Eenheid/Nummer 116/Proeve tot nieuwe kunstkritiek

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Proeve tot nieuwe kunstkritiek [5]
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 24 augustus 1912
Titel Proeve tot nieuwe kunstkritiek. II. Religie en kunst
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [3], 116, [1]
Eenheid no 116 Proeve tot nieuwe kunstkritiek column 1.jpg Eenheid no 116 Proeve tot nieuwe kunstkritiek column 2.jpg
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein
[aflevering 1] · [aflevering 2] · [aflevering 3] · [aflevering 4] · [aflevering 5] · [aflevering 6] · [aflevering 7]


PROEVE TOT NIEUWE KUNSTKRITIEK

door THEO VAN DOESBURG.

II. Religie en Kunst.

      Alle gevoelens der menschelijkheid — in welk tijdperk en onder welke omstandigheden die menschheid ook leefde — vormen zich tot één monumentaal gevoel: het Godsdienstige. Geen gevoel wortelt dieper in den bodem van haar ziel dan dit. Het komt, doordat het religieuze gevoel samengegroeid is met de oorzaak van ’s menschen Geestelijk bestaan, zooals de sexueele gevoelens samengegroeid zijn met zijn stoffelijk bestaan. Waar 'n geheel volk religieuze gevoelens in zijn ziel koesterde, ontwikkelde en tot rijpheid deed komen, daar was er één of daar waren er enkelen die deze gevoelens uitspraken, vorm gaven door het Woord en de Daad. De plastiek dezer gevoelens noemde men dan „Godsdienst” en deze drukte zoo duidelijk mogelijk uit „den toestand van de menschelijke ziel” in een zeker tijdperk. Tusschen Animisme en Christendom b.v. ligt de groei van den menschelijken zielstoestand. En deze groei gaat steeds door van volk op volk en van eeuw tot eeuw. Hij die de diepste en beste gevoelens onder woorden bracht en in daden belichaamde, ik zeg de diepste en beste waartoe de menschheid in een zeker tijdperk komen kon, noemde men „godsdienststichter”. Omdat de menschheid in die ééne al hare diepste en beste gevoelens herkende, vereerde zij hem en noemde hem met den heiligste aller namen.
      Maar het was niet alleen de godsdienststichter, die in Woord en Daad aller gevoelens belichaamde, het was ook de kunstenaar. De kunstenaar, de echte kunstenaar is, moet althans zijn, eene religieuze figuur.
      De maker van een Afrikaansche Fetische, die een eenvoudig beeldje schiep — waarvan het onbeholpen gebouwde lichaampje, doorboord is met een honderdtal spijkers en pijlen, waarvan de kop in een pijnlijke verrukking hemelwaarts geheven is — had evenzeer, hoe gebrekkig ook, een missie te vervullen, had evenzeer een boodschap van zijn God als de grootste hervormer.
      Hierin schuilt het oorspronkelijk religieuze van echte kunst.
      Evenmin als de mensch gevoelens kan ondergaan zonder lichaam, evenmin kan de kunstenaar ze openbaren zonder vormen en kleuren. Zoodra echter het werk toereikend is de gevoelens te openbaren, is 't een kunstwerk en wel een van de beste soort. Een lomp en onbeholpen beeldje, als de Afrikaansche Fetische is een echt kunstwerk, omdat de verhouding van mensch tot God (het religieuze gevoel) er in aanwezig is. Eene z.g.n. religieuze schilderij „de triomf van het martelaarschap”, door William Bouguereau of „de vrouw van den Leviet”, door Therese van Duyl-Schwartze — no. 39 op de „Vierjaarlijksche” — is het niet, omdat noch 't religeuze, noch eenig ander gevoel aanwezig is, waardoor dergelijke werken pijlsnel afdalen tot onnoozel handwerk. Het onechte van Kunst is alléén te herkennen aan de onechtheid van het Geestelijke gevoel. Dienen de gevoelens slechts als voorwendsel en wordt het religieuze gevoel, dat ons — den mensch — zoo innig lief is, slechts geëxploiteerd dan ontstaat een onecht kunstwerk van de meest misdadige soort. De kunst is ontaard wanneer voor haar geestelijk uitgangspunt een dierlijk is in de plaats gesteld (1).
      Gaat de kunst van den mensch uit, dan is haar uitgangspunt altijd geestelijk en overeenkomstig haar wezen. Want het echte van kunst is, dat zij de geestelijk is. Geestelijk is zij, omdat het niet het beeld, niet de schilderij, niet het boek is, dat wij liefhebben in echte kunst en ons aantrekt, maar het is ons eigen diepst-innerlijk zielsleven, onzenadering tot God, die wij geopenbaard willen zien. Spreekt dat uit een werk, dan zeggen wij in onze verrukking — ook al is het werk nog zoo klein in omvang — het is „groot” of het is „reusachtig” Kunst kent geen verhoudingen. Voorwaar, men kan den geest niet meten met den duimstok. Hecht geen geloof aan dengene, al noemt hij zich ook een kunstenaar of -kritikus, die zegt: „De schilderij X is een echt kunstwerk, het is een groot doek, enz. enz. Want door het geestelijke met het stoffelijke te verwarren verraadt hij oogenblikkelijk dat hij geen besef van Kunst heeft en bij het beschouwen er van buiten hare sfeer stond.
      Echte kunst is voor iedereen toegankelijk, men behoeft er niet aan te komen met een woordenboek vol „ismen”, „sentiment’s”, „vizie’s”, enz., enz. Men behoeft er alleen maar te komen met „zichzelf”, maar dat „zelf” moet niet bedorven zijn. Al die termen, waarmede de oude kritiek, waarmede de oude kritiek het eigenlijke van Kunst poogde aan te duiden, zijn de slagboomen, door welke de toeschouwer juist belemmerd wordt tot de Kunst in te gaan en hem zeggen doet: ik ben maar een leek.

      Tot de categorie der echte kunstwerken kan men maar weinig werken rangschikken, want hoewel er een massa werken zijn, die wij tot de eerste categorie — als bezielde of onbezielde Schilderkunde — kunnen rangschikken, wordt dit aantal naarmate men de kunst nadert steeds kleiner. Dit is een geheel afzonderlijk terrein, waarop de z.g.n. kunstenaars — dikwijls in weerwil van hunne vermaardheid — in 't geheel niet thuis zijn.
      Tot de echte kunst behoort in de allereerste plaats no. 518, Zonsondergang door Angelo Barabino. Wij worden door iets aangeraakt en plotseling zijn wij vol aandacht, want wij gevoelen dat het over „ons” gaat. „Luister! roepen wij de menigte toe, luister, deze spreekt over ons”. Hier zijn wij met een werk van kunst. Hier gaat de zon onder en de mensch te ruste. Hier worden wij een arbeid van het Heelal gewaar en de arbeid van den mensch. Het handelt in dit werk niet over één mensch, over „Jansen” of over „Pieters”, neen, het handelt over den mensch, d. i.: de mensch uit het verleden, van heden en in de toekomst.
      De mensch is hier in harmonie met het heelal. Hij werkt omdat het heelal werkt; hij rust omdat het heelal rust (2).
      Dit werk doet aan als een oprecht gebed. Alles is hier uit het hart van een mensch voortgesproten. Geen schilder-effecten. Het licht van de ondergaande zon, dat uw oogen bijna niet kunnen verdragen is geen „effect”, maar een noodzakelijkheid.
      De kunde is geheel evenredig aan de kunst, waar het een hoogst evenredig algemeen kunstwerk is. Het middel — het licht, een rustende en een bewegende mannenfiguur en een brok aarde — waarmee de Kunstenaar menschelijke gevoelens zichtbaar maakt, is volkomen in zijn macht. Hij weet het zonlicht te schilderen zóó dat het licht uitstraalt, hij weet een mensch te schilderen zóó dat hij zweet en zwaar adem haalt en de aarde weet hij zoo te schilderen, dat zij dampt.
      Ook behoort no. 506 „Mijne Ouders” door Josefh Rippl-Rónai tot de kunst. Dit is een onevenwichtig kunstwerk, doch ik wilde wel, dat er meer zulke onbeholpen werken gemaakt werden, indien ze dan maar het vermogen bezaten iemand met de beste gevoelens aan te doen. Wat stelt de schilderij van Rippl-Rónai voor? De schilderij stelt voor 't gevoel van Onwankelbaarheid. Het middel? Twee menschen, een man en vrouw en een bouquetje bloemen. De linkerhand van den man drukt de rechterhand van de vrouw. Dit is de eenigste actie in 't kunstwerk. De liefde waarvan uit de schilder schiep deelt zich mee aan alles wat zijne ouders omringt en zet zich vast in een bijna onmerkbaar lachje op het gelaat van den man. Het is de ziel, die lacht. Waarom is deze schilderij, die van zoo hooge geestelijke kwaliteit is, nu toch onevenwichtig? Zij is onevenwichtig omdat, wanneer wij verband krijgen met de ziel van dit kunstwerk, dit verband spoedig weder verbroken wordt en uit de diepere wereld der gevoelens — de wereld der „eenheid” — staan wij weder van aangezicht tot aangezicht tegenover de nuchtere wereld der vormen; de wereld der „gescheidenheid”. Het gaat ons als schrikten wij op uit een droom. Ook dan wanen wij nog in ’t visioen van den droom te zijn, doch wij betasten de wanden, het ledikant en de hardheid der dingen voelend, zeggen wij: O, 't was een droom. Evenzoo met de schilderij: „Mijne Ouders”. Had de werkman de linkerarm niet misteekend, had hij over meer „kunde” beschikt, het kunstwerk zou ons niet zoo spoedig in de nuchtere vormen-wereld terugbrengen, maar zich aan onze ziel vasthechten, één met haar worden en ons nimmer meer verlaten. De noodzaak van echte kunst is in „Mijne Ouders” aanwezig, waardoor het tot de kunst gerekend moet worden en wel tot de religieuze. No. 440 „Prieël bij maanlicht” van Henri Eugène le Sidaner behoort eveneens tot de kunst. Het maakt gevoelens zichtbaar, die niet direct tot de groote dramatische beweging der menschheid behooren, doch die meer aan de oppervlakte van het leven liggen. Het middel, dat de kunstenaar gebruikt, heeft hij geheel in zijn macht: een prieel, twee stoelen en wat maanlicht. Doch er is nog iets, wat is de voorstelling niet aanwezig is, maar waarvan wij de tegenwoordigheid door middel van dit prieel, deze stoelen en dit maanlicht gevoelen. Wij gevoelen de nabijheid van menschen en dit kunstwerk — evenwichtig als ’t is — trekt ons aan door de gevoelens van Verlatenheid.

(Slot volgt.)



      (1) Als voorbeeld diene hier het z.g.n. „Futurisme”, waarvan het uitgangspunt, oer-dierlijke als 't is, totale verachting voor den mensch inhoudt. Het is een verschijnsel, dat op een geheel ander gebied thuis behoort dan op dat van de schilderkunde of -kunst en wel op het gebied der Pathologie. Het is de rauwe, laatste, kreet van de stervende schoonheidsidee!
      Ik hoop hier in een afzonderlijk, uitvoerig artikel op terug te komen.
      (2) Schijnt te rusten zou misschien juister zijn. Evenmin als men van den mensch kan zeggen dat hij absoluut rust — b.v. in de slaap, wanneer de werking van 't organisme en den geest, ofschoon verzwakt, zich toch voortzet — kan men dit van het heelal zeggen. Rust lijkt ons niet vereenigbaar met „leven”, „heelal”, „mensch”, enz.