Het Esperanto/II

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
I. Het Esperanto (1902) van Antoon Jozef Witteryck III.


[ 9 ]
 

II


Voorwaarden der algemeene taal.


Nu dat wij bewezen hebben, dat het wenschelijk ware eene wereldtaal te zien tot stand komen, zullen wij onderzoeken aan welke vereischten de algemeene taal moet beantwoorden.

Wij zullen dus de voorwaarden bepalen, die ze vervullen moet, en alzoo duidelijk en klaar de vraag voorstellen; daarna zullen wij de gegevene oplossingen nauwkeurig beschouwen.

Maar eerst en vooral, is het noodig op de bevestigendste wijze eene uidrukkelijke grondwaarheid voor te houden, om eene al te verspreide dwaling te vermijden, eigen aan al de tegenstaanders der algemeene taal.

Voor hen algemeene taal is zooveel als eenige taal, die door iedereen zal moeten gebruikt worden, eens dat zij op de puinen der andere talen zal opgericht zijn.

Dwaas is deze misvatting.

Met een valsch begin moet men volstrekt aan een valsch einde komen.

Wij zeggen gemeenlijk van de spoorwegen, dat zij het algemeen vervoermiddel zijn.

Wil zulks beduiden dat er geene andere meer bestaan, of dat alle volkeren hetzelve aanveerd hebben?

Waarom, wanneer dit woord «algemeen» aan de taal toegepast wordt, zou het eenen zin moeten [ 10 ] hebben, die in geen enkel woordenboek te vinden is?

Zetten wij een einde aan dit zonderling misverstaan, en daarom eens voor altijd zeggen wij klaar en duidelijk wat die taal te doen heeft:

De algemeene taal heeft geenszins voor doel de plaats in te nemen der andere bestaande talen. Verre van hun vijandig te zijn, de nieuwe taal zal hun de beste hulp bieden, en altijd gereed zijn om hen te vervangen, in de gevallen waar zij zelve, ontoereikend zijn.

Het bijvoegelijk naamwoord «algemeen», veronderstelt geenszins, dat die taal de wilden, de onbeschaafden, de weinige geleerden moet opgedrongen worden, al diegenen in één woord, die niet zouden weten wat er mede gedaan.

Hetgeen gevraagd wordt, is de wederlandsche betrekkingen, die de handel, de dagpers, het reizen, en in eenen beperkteren zin de lust naar alle slag van verzamelingen, op onze dagen heeft doen ontstaan, een gemakkelijk en duurzaam middel ter hand te stellen.

Ziedaar klaar en duidelijk het werk der algemeene taal, haar eigen en zoo nuttig doel, door dezen, die ze mogelijk geacht hebben, reeds over lang opgegeven; Bacon, Pascal, Descartes, Leibnitz spraken in dien zin, en ook de Brosses, Condillac, Voltaire, Wilkins, Diderot en de opstellers van de Encyclopédie, Volney, Ampère, enz., enz.

En indien er ingebracht wordt, dat die mannen van onzen tijd niet zijn, wij zullen ons beroepen op de meesters der heedendaagsche taalwetenschap, op de taalkundigen Burnouf, Jacobus Grimm, Max Müller. Die namen beschutten het werk, dat wij [ 11 ] willen doen kennen, wiens oprichter de Rus Zamenhof en wiens verspreiders, in Frankrijk, M. L. de Beaufront en in België, Kapitein Ch. Lemaire. Zal er gezegd worden dat al die geleerden niet wisten wat zij wilden? Maar, wanneer de algemeene taal zulke baanbrekers telt, het zou toch een weinig vermetel en roekeloos zijn van op te komen tegen hetgeen zij beweerden.

Het staat dus vast en zeker dat de algemeene taal niets zal verminderen, noch afbreken—integendeel, het eenige dat zij wil is van een middel te zijn om de wederlandsche betrekkingen tusschen de volkeren te vergemakkelijken.


* * *


Dat eens verstaan zijnde, komen wij op onze vraag terug: Hoedanig moet de algmeene taal zijn?

Bij het eerste gedacht, zouden eenvoudige en argelooze zielen, kunnen meenen dat het genoeg ware eene van onze levende talen te gebruiken.

Het ware genoeg—zullen zij zeggen—dat de volkeren malkander verstaan.

Maar hoe is het mogelijk te kunnen denken dat de verschillende volkeren zouden overeenkomen op een punt, dat hun zoo lichtelijk beleedigt en zooveel tegenzin doet ontstaan? Hoe is 't mogelijk zoo eenvoudig te zijn van te meenen, dat er een volk kan gevonden worden, dat aan zijnen mededinger, misschien eenen vijand, de macht in handen zou geven van meester der wereld te worden? Want indien zijne taal overal gesproken werd, lang zou [ 12 ] het niet duren of het zou ook overal zijne macht doen gevoelen.

Klaagt men reeds niet genoeg dat dezen die hier in Vlaanderen de Fransche werken verspreiden, landverraders zijn, die medewerken aan het verbasteren van onze Moedertaal en onze voorvaderlijke zeden!.... En zijn die slimme vooruitstrevers niet aan 't afbreken van wat, door menige eeuwen edel streven tot stand kwam!... Is zulks niet te betreuren door elk rechtschapen onverbasterde Vlaming!... En loopen wij geen gevaar die taalkundige woelgeesten alles wat ons duurbaar is te zien omver werpen!... Velen echter denken zoover niet.... en 't is te betreuren!

Nu genoeg daarvan.

Men begrijpt gemakkelijk dat er in elke natie nog deftige burgers te vinden zijn, die houden aan hun onafhankelijk bestaan! De taal is het volk! Verbaster zijne taal, gij verbastert zijne zeden, gij verbreekt zijnen aard, gij verkoopt het aan den vreemde, wiens taal gij aanneemt!... Met recht roept men: Schande aan zulke verraders! Zulks wil niet beduiden dat men geene vreemde talen mag oefenen, wel zeker neen! het is zelfs eene noodzakelijkheid, doch men geve slechts aan vreemden wat aan vreemden toekomt..... en men sta hun nooit het meesterschap af!!...

Daarbij al de bestaande talen, zelfs de eenvoudigste, zijn te moeilijk ofwel door hunne uitspraak, ofwel door hunne ingewikkelde spraakregels.

Er valt dus niet aan te denken eene levende taal met die algemeene wereldoverheersching te vereeren.

A fortiori of des te meer kunnen die [ 13 ] aanmerkingen van moeilijkheid aan de doode talen, ook het Latijn, toegepast worden. En daarom zal nooit eene doode taal er in gelukken als algemeene aanveerd te worden. Daarenboven, indien eene doode taal, die voorkeur had, zou zij geheel en gansch moeten veranderd worden. De doode talen zijn immers het spraakmiddel van een al te lang vervlogen verleden, van eene samenleving geheel verschillend van de onze, en om die reden zouden zij onmogelijk in onze tegenwoordige noodwendigheden voorzien. Om daar te geraken, zou de uitverkorene taal in eene gansch nieuwe moeten herschapen worden.

Voor al die redenen, zal het niemand verwonderen, dat de geleerden, op wier diep gedachte leerstelsels wij aanspraak gemaakt hebben, niet ééne van de natuurlijke talen, levende of doode, voorstelden als bekwaam om het wederlandsche spraakmiddel, lingvo internacia, te worden.

Gevolgtrekkingen: 1° De wederlandsche taal zal moeten volstrekt onzijdig wezen.

2° Zij zal moeten den noodigen voorraad bezitten en plooibaar genoeg zijn, om alle hedendaagsche gedachten uit te drukken;

3° Zij zal moeten eenvoudig wezen en juist beredeneerd zijn, om zonder moeite en in korten tijd te kunnen geleerd en gekend worden.