De Stijl/Jaargang 1/Nummer 5/De nieuwe beelding in de schilderkunst

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De nieuwe beelding in de schilderkunst [5]
Auteur(s) Piet Mondriaan
Datum Maart 1918
Titel De nieuwe beelding in de schilderkunst. IV. De redelijkheid der nieuwe beelding
Tijdschrift De Stijl
Jg, nr, pg 1, 5, 49-54
Opmerkingen Vervolg op De nieuwe beelding in de schilderkunst. IV. Beeldingsmiddel en compositie; Baruch Spinoza vermeld als Spinoza, Wassily Kandinsky als Kandinsky
Brontaal Nederlands
Bron Digital Dada Library
Auteursrecht Publiek domein

[49]


[...]


DE NIEUWE BEELDING IN DE SCHILDERKUNST.

DOOR PIET MONDRIAAN. IV. DE REDELIJKHEID DER NIEUWE BEELDING.

Al openbaart de nieuwe beelding in de schilderkunst zich enkel en alleen door de eigene kunstuiting zelve — het kunstwerk toch behoeft ten eenen male geen verklaring in woord — zeer veel omtrent de nieuwe beelding kan door het woord tot direkte uiting komen, zeer veel kan door beredeneering tot klaarheid worden.
Kan de spontane uiting der intuitie, welke het kunstwerk realiseert (m.a.w. de geestelijke inhoud er van) slechts door de woordkunst vertolkt worden (zie inleiding bldz. 3) — er is nog het woord zonder kunst, de beredeneering, de logische verklaring, waardoor de redelijkheid van een kunstuiting aangetoond kan worden.
Daarom is het zeer wel mogelijk dat de kunstenaar van heden het woord voert over zijn eigen kunst.
En thàns, nu het nieuwe in de beelding nog nieuw, nog weinig algemeen bekend is, is het zelfs noodzakelijk dat juist de kunstenaar zelf dit doet — làter kan de filosoof, de wetenschappelijke, de theoloog, en wie dan ook, hem, zoo mogelijk, completeeren en verbeteren. Thàns is de eigene werkwijze slechts helder en klaar voor hen die al arbeidende daartoe kwamen. 1)
Al groeiende en al culmineerende zal het nieuwe voor zich zelf spreken, zich zelf verklaren — evenwel is het billijk, dat door buitenstaanders thans naar verklaring van den nieuwen kunstvorm gevraagd wordt en logisch, dat de kunstenaar, na het ontstaan van het nieuwe, zich daarvan tracht bewust te worden.
Want het bewuste in de kunstuiting is mede een kenmerk van het nieuwe van heden: de kunstenaar is niet langer een blind werktuig der intuitie. In het kunstwerk domineert niet meer het natuurlijk gevoel: hij is uiting van geestelijk gevoel — d.i.


1) Een waarachtig criticus kan — enkel door diep mensch te zijn en door zuiver te zien — ook zonder bekend te zijn met de werkwijze, over den nieuwen kunstvorm schrijven — doch een waarachtig criticus is zeldzaam!

49


[50]


van rede en gevoel in-eenen. Dit geestelijk gevoel staat uit zijn aard open voor verstandelijkheid, hetgeen verklaart dat het voor zich zelf sprekend is, dat naast de gevoelswerking die van het verstand naar voren komt in den kunstenaar.
Zoo heeft de kunstenaar van heden een dubbel arbeidsveld te bewerken, of beter, het arbeidsveld van den kunstenaar, dat voorheen vaag ineensmolt, komt thans in bepaaldheid naar voren. Hoewel op dit arbeidsveld het kunstwerk als van zelve, als buiten hem, groeit, heeft hij dit arbeidsveld te bewerken — vòor en nà den groei.
Is hij zich bewust geworden van de gevonden groeiwetten, zoo kan het niet anders of hij moet voor het goede recht dezer wetten opkomen: de bewustheid versterkt de intuitieve aanvoeling dezer wetten zòodanig, dat hij ze met zekerheid omschrijven kan.
Die wetten van groei zijn een aesthetische openbaring der waarheid, en de waarheid heeft nu eenmaal de eigenschap van zich te getuigen — ook door het woord. De waarheid openbaart zich van zelf, zegt Spinoza, doch door het woord van de kennis der waarheid verklaart en versterkt worden.
De waarheid dan openbaart zich — en dit is het schoone van het leven, dat de waarheid steeds onbewust gewaardeerd, en elk harer openbaringen ten slotte erkend wordt — al heeft het ook den schijn van niet.

De kunstenaar van heden geeft dus een verklaring omtrent, niet van zijn werk.
Verklaren vordert krachtsinspanning, doch bevordert ook tevens de eigen ontwikkeling. Verklaren houdt in: zelf klaarheid verkregen te hebben langs den weg van gevoel en verstand, al arbeidende en denkende over het door den arbeid bereikte. Verklaren beteekent: bewustheid verkregen te hebben, ook door wrijving van gedachten — door strijd. Zoo maakt dus verklaren omtrent de beelding deze indirekt dieper en meer exact.

Onder hetgeen aan te toonen is betreffende de nieuwe beelding neemt de redelijkheid der nieuwe beelding een eerdte plaats in. Want het is vooral de redelijkheid van iets, wat de moderne mensch zich afvraagt. De redelijkheid van de nieuwe beelding als kunst in het algemeen moet hem duidelijk zijn, maar ook hare redelijkheid als kunst voor dezen tijd.

Definieeren we de nieuwe beelding als aesthetische beelding van het universeele in bepaaldheid of als direkte (aesthetische) uitdrukking van het universeele door subjectieve verwerking van het universeele (zie inleiding) zoo voldoet zij aan de grondvoorwaarden van alle kunst.
Alle kunst is min of meer directe, aesthetische uitdrukking van het universeele. In dit min of meer ligt een graadverschil opgesloten, en juist dit graadverschil (voortkomende uit de subjectieve verwerking van het universeele) is het, wat de nieuwe beelding tot de meest zuivere kunstopenbaring verheffen kan.
De subjectiveering van het universeele is betrekkelijk — ook in kunst. Es is een groote klimming in het subjectieve in den mensch (evolutie) m.a.w. er bestaat bewustzijnsgroei, bewustzijnsverruiming. Het subjectieve blijft wel het subjectieve, doch het verliest in subjectiviteit naarmate het objectieve (universeele) zich

50


[51]


ontwikkelt in het individu. Als de groote sprong (denk aan mutatie) van het subjectieve tot het objectieve, van het individueel-zijn tot het universeel-zijn eenmaal gemaakt is, houdt het subjectieve eerst op te bestaan 2), doch daarvòor vertoont zich een graadverschil in subjectief-zijn.
Dit graadverschil nu is de oorzaak van het verschil in kunstuiting: door dit graadverschil is de nieuwe beelding, als meest direkte aesthetische openbaring van het universeele, mogelijk in een nog subjectieven tijd.

De subjectiveering van het universeele in kunst haalt, eenerzijds, het universeele naar omlaag — ànderzijds maakt het juist de verheffing van het individu tot het universeele mogelijk.
De subjectiveering van het universeele — de kunstuiting — kan òf de verhouding van het tijdsbewustzijn tot het universeele, òf de verhouding van het tijdsbewustzijn tot het gewone leven, tot het individueele, beelden. In het eerste geval is de kunst waarlijk religieus, in het tweede geval is zij profaan. De hooge graaf van ontwikkeling van het universeele in het tijdsbewustzijn, of ook spontane intuitie, kan ook deze kunst boven het alledaagsche verheffen, doch de waarlijk religieuze kunst is, uit haren aard, reeds geheel daarboven uit. Want het universeele — hoewel in kiem in ons aanwezig — staat hoog boven ons uit, en even hoog diè kunst, welke directe beelding van het universeele is. Die kunst is, evenzeer als religie, éen met het leven en tevens hoog uitstaande boven het (gewone) leven.
En deze eenheid en gescheidenheid is mogelijk door de eenheid en gescheidenheid van het individueele en universeele in het tijdsbewustzijn: de evenwichtige verhouding van de niet te scheiden twee-eenheid van het uiterlijke en innerlijke in den mensch (zie artikel 2 bldz. 16) kan slechts zuivere kunst, d.i. direkte beelding van het universeele, doen ontstaan.

Zoolang het universeele in het tijdsbewustzijn overheerscht, blijft de kunst gebonden aan het (gewone) leven en is zij, primair, de uitdrukking van dat leven.
Wanneer het universeele echter domineert, zal het leven zòo doordrongen zijn van het universeele, dat de, tegenover dàt leven, zoo onreëele kunst vervalt en een nieuw leven daarvoor in de plaats treedt, dat het universeele inderdaad realiseert.
Slechts bij evenwichtige verhouding van het individueele en universeele in het tijdsbewustzijn vindt het universeele zijn meest zuivere, meer direkt beeldende uitdrukking in kunst, want in beelding kan het individueele het universeele ontvangen: in kunst is het mogelijk dat het universeele een verschijning heeft, die toch niet aan het individueele (tot individueelzijn) bindt. 3).


2) Doch dàn ook vervalt, wat we thans kunst noemen — juist omdat de subjectiveering vervalt. Dàn ontstaat een nieuwe sfeer — een nieuw leven ontstaat. (Zie hieronder).
3) Deze direkt-beeldende uitdrukking kan de kunst vinden door middel van het universeel-beeldingsmiddel (zie vorig artikel).

51


[52]


Kunst — hoewel doel op zich zelf — is, evenzeer als religie, weêr het middel waardoor het universeele gekend, d.i. in de beelding, aanschouwd wordt.
Doordat het aanschouwen uitgaat van het universeele (in en buiten ons) en het individueele daarbij geheel ter zijde gesteld wordt (contemplatie van Schopenhauer) heeft onze persoonlijkheid-als-individu daarbij geen andere verdienste dan de verrekijker, waardoor het verwijderde gezien wordt. 4)
Zoo is de kunstenaar slechts het minder of meer geschikt werktuig waardoor de cultuur van een volk (d.i. het ontwikkelingsstadium van het universeele in het tijdsbewustzijn) zich aesthetisch beeldt: aesthetisch, want àllen — voor zoover zij daartoe zijn gerijpt, zijn deel van het tijdsbewustzijn, en àllen, beelden het uit op de een of andere wijze. Zoo is de moderne kunst, waar die geheel op de wijze der kunst (zie artikel 2) optreedt, ten slotte niet anders dan exacte beelding van verinnerlijkte cultuur.
In deze kunst, die als stijl verschijnt, bestaat geen afzonderlijke beelding van het individu: de aanschouwing gaat uit van het universeele en wordt gekleurd, gesubjectiveerd door de cultuur — òf die algemeen verschijnt of niet (zie artikel 2). 5)
Want het tijdsbewustzijn verschuilt zich in het begin eener nieuwe cultuurperiode achter allerlei deferentiatie van bewustzijn: achter nog voorbestaand verleden en het nog onrijp-toekomstige. Maar tòch is het duidelijk herkenbaar: het verschijnt inderdaad als levende realiteit.

Zal ook de kunstuiting levende realiteit voor den huidigen mensch zijn, zoo moet zij de zuivere uitdrukking van het nieuwe tijdsbewustzijn wezen. Wel kan een kunstuiting levende realiteit voor hem zijn enkel en alleen door in aanschouwing als ’t ware één te worden met het universeele dat gebeeld is 6), doch dan is die kunstuiting daarom nog niet geheel en al één met zijn geheele wezen. 7)
En dit is noodig om een kunstuiting tot stijl te stempelen, n.l. dat zij éen is met onze geheele menschelijkheid dus ook met onze natuurlijkheid (zie artikel 2).


4) Dit sluit niet het bizonder kenmerkende van elken kunstenaar uit.
5) Kunst en elke geniale uiting, ontstaat, wanneer het individueel bewustzijn plotseling, als het ware, doorbroken wordt door het universeel bewustzijn.
6) Op deze wijze kan abstract-reëele schilderkunst ook kunst zijn voor hèn, in wie het nieuwe tijdsbewustzijn nog niet tot bepaaldheid gekomen is. De geestelijke inhoud er van kan onbewust aangevoeld worden. Maar dan staat — in het algemeen — de beeldingswijze in den weg tot volkomen waardeering van het kunstwerk.
De beeldingswijze is te nieuw, te ongewoon, wanneer het bewustzijn niet van te voren doordrongen is van de ware beeldende verschijning van het universeele. Daarom is het logisch, als dit bewustzijn vatbaar gemaakt wordt door beredeneering.
7) Want alleen het universeele in hem kan slechts éen worden met het universeele buiten hem.

52


[53]


De geheele menschelijkheid beeldt zich in het leven en moet de kunst wêerspiegelen.

Zal de nieuwe beelding het nieuwe bewustzijn vertolken, zoo moet zij zich homogeen vertoonen met alle levensuitingen daarvan.
Kunnen we die als abstract-reëel omschrijven?
Is deze tijd van materieele realiteit een van abstracte realiteit tevens?
Wanneer we de ontzettende beroering van heden niet kunnen zien als een storm die het uiterlijke leven in harmonie moet brengen met het, in alle stilte, reeds lang herboren innerlijke leven van den mensch, wanneer we de concrete werkelijkheid niet kennen als tegendeel van wat niet concreet verschijnt — dàn is deze tijd niet abstract-reëel. Maar wanneer we dòor alle geweld heen het werkelijke leven kunnen speuren, wanneer we den bewust abstracten geest achter alle concrete verschijnselen werkzaam zien — dàn is dezen tijd inderdaad abstract reëel. Het huidige leven is niet meer natuurlijk, — maar abstract reëel. Dat het dit is, openbaart zich.
Het geheele moderne leven draagt het kenmerk van abstract-reëel leven: de geheele veruiterlijking van dat leven beeldt den abstracten geest.
Waar de werkelijk moderne, gecultiveerde mensch midden in concrete realiteit leeft, zet zijn geest dit in abstractie om, zet zijn eigenlijke leven zich in het abstracte voort — maar zòodanig, dat hij die abstractie weder realiseert.
Dit ook doet de kunstenaar: daardoor schept hij abstract-reëele kunst.

Ondanks alle tegenstrijdige uiterlijkheid, toont het eigenlijke leven van den huidigen mensch de meerdere bezinning die van cultuur getuigt. Het toont, dat het tijdsbewustzijn tot meerdere bepaaldheid gekomen is, het toont, dat het universeele in meerdere klaarheid gezien en gekend kan worden.
Het meer en meer abstract en toch reëel blijvende leven dan, beeldt zich op elk gebied. De machine vervangt al meer en meer de natuurlijke kracht. In de mode zien we de typeerende verstrakking van vorm en verinnerlijking van kleur, welke teekenen zijn van het gaan van de natuur àf.
In den modernen dans (steps, boston, tango enz.) zien we dezelfde verstrakking: de ronde lijn van den ouden dans (wals enz.) heeft plaats gemaakt voor de rechte lijn, terwijl elke beweging onmiddelijk opgeheven wordt door een tegenbeweging — teeken van zucht naar evenwichtigheid. Voorts zien we deze zucht in het sociale leven sterk naar voren komen: de autocratie, het imperialisme met zijn (natuurlijke) macht van de sterkste, staat op het punt te vallen — waar het reeds niet gevallen is — en maakt plaats voor de (geestelijke) macht van het recht.
Eveneens treedt het nieuwe tijdsbewustzijn in de logica zoowel als in wetenschap en godsdienst sterk naar voren. Reeds sedert lang heeft de gesluierde verkondiging der wijsheid plaats gemaakt voor de wijsheid der zuivere rede. Deze wetenschap toont telkens meerdere exactheid. De oude godsdienst, in mysteriën en dogma’s, wordt al meer

53


[54]


en meer ter zijde gedrongen 8) door de klare verhouding tot het universeele, mogelijk gemaakt door de zuivere kennis van het universeele — voor zoover zich dit kennen laat. 9).

Zien we alzoo éenzelfde begrip zich in alle levensuitingen manifesteeren — in het logisch denken in dit begrip geformuleerd.
Reeds lang voordat het nieuwe zich in bepaaldheid in het leven en in de kunst openbaarde, werd door het logisch denken de oude waarheid, dat het bestaande slechts door zijn tegendeel tot uitdrukking komt of gekend wordt, in klaarheid getoond.
In deze waarheid vinden we uitgedrukt, dat het zichtbare, het natuurlijk concrete, niet door het zichtbare (de natuur) maar door het tegendeel daarvan gekend wordt, hetgeen inhoudt, dat de beelding der zichtbare realiteit slechts door abstract-reëele beelding tot het huidig tijdsbewustzijn spreken kan.

Wordt voortgezet


[...]



8) Evenwel was en is vormgodsdienst even noodzakelijk voor ander, voor minder abstract bewustzijn, als de natuurlijke schilderkunst dit daarvoor is. Daarom is het logisch, dat vormgodsdienst en natuurlijke schilderkunst blijft bestaan zoolang het bewustzijn dit medebrengt, zoolang het nieuwe bewustzijn niet algemeen is.
9) Kandinsky heeft in zijn boek „Das geistige in der Kunst” er op gewezen dat de Theosofie (in haar ware beteekenis; niet zooals zij meestal verschijnt) een andere uiting van dezelfde geestelijke beweging is, welke we in de schilderkunst thans waarnemen.

54