vals van de poedel dat hij hem meegepakt had.


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (De Lotgevallen van Tom Sawyer/Hoofdstuk V) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.