Het leeven van Ridder WILLIAM PETTY

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het leeven van Ridder WILLIAM PETTY (1782)
'Het leeven van Ridder WILLIAM PETTY' is een hoofdstuk van Algemeene oefenschoole van konsten en weetenschappen. Vyfde afdeeling. Behelzende eene beknopte leevensbeschryving der beroemste wysgeeren. (1782) Dit werk is in het publieke domein.


[titelpagina]

 

ALGEMEENE

OEFENSCHOOLE

VAN

KONSTEN

EN

WEETENSCHAPPEN.

VYFDE AFDEELING.

 

BEHELZENDE

 

EENE BEKNOPTE LEEVENSBESCHRY-
VING DER BEROEMSTE WYSGEEREN,
DIE VAN DE VROEGSTE OUDHEID
TOT DEN TEGENWOORDIGEN
TYD GEBLOEID HEBBEN.

 

DERDE DEEL.

 


 

TE AMSTELDAM,

By PIETER MEIJER, op den Dam.

MDCCLXXXII.

 

[ 39 ]
 

Het leeven van Ridder WILLIAM PETTY.



Ridder William Petty, een zonderling voorbeeld van algemeen Vernuft, was de oudste zoon van Antoni Petty, eenen Lakenhandelaar te Rumsey in Hampshire, alwaar hy den 16den van May des jaars 1623 gebooren werd. Het is moeijelyk te bepaalen, of zyne opvoeding door zynen Vader of door hemzelven voornaamelyk geregeld werd. Want door zynen Vader, toen hy nog zeer jong was, by gemeene ambagtsluiden gebragt zynde om hen te zien werken, nam hy onmiddelyk de Werktuigen op, en hanteerde die met zo veel behendigheids, dat hy in den ouderdom van twaalf jaaren, reeds zo wel in verscheidene handwerken bedreeven was als zy, die ze als hunne gewoone kostwinning oeffenden. Vervolgens ging hy naar de Taalschool te Rumsey, daar hy, indien wy zyn eigen berigt gelooven moogen, niet slegts eene grondige kennis van de Latynscbe, Grieksche en Fransche taalen kreeg, maar ook van alle de regelen der Rekenkunde, van de Landmeetkunde, Zonnewyzerkunde, en van het starrekundig gedeelte [ 40 ] der Zeevaartkunde. Dus met verscheidene kundigheden verrykt, ging hy in den ouderdom van vyftien jaaren naar de Hooge School van Caen in Normandye, waar hy zich omtrent twee jaaren ophield. Toen keerde hy weder naar Engeland, en werd tot een ampt ter zee bevorderd; maar omtrent zestig ponden overgewonnen hebbende, besloot hy van dezelven gebruik te maaken om zyne kundigheden verder uit te breiden. Hy was nu bedagt om zich te oeffenen in de Genees- en Ontleedkunde; en om daarin goede vorderingen te maaken bezogt hy, in den jaare 1643, Leyden, Utregt, Amsterdam en Parys, en bleef geduurende den tyd van drie jaaren buiten zyn Vaderland. In den jaare 1647 keerde hy weder in Engeland. Na een Werktuig om het zelfde Stuk te gelyk tweemaal te schryven uitgevonden te hebben, kreeg hy van het Parlement verlof om voor den tyd van zeventien jaaren in die konst te moogen onderwyzen, zonder dat zulks iemand buiten hem vry stond. Schoon zyne uitvinding, hoeveel zy in den eersten opslag scheen te belooven, in de praktyk van geene nuttigheid altoos bevonden werd, maakte zy hem egter bekend by veele voornaame mannen van zynen tyd. Eenigen tyd te Oxford vertoevende, en de lessen der Hoogleeraaren in die stad bywoonende, nam hy het besluit om zich, indien het mooglyk was, daar neêr te zetten. Vervolgens schreef hy aan den Heere Hartslip[1], wien hy blyken gaf van de vorderingen, die hy in verscheidene deelen der geleerdheid gemaakt had, waarop hy te Oxford ontbooden, en eerst aangesteld werd tot medehelper van den Hoogleeraar in de Ontleedkunde. Ondertusschen oeffende hy de Chymie en Geneeskunde met zeer goed gevolg, en kwam dermaaten in agtinge dat de wysgeerige Vergaderingen, die voor dat het Koninglyk Genootschap was opgerigt plaats hadden, ten zynen huize gehouden werden. Op den 7den van Maart des jaare 1649 werd hy tot Doctor in de Geneeskunde bevorderd, en den 25sten van Juny des jaars 1659 werd hy Candidaat van het Collegie der Geneeskundigen. Toen Dr. Clayton van het Hoogleeraarampt in de [ 41 ] Ontleedkunde afstand deed, volgde hy hem den 1sten van January des volgenden jaars in die bediening op, en werd op den 7den van February tot Hoogleeraar in de Muziek in het Collegie van Gresham verkoozen. In den jaare 1652 werd hy, op eene bezolding van twintig schellingen daags, tot Geneesheer van het leger in Ierland aangesteld. Na den opstand in Ierland werd hy benoemd tot eenen der Gevolmagtigden tot het verdeelen der verbeurde landen onder het leger, het welk den opstand deed bedaaren. Toen Henrik Cromwell zich de bestiering van dat Koningryk zag toevertrouwd, stelde hy den Doctor tot zynen Secretaris, en tot Geheimschryver van den Raad aan. Nog deed hy hem verkiezen om als Gedeputeerde der Burgerye voor West-loo in Cornwall naar het Parlement van Richard Cromwell te gaan, het welk in de maand January des jaars 1658 vergaderde. Maar op den 25sten van de maand Maart des zelfden jaars klaagde Ridder Sankey, lid van het Parlement voor Wood-stock in Oxfordshire, hem aan over zwaare misdaaden, en wangedrag in zyn ampt. Dit veroorzaakte den Doctor zeer groote onlusten, dewyl hy voor het Huis der Gemeenten gedagvaard werd. In weêrwil van de aanhoudende poogingen zyner vrienden, van de aanpryzingen van zynen persoon by den Sekretaris Turloe, en van de verantwoordinge, welke hy in het Huis der Gemeenten deed, bragten zyne vyanden het egter zo ver, dat hy in den jaare 1659, van zyne openbaare bedieningen ontslaagen werd. Hy week toen naar Ierland, waar hy zyn verblyf hield tot de herstelling van Koning Karel den IIden, kort na dewelke hy zich naar Engeland begaf, alwaar hy door zyne Majesteit zeer gunstig ontfangen werd, en zich tot eenen der Gevolmagtigden van het Geregtshof verkoozen zag. Op den 11den van April des jaars 1661 had hy de eer van Ridder te worden, en werd toen ook door eenen nieuwen gunstbrief, tot algemeenen Landmeeter van Ierland enz. aangesteld.

By de opregting van het Koninglyk Genootschap, werd [ 42 ] hy tot een van deszelfs eerste Leden, en ook tot Lid van den Raad, daartoe behoorende, verkoozen; en schoon hy reeds lang van de oeffeninge der Geneeskunde had afgezien , bleef zyn naam egter in het Kollegie der Geneeskundigen als honorair Lid bekend.

Omtrent deezen tyd vond hy zyn dubbeld gebodemd Schip uit, geschikt om tegen wind en stroom te zeilen, en vereerde in het vervolg een namaaksel van dat Schip aan het Koninglyk Genootschap, het welk nog in de bewaarplaatse der zeldzaamheden gevonden wordt. Hy deelde ook in den jaare 1665 aan het gemelde Genootschap eene Verhandeling over den Scheepsbouw mede, waarin verscheidene geheimen van die konst vervat waren. Doch die verhandling werd door Lord Brouncker verdonkerd , welke zeide dat zy al te groot een staatsgeheim behelsde om in elks handen te komen. Ridder Williams nieuw uitgevonden Schip , deed egter in de maand July des jaars 1603 eene reize van Dublin naar Holyhead; doch dewyl hy bevond dat het niet aan zyn oogmerk voldeed, besteedde hy nog twee jaaren of langer tyd in het zo te volmaaken dat het aan zyn bedoelde einde beter mogt beantwoorden; maar eindelyk liet hy dit werk geheel vaaren, dewyl hy geen middel vond om alles in zodaanigen staat te brengen, dat het naar zyn gemaakt ontwerp ter bereikinge van de verscheidene einden, welke hy zich had voorgesteld, eenpaariglyk medewerkte.

In den jaare 1666 stelde hyeene verhandeling op over de inkomsten en uitgaaven van Engeland , en over de manier om op eenen gelyken voet schattingen te heffen , welk vertoog voor een loflyk, verstandig, en wel uitgevoerd stuk gehouden werd. In het volgends jaar trouwde hy met Elizabeth, de Dogter van Ridder Hardress Waller, Schildkn. Doch dit huwelyk was geenszins oorzaak dat zyn geest van de studiën werd afgetrokken. Hy was bedagt om het algemeene nut te bevorderen, en deelde zyne ontdekkingen mede aan het Koninglyk Genootschap, [ 43 ] inzonderheid die, welke eenige betrekking hadden tot de verbetering van rytuigen, pompen en kanonnen. Maar weinige jaaren daarna vond hy zich in het midden van zyne naspooringen gestuit door het koud vuur in zynen voet, het welk een eind van zyn leeven maakte, in het 65ste jaar van zynen ouderdom, nadat hy ruime middelen van bestaan voor zyn talryk maagschap byeengegaard, en aan de armen in verscheidene Parochiën groote sommen by uitersten wille gemaakt had. In zyn Testament, waarin hy zyne Weduw en drie Kinderen in de bezittinge van zyne nalaatenschap, welke niet minder dan 12000 l. jaarlyks opbragt, stelde, verbond hy hen allerplegtigst om vooral op de algemeene nuttigheid agt te geeven. Hy stierf in de belydenisse van dat geloof, en in de aankleevinge aan dien Godsdienst, welke door de wetten in zyn Vaderland waren vastgesteld, in godgeleerde stellingen eer met onderwerpinge berustende dan die met naauwkeurigheid onderzoekende. De verscheidene navorschingen met welken Ridder William zich bezig hield, deeden blyken dat hy een vernuft bezat, groot genoeg om alles, waartoe zyne genegenheid zich uitstrekte, te onderzoeken; en het is te verwonderen dat hy tyds genoeg kon vinden om twintig Verhandelingen over verscheidene onderwerpen, en wel allen over gewigtige stoffen, op te stellen van welker inhoud wy egter, dewyl zy niet regtstreeks tot de Wysbegeerte behoorden, niet in het byzonder zullen spreeken.


  1. bedoeld is: Samuel Hartlib (wikisource-editor)