Flora (Witte 1868)/25

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
24 Flora: Afbeeldingen en beschrijvingen van boomen, heesters, éénjarige planten, enz., voorkomende in de Nederlandsche tuinen van Heinrich Witte

25. Catalpa syringaefolia

26


[ Pl 25 ]
 

Pl. 25: CATALPA SYRINGAEFOLIA Sims.

 
[ 97 ]
 

CATALPA SYRINGÆFOLIA Sims.

Nat. Familie:

BIGNONIACEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

DIANDRIA MONOGYNIA (Tweemannige-Eenwijvige)[1].

 

 

Onder de Noord-Amerikaansche boomen, waarvan er een aantal in Europa zijn ingevoerd, kennen we er twee, die als 't ware de bijzondere gunstelingen van 't algemeen geworden zijn en dientengevolge ook zeer algemeen verspreid werden, namelijk de Tulpeboom (Liriodendron Tilypifera), waarover weldra nader, en de Katalpa (Catalpa syringæfolia); beide zijn die onderscheiding dubbel waard, niet alleen om hunne fraaije bloemen, maar ook, en dat wel niet het minst, om de groote en sierlijke bladeren.

Hoewel de naam, waaronder de Katalpa hier vermeld wordt, alles behalve van jonge dagteekening is—daar Sims hem reeds als zoodanig, in het in 1808 verschenen 27e deel van het Botanical Magazine (tab. 1094), beschreef, terwijl, twintig jaar vroeger, in 1788, Thom. Walter, in zijne Flora van Carolina hem reeds als C. bignonioïdes bekend gemaakt had, welke benaming door Sims verworpen, door sommige latere schrijvers, o. a. Alph. De Candolle: Prodr. Syst. nat. IX. pag. 226), weder aangenomen werd—is deze boom toch bij de liefhebbers vrij algemeen bekend als Bignonia Catalpa, zooals Linnæus hem noemde.

Het is hier de plaats niet om de meerdere verkieselijkheid van de eene benaming boven die van de andere op wetenschappelijken grond te betoogen. 't Komt mij evenwel voor dat Sims niet volkomen in zijn regt was, toen hij den goed gekozen naam van Walter verwierp, wat evenwel niet beletten kon dat men hem vrij algemeen volgde, hetwelk trouwens met de meeste [ 98 ] zijner namen, voor zooverre namelijk latere schrijvers den geslachtsnaam niet meenden te moeten veranderen, het geval is, waarvan de oorzaak zonder twijfel moet gezocht worden in de groote verspreiding van zijn werk en het gezag daaraan steeds en nog altijd toegekend.

Al geloof ik dus dat De Candolle en anderen regt hebben wanneer zij den naam C. bignonioïdes weder opvoeren, aarzel ik toch niet hier den meer algemeen gebruikelijken te behouden, ten einde den liefhebber niet noodeloos in verwarring te brengen. Ik heb reeds vroeger gezegd dat ik, zonder voor mij geldige redenen, hier niet van de gebruikelijke namen wil afwijken; terwijl ik echter niet verzuim de voornaamste verschillende zienswijzen daaromtrent mede te deelen.

De Linnæansche benaming kan of mag echter in geen geval behouden blijven; trouwens het zal geen der lezers moeijelijk vallen dit te gelooven en hem veeleer moeite kosten om aan te nemen, dat de Katalpa en de Trompetbloem (Bignonia radicans) tot één en hetzelfde geslacht behooren.

Dit neemt echter niet weg, dat zoowel beider bloemen als vruchten op eene vrij naauwe verwantschap tusschen deze twee planten wijzen; eene verwantschap echter, die haar alleen kennen doet als leden van ééne familie; en, ware Linnæus zoowel de grondlegger van het natuurlijke plantensysteem geweest, als hij die van het kunstmatige was, hij zou ze vermoedelijk ook als niets anders beschouwd hebben.

Hij herkende toch die verwantschap te goed om ze in zijn stelsel ver van elkander te plaatsen; zoolang hij nu beide als tot één geslacht behoorende beschouwde, kon hij de wijziging die men in de bloemdeelen waarneemt als eene speling of onstandvastige afwijking beschouwen; scheidde hij ze echter ook op grond van het getal meeldraden generisch van elkander af, en beschouwde hij derhalve de Katalpa als een afzonderlijk geslacht, dan moest dat ook onvermijdelijk in zijn stelsel zóóver van de daaraan toch zoo naauw verwante Bignonia's verwijderd worden, dat men reeds oppervlakkig aan eene onnaauwkeurigheid denken zou.

Dit schrikte echter zijne navolgers niet af, zoodat zij die, en teregt, Catalpa en Bignonia als twee verschillende geslachten meenden te moeten beschouwen, het eerste geslacht in de tweede klasse van het sexuëele stelsel plaatsten, terwijl Bignonia tot de 14e behoort. Immers, terwijl in de bloemen der ware Bignonia's vier goed ontwikkelde meeldraden voorkomen, waarvan er twee langer zijn dan de beide andere, zijn er in die van Catalpa naar 't schijnt slechts twee aanwezig, reden waarom de eerste tot de Tweemagtige, de laatste tot de Tweemannige behoort.

Bij eene meer opmerkzame beschouwing der bloem, gepaard aan eenige kennis van de wijziging welke de meeldraden somwijlen in hare ontwikkeling vertoonen, komt men echter tot de overtuiging dat, gelijk dit zoo menigmaal het geval is, het getal der meeldraden—of laat ik liever zeggen der goed ontwikkelde meeldraden—geen betrouwbare gids is.

Teiwijl toch in de bloemen der Bignonia's het getal meeldraden oorspronkelijk vijf is, waarvan echter slechts een viertal goed tot ontwikkeling komt, het vijfde in zeer rudimentairen toestand achterblijft, en daarom veelal over 't hoofd gezien wordt, iets wat trouwens in de bloemen der Tweemagtige planten van Linnæus wel meer het geval is, zijn er bij Catalpa [ 99 ] slechts twee ontwikkeld, terwijl er drie onvruchtbaar bleven. In beide gevallen hebben we dus in beginsel met vijf meeldraden te doen, maar waarvan een verschillend getal werkelijk als volkomene, n.l. vruchtbare meeldraden herkenbaar is.

Genoeg echter over deze bijzonderheden van kruidkundigen aard; ook reken ik het noodeloos om hier nog nadere verschilskenmerken tusschen deze beide geslachten ter sprake te brengen, daar ze zelfs voor den niet kruidkundigen lezer reeds genoegzaam in groeiwijze of habitus verschillen, immers, terwijl de Bignonia's over 't algemeen slanke stammen hebben, die zich klimmende, door middel van hechtwortels, aan andere voorwerpen moeten vasthouden, willen ze overeind blijven staan, zijn de Catalpa's boomen met een flinken stam, de drager van eene breede en vrij wijd uitgestrekte kroon.

De gewone Katalpa (C. syringæfolio) werd door Sims aldus genoemd om de overeenkomst in vorm der bladeren met die van de Sering (Syringa vulgaris); eene overeenkomst die echter alleen bestaat in den omtrek der bladeren, daar die van de Katalpa de Seringebladeren viermaal en meer in grootte overtreffen.

De boom is van Noord-Amerikaanschen oorsprong, en werd 't allereerst in de bosschen van Carolina ontdekt door Marc Catesby, een Engelsch natuurkundige, die van 't jaar 1712 af, gedurende elf achtereenvolgende jaren ontdekkingsreizen in de verschillende Noord-Amerikaansche Staten deed. Hij bragt hem naar de bewoonde streken, waar deze kloeke en edele zoon van 't woud een goed onthaal vond, en weldra algemeen als sierboom aangeplant werd. Reeds in 1726 werd hij in Engeland ingevoerd, en vandaar verder over een groot gedeelte van Europa verspreid.

Niet overal echter, zelfs in het zoogenaamde gematigde gedeelte van ons werelddeel, gevoelt hij zich goed thuis. Terwijl hij zich toch bij ons—en natuurlijk in zuidelijker rigting overal—zeer goed naar 't klimaat kan schikken, schijnt hij 't reeds in Duitschland hier en daar minder naar den zin te hebben, immers lees ik in Dietrich's Encyclopædie der gesammten niederen und hoheren Gartenkunst: dat men de jonge takken 's winters door eenige omkleeding tegen de vorst beschutten moet, daar anders geene bloemen verschijnen. Dit mag misschien zeer plaatselijk, ook voor ons land van toepassing wezen, ik ken er toch geen enkel voorbeeld van, maar zag den boom steeds goed en somtijds zeer sterk ontwikkeld en niet zelden in 't midden van den zomer (Julij en Augustus) met honderden bloempluimen, uit een aantal groote bloemen bestaande, getooid.

Nevens den gewonen Kastanjeboom is de Katalpa gedurende den bloeitijd de prachtigste boom dien ik ken, in sierlijkheid en grootschheid tevens van ontwikkeling wint echter m.i. gene het van dezen; hoewel zijne groote en fraai gevormde bladeren hem toch, zelfs zonder te letten op den, bij eenigzins sterke boomen verzekerden bloei, volkomene aanspraak geven op de erkenning die hem steeds van alle zijden ten deel viel.

De gewone Katalpa wordt een boom, die tot 25 à 30 voet hoogte bereikt, met eene rondachtige kroon en groote hartvormige, zachtharige bladeren. De bloempluimen verschijnen in Julij aan de toppen der jonge takken. De bloemen hebben eene blokvormige gedaante en zijn onregelmatig van vorm, waardoor men eene bloemkroon verstaat die slechts in ééne rigting in [ 100 ] twee volkomen gelijke helften verdeeld kan worden. Ze zijn wit en van binnen geel en rood gevlekt.

De bevruchting der bloemen heeft ook hier te lande geregeld plaats; immers spoedig na den bloei ziet men dat zeer vele bloemen door lange, smalle en rondachtige vruchten, ter dikte van een pijpesteel, opgevolgd worden. Is nu de nazomer warm, dan worden de zaden zeer goed rijp, is die echter koud en vochtig, dan ziet men de lange vruchten nog door den najaarswind aan de takken heen en weder gezweept, als reeds alle bladeren afgevallen zijn, en opent men ze dan, dan blijkt dat de zaden wel goed ontwikkeld, maar somtijds nog op verre na niet rijp zijn.

De vermenigvuldiging van zulke boomen ligt gewoonlijk minder op den weg der liefhebbers, daar, zelfs in een vrij grooten tuin, een enkele voldoende is. Ze geschiedt het gemakkelijkst door zaden, die men óf buiten, óf, wat zeker verkieslijker is, onder glas, doch altijd koud, zaait. Ook door stekken, die op verschillende wijzen kunnen behandeld worden, laat hij zich zeer goed vermenigvuldigen, mits men slechts zorg drage de jonge planten tijdig in de open lucht te brengen, ze uit te planten zoodra men ze daartoe sterk genoeg acht en ze voorzigtigheidshalve, gedurende de eerste twee, drie jaren, tegen al te strenge winterkoude te beschutten.

Slechts een paar andere soorten van dit geslacht komen nevens de hier genoemden in de tuinen voor, waarvan ik hier alleen de sedert eenige jaren door Von Siebold uit Japan ingevoerde Catalpa Kaempferii vermelden zal.

Deze is reeds op het eerste gezigt kennelijk van de gewone te onderscheiden, door zijne grootere en daarom nog sierlijker bladeren. Meer verschil echter leveren de bloemen op, die deze boom reeds, zeer jong zijnde, in overvloed voortbrengt. De bloempluimen zijn veel grooter en staan veel wijder uiteen; de afzonderlijke bloemen, die veel talrijker zijn, zijn echter aanzienlijk kleiner en loopen, ondanks die talrijkheid, minder in 't oog, terwijl ook de kleur niet zoo levendig is. Ziet men echter eene bloem afzonderlijk, dan blijkt dat deze, zoowel om haren vorm als om de sierlijke teekening alle aanspraak op bewondering heeft.

Ook deze verdient dus, zeer aanbevolen te worden, terwijl de boom zich even als de gewone, volkomen voor ons klimaat geschikt toonde, immers op twee zeer verschillende standplaatsen weêrstond hij hier reeds gedurende verscheidene jaren de winterkoû, zonder het minste te lijden. Hij brengt mede overvloedig vruchten voort, terwijl het rijp worden der zaden even afhankelijk is van het weder in den nazomer.

Ten slotte is misschien de opmerking hier niet ongepast dat, wanneer een oude Katalpa door stormwind geleden heeft, of de kroon door eenige andere oorzaak misvormd is, men hem gerustelijk, tot zelfs digt aan den stam, inhakken kan, daar hij dan spoedig aan een aantal nieuw en forsche takken het aanzijn geeft.

 

 
  1. Zie de noot onder blz. 73.—De planten van de Orde der Eénwijvige zijn die in welker bloemen één stijl aanwezig is.