Gezelle/Avond

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De avondzonne * 126 Avond van Guido Gezelle Ego vigilabo * 128
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

Het licht verlaat ons: dampen doen
     nu de aangenaamste geuren;
de lucht ontblauwt, en verruwloos
     bedijgen daken, deuren.

De huizen sterven langzaam uit,
     en ‘t wordt te mingelmalen,
dat scherp, en onaanschouwbaar, al
     dat schoon was, heen te dwalen.

‘k En zie bijkans geen boomen meer,
     ‘t en zij twee lange striepen,
of drie, die recht omhooge gaan
     en doen alsof ze sliepen.

Ze grauwen, op den grauwen grond
     des hemels, afgesneden;
onduidlijk van gedaanten: en
     nog grauwer is ‘t beneden.

De vogels zijn gaan slapen, in
     hunne onbekende wiegen;
ze rusten en ze zwijgen nu:
     de vlindermuizen vliegen.

‘k Ontgeve ‘t mij, maar, zag ik niet
     zoo zaan een sterre pinken,
en, evengauw verdwenen, in
     den diepen hemel zinken?

‘t Is avond weêr, alteenegaar,
     en, tijdelijk verborgen,
is ‘t daglicht, in de duisternisse,
     en ‘t zonneken, tot morgen.

Goên nacht, en God beware u al,
     die reizen, waken, slapen...
Die sterven zult, in vreden: ‘k ga
     mij ook een rustjen rapen!

12/6/1896

Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Gezelle/Avond&oldid=33308"