In het jaar 2000 (Bellamy 1890)/20

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XIX. In het jaar 2000 van Edward Bellamy

XX.

XXI.


[ 163 ]
 

HOOFDSTUK XX.

 

 

Dien middag vroeg Edith mij terloops of ik de onderaardsche kamer reeds bezocht had waarin ik gevonden was.

—"Nog niet," antwoordde ik; "oprecht gesproken ben ik er tot dusver voor teruggedeinsd, uit vrees dat het bezoek oude herinneringen zou opwekken nog te sterk voor mijn kalmte."

—"O, ja!" sprak zij, "ik kan mij begrijpen dat het beter was er nog niet heen te gaan. Ik had dat moeten bedenken."

—"Neen," hernam ik, "ik ben blijde dat u er over spreekt. Het gevaar, als er ooit sprake van geweest is, heeft alleen maar de eerste paar dagen geduurd. Hoofdzakelijk door u, sta ik nu zoo vast op deze nieuwe aarde, dat, als u mede wilt gaan om de spoken te verjagen, ik wezenlijk heel graag vanmiddag de kamer eens zou gaan zien."

Edith aarzelde een oogenblik, maar toen zij zag dat ik het meende, stemde zij toe. De aarden wal die opgeworpen was door de uitgraving, was zichtbaar door de boomen en enkele schreden brachten ons op de plek. Alles was [ 164 ] gebleven in den toestand toen het werk afgebroken werd door de ontdekking van het bovenste deel van het vertrek, behalve dat de deur opengemaakt was en het dak weer hersteld. Wij gingen binnen en bevonden ons in het half verlichte vertrek. Alles was precies als ik het voor het laatst had aanschouwd op dien avond honderd en dertien jaar geleden, voor ik mijn oogen sloot in den langen slaap. Een tijdlang stond ik zwijgend te staren. Ik zag dat mijn gezellin mij van terzijde aankeek met een blik, angstig, doch vol vriendelijke belangstelling. Ik stak mijn hand naar haar uit en zij legde haar hand in de mijne, en met een zachten, geruststellenden druk beantwoordden haar vingeren mijn greep. Eindelijk fluisterde zij: "zullen wij maar niet liever heengaan? U moet niet te veel vergen van u zelf. Vindt u het niet verschrikkelijk vreemd?"

—"Integendeel," zeide ik; "het schijnt mij niets vreemd, en dat verbaast mij het meest."

—"Niet vreemd?" herhaalde zij.

— "Neen, volstrekt niet. De aandoeningen die gij denkt dat ik gevoel en die ik verwachtte, gevoel ik eenvoudig niet. Ik weet alles wat deze omgeving beduidt, maar zonder de opwinding die ik vreesde. En dat kan u niet zoo erg verwonderen als het mij doet. Van dien vreeselljken ochtend af toen u mij te hulp kwaamt, heb ik getracht alle gedachten aan mijn vorig leven te vermijden, zooals ik vermeden heb hier te komen, uit angst voor alle storende invloeden. Ik ben als een man die een gewond lichaamsdeel bewegingloos heeft gehouden, denkende dat het buitengewoon gevoelig was, en die het verlamd vindt als hij het weer bewegen wil."

—"Meent u dat uw geheugen weg is?"

[ 165 ] —"Geenszins. ik herinner mij alles wat tot mijn vorig leven behoort, maar met een totale afwezigheid van aandoening. Zoo helder herinner ik het mij alsof er geen dag tusschen is, maar de gewaarwordingen van hetgeen ik mij herinner zijn zoo flauw alsof, in mijn bewustzijn zoowel als in de werkelijkheid, honderd jaren waren verloopen. En dit is wel verklaarbaar ook. De uitwerking van een nieuwe omgeving is gelijk aan die van vervlogen tijd, het verleden schijnt een eindweegs achter ons te liggen. Toen ik uit mijn verdooving ontwaakte, scheen mijn vroeger bestaan mij als gisteren, maar nu, sedert ik mijn nieuwe omgeving heb leeren kennen, en de geweldige veranderingen heb vernomen die de wereld een nieuw aanzien hebben gegeven, is het mij niet langer moeilijk, en zelfs zeer gemakkelijk, te begrijpen dat ik een eeuw geslapen heb. Kunt gij u zoo iets voorstellen, in vier dagen honderd jaar te doorleven? Ik meen werkelijk dat ik dat gedaan heb, en dit is het wat aan mijn vorig leven zulk een verwijderd en fantastisch voorkomen geeft. Hebt u er idee van hoe dat mogelijk is?"

—"Ik meen van wel," antwoordde Edith peinzend, "en ik geloof dat wij daar allen dankbaar voor moeten wezen, want het zal u veel lijden besparen."

—"Verbeeld-u," ging ik voort met mijn pogingen om te verklaren, aan haar zoowel als aan mijzelf, de vreemdheid van mijn zielstoestand; "verbeeld-u dat iemand eerst hoorde van een verlies, zeer vele jaren, een half leven bijvoorbeeld, na dat het was geleden. Ik stel mij voor dat zijn gevoel overeen zou komen met het mijne. Als ik denk aan mijn familie en vrienden in de wereld van toen, en aan het verdriet dat zij over mij moeten gehad hebben, is het met een peinzend medelijden, meer dan [ 166 ] met pijnlijke droefheid, en als van een smart, lang, lang geleden genezen."

—"Gij hebt ons nog niets van uwe vrienden gezegd," zeide Edith; "zullen er veel om u getreurd hebben?"

— "Ik had goddank maar weinig bloedverwanten, en geen nadere dan neven en nichten. Maar éene was geen familie, maar mij dierbaarder dan maag of vriend. Zij heette zooals u. Ik zou toen gauw met haar getrouwd zijn. Helaas!"

—"Helaas!" zuchtte Edith aan mijn zijde. "Wat zal zij wanhopig zijn geweest!"

In het diepe gevoel van dit beminnelijke meisje was iets dat een snaar deed trillen in mijn zwijgend hart. Mijn oogen, te voren zoo droog, vulden zich met tranen die de eerste waren die ik schreide. Toen ik mijn kalmte herkregen had, zag ik dat ook Edith in stilte had geweend.

—"God beware uw teeder hart," zeide ik. "Zoudt gij haar portret willen zien?"

~ Een klein medaillon met het portret van Edith Bartlett, vastgemaakt aan een gouden ketting dien ik om den hals droeg, had op mijn borst gerust gedurende dien langen slaap; ik opende het medaillon en gaf het aan mijne gezellin. Zij nam het snel aan, en na lang het lieve gelaat te hebben beschouwd, drukte zij hare lippen op het portret.

—"Ik weet dat zij goed en beminnelijk was om uwe tranen waard te zijn," zeide zij, "maar bedenk dat haar hart zeer lang genezen is en zij nu in den hemel woont."

Ik gevoelde dat zij gelijk had. Hoe groot haar verdriet geweest ware, zij had voor bijna een eeuw opgehouden met schreien, en na mijne plotselinge en kortstondige opwelling van smart, droogden ook bij mij de tranen. Ik had haar [ 167 ] innig liefgehad in mijn ander leven, maar dat was honderd jaar geleden! Misschien vinden sommigen in deze bekentenis een duidelijk gebrek aan gevoel, maar niemand kan uit ervaring spreken om mij te beoordeelen. Toen wij op het punt stonden de kamer te verlaten, trof mijn oog de groote ijzeren kast in een hoek. Ik wees Edith er op en zeide:

—"Dit was zoowel mijn brandkamer als mijn slaapkamer. In die kast zijn duizenden dollars aan goud en een groot bedrag aan geldswaardige papieren. Als ik geweten had toen ik naar bed ging, dat mijn slaap zoo lang zou duren, zou ik toch gedacht hebben dat het goud een middel van bestaan zou opleveren in elk land en in elke eeuw. Dat er ooit een tijd zou komen waarin het zijn koopkracht zou verliezen, zou ik beschouwd hebben als de onmogelijkste verbeelding. Niettemin word ik nu wakker bij menschen die geen enkel brood zouden willen geven voor een kar vol goud."

Zooals te verwachten was, slaagde ik er niet in Edith te overtuigen dat in deze omstandigheid iets merkwaardigs was.—"Waarom zouden zij ook?" was haar eenige vraag.