Eenheid/Nummer 112/Proeve tot nieuwe kunstkritiek

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Proeve tot nieuwe kunstkritiek [2]
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 27 juli 1912
Titel Proeve tot nieuwe kunstkritiek
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [3], 112, [2-3]
Eenheid no 112 article 01 column 01.jpg Eenheid no 112 article 01 column 02.jpg
Opmerkingen Vervolg op Proeve tot nieuwe kunstkritiek [1]
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron Wikimedia Commons
Auteursrecht Publiek domein

[2]

PROEVE TOT NIEUWE KUNSTKRITIEK.

door THEO VAN DOESBURG.

(Vervolg.)

      De beelden welke den kunstenaar van den nieuwen tijd tot stof zullen dienen, vertegenwoordigen een dieper leven, dan de Venussen, Niké's, Apollo's, of Madonna's vertegenwoordigen.
      Deze pasten zich aan bij de Grieksche en Romeinsche wereld en vertegenwoordigden de gevoelens van schoonheid en macht.
      De moderne mensch heeft andere gevoelens leeren kennen en wat een stevige fundus was voor de oude Kunst is het niet meer voor de moderne. Reeds Sokrates, in zijn gesprekken met Parhasius en Cliaan voor de kunst dan de Schoonheid.
      Volgens zijne bewering bleven de kunstnaars te veel aan de oppervlakte van het Leven. Zij gaven mooie armen en beenen, maar „ziel” of „gevoelens” gaven zij niet.
      Na de Christelijke Idee steeg het gevoelselement wel in de kunstwerken, doch het meeste, — en dat begon reeds met Rafaël en Michel Angelo, — was een voortzetting der Grieksche Schoonheidsidee, welke belichaamd werd door een wetenschappelijke, maar niettemin ontzagwekkende Schilderkunde (1). De kunstenaars waren niet bezield door de leer van Christus en door de essence van die leer, doch de lijdensgeschiedenis en al wat daarmee in verband stond was voor hen slechts een aanleiding tot het vertoonen van hunne ontzagwekkende schilderkennis. Fra Angelico was een der eenige zuivere kunstenaars die hieraan ontkwamen en die de gevoelens der toen heerschende Gods-idee zichtbaar maakten.
      I. de grondslag der Nieuwe Kunst.
      De grondslag der oude Kunst: „Schoonheid”, was niet bindend en alzijdig genoeg, om die eenheid van gevoelens tot stand te brengen, welke de noodzakelijke behoefte is voor de moderne menschheid.
      De oude kunstenaar leefde met zijn gevoelsleven gescheiden van de menschheid, doch voor de nieuwe kunst is noodig een volkomen versmelting van kunstenaar en mensch.
      De gevoelens van het opkomende geslacht eischen een diepere kunst om zich kenbaar te maken, dan de kunst van de Schoonheid.


[3]

      Zij wil niet geven een boom met bladeren, maar zij wil dat er vruchten zijn aan den boom om de menschheid te spijzigen.
      Het fundament der oude Kunst „Schoonheid” is vermolmd en niet sterk genoeg meer om de Kunst der nieuwe tijden recht overeind te houden. Doch er is een nieuw, een sterk fundament gelegd: Liefde, welke een kunst zal schragen, zooals de menschheid nog niet gekend heeft.
      In deze „nieuwe kunst” zullen de gevoels wonen van de gansche menschheid.
      De nieuwe Kunst, hebbende (2) Liefde tot grondslag, spreekt God uit. Doch niet Zijn uiterlijke verschijning (belichaamd in de oude kunst als Schoonheid) maar Zijn innerlijken aard.
      De nieuwe kunst kan alleen ontstaan uit de vereeniging van de „menschelijke Ziel” met de „Goddelijke Ziel.”
      De oude Kunst der Schoonheid had een grens, doch de nieuwe Kunst van de Liefde is grenzeloos. Die is als de zichtbaarmaking van hetgeen de Schoonheid verborgen hield.
      De schoonheid was de purperen mantel waarachter de Liefde schuil ging.
      De oude Kunst was er een van de zintuigen, doch de nieuwe opkomende Kunst zal er een zijn van de ziel.
      „Het is mooi”, „het is prachtig”, zeide men van de oude Kunst, maar de nieuwe Kunst schakelt zich vast aan uw Ziel.
      De oude Kunst was als een bloedige ridder met een blanken helm op 't hoofd, doch de nieuwe Kunst is als de handdruk van uw besten vriend.
      De oude Kunst werd gemaakt door „den Kunstenaar”, doch de nieuwe Kunst ontspringt uit „den Mensch.”
      Reeds hadden schilders uit de Renaissance den grondslag der oude Kunst hevig doen schokken en zie, er ontstond 'n werk als „de man met de spade” van Millet, werken van Bartien Lepage, Meunier, Vincent van Gogh en Duff, waarop de artistieke idee van „Schoonheid” niet van toepassing meer was. De critiek wist er geen weg mee en om toch de aesthetische formule niet los te laten vonden zij een term uit „de schoonheid van het leelijke”, ja gingen zelfs zoo ver, een „schoonheid van het verschrikkelijke” uit te vinden. Maar in de Kunst kan men niet schipperen. Gaat men werken aan den ouden grondslag ontgroeid toch naar dien grondslag waardeeren, dan moeten er noodzakelijk verwarringen ontstaan, welke misverstand en niet-begrijpen tengevolge hebben.
      En zie toch hebben velen weder de verroeste klaroen in de versche, in de nieuwe lucht gestoken en hebben gebazuind dat al die oude en duffe namaaksels van een traditioneel en achterlijk kunstbesef, groote kunstwerken waren. Na de opening van de laatste tentoonstelling in het Sted. Museum te Amsterdam, heeft het in kranten en tijdschriften gewemeld van lofuitingen als: „malsch geschilderde stukjes”, „markante contouren”, „appetijtelijke schilderingen”, „hij beschikt over een mooi palet” (duur?), „kleuren-pressies en aspècten”, „habiele schilderingen”, „mooi bestorven schilderwijzen”, „mooie stalen”, „schoone poses”, „knappe zetjes”, enz.
      Het heeft gewoed als een epidemie. — Maar al heeft de man een jas aan van zeer goeden snit, dan is hij daarom nog geen „goed mensch”.
      Men kon uit deze expressie de gevolgtrekking maken, dat echte frissche kunst, in staat nieuwe gevoelens op de toeschouwers over te dragen, òf is geweerd of nog zeldzaam wordt aangetroffen. Al het werk, zoowel tot beeldhouw- als schilderkunst behoorend, is in drie categorieën te verdeelen.

      1. in werken van Schilderkunde:
            a. bezielde.
            b. onbezielde.
      2. in werken, welke bedoeld waren gevoelens te belichamen, doch hierin te kort schoten.
      3. in echte Kunstwerken.
      Welke werken tot de eerste categorie, welke tot de tweede en welke tot de derde behooren zal in een volgend hoofdstuk behandeld worden.


      (1) Ik heb dit uitvoerig behandeld in mijn geschrift: „De Kunst in de Toekomst”.
      (2) Niet als een abstract dichterlijke idee, of als hartstocht, maar als de konkrete „werking van het Goede.

(Wordt vervolgd.)