Flora- en faunawet/Hoofdstuk VI

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Copyright.svg   Wet van 25 mei 1998, houdende regels ter bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten   PD-icon.svg
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Hoofdstuk II Aanwijzing van beschermde soorten
Hoofdstuk III Algemene verbodsbepalingen
Hoofdstuk IV Beschermde leefomgeving
Hoofdstuk V Bijzondere bepalingen
Hoofdstuk VI Het faunafonds
Hoofdstuk VII Overige bepalingen
Hoofdstuk VIII Toezicht, straf- en dwangbepalingen
Hoofdstuk IX Overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk VI. Het faunafonds[bewerken]

Artikel 83[bewerken]

1. Er is een Faunafonds, dat tot taak heeft:
a. het bevorderen van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van schade door dieren behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten;
b. het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten;
c. gedeputeerde staten van de provincies van advies te dienen over de uitvoering van taken, hen bij of krachtens deze wet opgedragen en
d. Onze Minister van advies te dienen over het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 65, eerste lid, en over het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen 65, derde lid, en 67, eerste lid.
2. Het Faunafonds tracht de in het eerste lid omschreven doelen te bereiken door het ter hand nemen of bevorderen van wetenschappelijk onderzoek, het bevorderen van voorlichting en opleiding en door het treffen van andere maatregelen, die voor de verwezenlijking van de in het eerste lid omschreven doelen van belang kunnen zijn.
3. Het Faunafonds bezit rechtspersoonlijkheid en heeft zijn zetel te 's-Gravenhage.

Artikel 84[bewerken]

1. Een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, wordt slechts verleend voorzover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.
2. Voor de behandeling van een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid kan een vergoeding van kosten gevraagd worden overeenkomstig een bij ministeriële regeling te bepalen tarief.
3. Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincies, regels worden gesteld met inachtneming waarvan het Faunafonds beslist over een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 85[bewerken]

1. Het bestuur van het Faunafonds bestaat uit negen leden, waaronder de voorzitter.
2. De leden van het bestuur hebben op persoonlijke titel zitting in het bestuur en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
3. De leden bezitten deskundigheid op het gebied van jacht, landbouw, natuurbescherming en dierenwelzijn.

Artikel 86[bewerken]

1. Onze Minister benoemt in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincies de leden van het bestuur.
2. Het bestuur bestaat uit ten minste zes leden die naar evenredigheid afkomstig zijn uit de kringen van de jacht, de landbouw en de natuurbescherming en die in het bijzonder deskundig zijn ten aanzien van het beheer van soorten en de bestrijding van schade, alsmede uit één lid uit de kringen van de wetenschap met deskundigheid ten aanzien van dieroecologie en één lid uit de kringen van de dierenbescherming met deskundigheid ten aanzien van dierenwelzijn.
3. Onze Minister en gedeputeerde staten van de provincies gezamenlijk kunnen ieder één adviseur benoemen die de vergaderingen van het bestuur van het Faunafonds kan bijwonen.

Artikel 87[bewerken]

1. De leden van het bestuur worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd.
2. De leden van het bestuur worden op eigen verzoek ontslagen door Onze Minister in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincies. Zij kunnen voorts worden geschorst of ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.
3. Degene die wordt benoemd in de plaats van een lid van wie de zittingsperiode van vier jaren nog niet is verstreken, wordt benoemd tot het einde van die periode.
4. Onze Minister kent aan de leden van het bestuur een vergoeding toe volgens door hem in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincies te stellen regels.

Artikel 88[bewerken]

1. Het Faunafonds stelt een bestuursreglement vast.
2. Het bestuursreglement voorziet in ieder geval in een regeling van de openbaarheid van de vergaderingen van het Faunafonds.
3. Het bestuursreglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister en gedeputeerde staten van de provincies.

Artikel 89[bewerken]

Aan de voorafgaande goedkeuring van Onze Minister zijn onderworpen besluiten van het Faunafonds tot:

a. het doen van investeringen;
b. het verwerven van onroerende zaken;
c. het sluiten van huur- en lease-overeenkomsten;
d. het oprichten of mede-oprichten dan wel ontbinden van privaatrechtelijke rechtspersonen of het deelnemen in een vennootschap.

Artikel 90[bewerken]

1. Het Faunafonds stelt voor 1 september een begroting vast voor het volgende boekjaar.
2. De begroting behoeft de goedkeuring van Onze Minister en gedeputeerde staten van de provincies.

Artikel 91[bewerken]

1. Het Faunafonds brengt jaarlijks aan Onze Minister en gedeputeerde staten van de provincies voor 1 mei een financieel verslag uit dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Het Faunafonds stelt de in het eerste lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.
3. Onze Minister zendt de stukken, bedoeld in het eerste lid, in afschrift aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 92[bewerken]

Onze Minister kan, in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincies, regels stellen over de inrichting van de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.

Artikel 93[bewerken]

1. Het Faunafonds stelt jaarlijks voor 1 mei een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister en aan gedeputeerde staten van de provincies toegezonden.
2. Het Faunafonds stelt het in het eerste lid bedoelde verslag algemeen verkrijgbaar.
3. Onze Minister zendt het verslag, bedoeld in het eerste lid, in afschrift aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 94[bewerken]

1. Ten behoeve van het Faunafonds wordt van hen aan wie een jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte wordt uitgereikt, een door Onze Minister, het Faunafonds gehoord, vastgestelde bijdrage geheven. Zij geldt voor het tijdvak waarvoor de betreffende akte is verleend.
2. De bijdrage kan verschillend zijn per soort akte die wordt uitgereikt.
3. De bijdrage dient te worden voldaan aan Onze Minister.
4. Uitreiking van de akte vindt niet plaats alvorens de bijdrage is voldaan.

Artikel 95[bewerken]

De ingevolge artikel 94 ontvangen bijdragen worden met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels verantwoord aan en ter beschikking gesteld van het Faunafonds.

Artikel 96[bewerken]

1. Onze Minister verleent een bijdrage ten behoeve van het Faunafonds.
2. Ten behoeve van het Faunafonds verlenen gedeputeerde staten van de provincies een bijdrage volgens regels, gesteld bij algemene maatregel van bestuur.
3. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, strekt tot vergoeding van de kosten van het Faunafonds voorzover de bijdrage van gedeputeerde staten van de provincies, bedoeld in het tweede lid, daarop geen betrekking heeft.

Artikel 97[bewerken]

Het Faunafonds verstrekt desgevraagd aan Onze Minister of aan gedeputeerde staten de voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen. Onze Minister en gedeputeerde staten kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 98[bewerken]

Indien het Faunafonds zijn taken, voortvloeiend uit artikel 83, naar het oordeel van Onze Minister of gedeputeerde staten van de provincies verwaarloost, kan Onze Minister, na overleg met gedeputeerde staten van de provincies, de noodzakelijke voorzieningen treffen.

Artikel 99[bewerken]

Voorzover in dit hoofdstuk is voorzien in besluiten van Onze Minister en gedeputeerde staten van de provincies, neemt Onze Minister die besluiten indien niet binnen drie maanden overeenstemming is bereikt over gelijkluidende besluiten.

Artikel 100[bewerken]

1. Onze Minister voegt aan het Faunafonds een secretariaat toe ten behoeve van de werkzaamheden van het bestuur.
2. De leden van het secretariaat zijn voor de uitoefening van hun taak uitsluitend verantwoording schuldig aan het bestuur van het Faunafonds.