Keulemans Onze vogels 2 (1873)/48

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
47 Onze vogels in huis en tuin, deel 2 van John Gerrard Keulemans

48. De oranjewever

49


[ Pl48 ]

Keulemans Onze vogels 2 48.jpg

[ 169 ]
 

DE ORANJEWEVER.

EUPLECTES FLAMMICEPS.


De Oranjewever heeft, wat zijne kleuren betreft, veel overeenkomst met den reeds beschreven Oranjevink, maar is iets kleiner dan deze. Zijne vleugels en staart zijn donkerder, zijn kop is van boven geheel oranje, zijn rug meer eenkleurig en niet zoo ros, maar geelachtiger, en zijn snavel is iets zwaarder en spitser, dan die van den Oranjevink.

Zoo als we reeds vroeger aanmerkten, worden deze oranje en zwart gekleurde vogels, over het algemeen, Oranjevinken, Oranjewevers ook Vuurwevers (ook Vuurvogels) genoemd, en heeft men in onze taal nog geene eigenaardige namen voor hen uitgedacht.

Ik noemde de grootste soort (Eup. oryx) Oranjevink, omdat zij van de bekende soorten den minst krachtigen en meest vinkachtigen snavel heeft. Daar de snavel der tweede, hier afgebeelde soort het meest met dien der Wevers (Ploceus) overeenkomt, zal de naam Oranjewever wel het best toepasselijk zijn. De derde soort, Eup. ignicolor, zullen wij, naar de soortnaam ignicolor, Vuurvogel noemen. Eenigen noemen de laatstbedoelde soort ook Kleinen Oranje vogel, welke naam even aannemelijk is, maar minder met den wetenschappelijken soortnaam strookt, en niet zoo zeer op hare kleuren kan toegepast worden, omdat deze van alle soorten het meest oranje is, en, die kleur bij deze soort gewoonlijk veel vuriger tint heeft, dan bij de andere soorten.

De Oranjewever nu, dien de Portugezen Canario en Amarillo noemen, wordt het menigvuldigst aan de Zuidwestkust van Afrika, namelijk van Mossamedes tot de Goudkust, aangetroffen en vertegenwoordigt in die streken Eup. oryx, die Zuidelijker leeft. In dezelfde streken, waar zich de Eup. flammiceps ophoudt, komt ook de Vuurvogel (Eup. ignicolor) voor, en beide laatstgenoemden worden, ook in het [ 170 ] Noord-Oosten van Afrika aangetroffen, alwaar echter Eup. oryx, voor zoo verre bekend, nog nooit gezien is.

Met betrekking tot de kleursverandering komt de Oranjewever geheel met den Oranjevink overeen. De wijfjes van beide soorten verschillen niet in kleur, alleen een weinig in grootte van ligchaam; het wijfje van den Oranjewever is kleiner, maar heeft daarentegen een zwaarderen bek. De jongen en de mannetjes in hun onvolkomen kleed zijn mede kleiner, maar vertoonen dezelfde kleuren als die van den Oranjevink, ofschoon zij gewoonlijk in den nek en op de stuit iets meer naar het gele trekken. De mannetjes in hun onvolkomen kleed verschillen van de wijfjes door hun donkeren snavel en minder duidelijk gestreepte rug- en kopveêren.

De nesten zien er evenzoo uit als die der groote soort, maar zijn van minderen omvang; ook de eijeren zijn kleiner, doch hebben dezelfde kleur. Men heeft ook nesten gevonden met twee uitgangen, welke afwijking echter ook van andere weverachtige vogels is waargenomen.

Voor 't overige hebben de drie soorten volmaakt dezelfde levenswijze; 't schijnt dan ook dat deze vogels alleen in kleur en grootte verschillen, doch in alle andere opzigten, in gewoonten, in stemgeluid, voedsel enz., overeenkomen.

In gevangenschap houdt men den Oranjewever op gelijke wijze als den Oranjevink, en men bespeurt dan bij beiden dezelfde geaardheid. Alle oranje- en zwartgekleurde soorten verschillen vooral in gevangen staat eenigzins in de meerdere of mindere helderheid van kleur; sommige zijn of worden geheel rood, andere donkergeel, of wel het eene gedeelte der vederen neemt eene roode, het andere eene gele tint aan. Misschien is dit verschil aan de soort of hoedanigheid van voedsel toe te schrijven, en dan zullen de lichtst gekleurde voorwerpen waarschijnlijk het minst goed gevoed zijn. Als men in de kooi eenige losse draden of pluis werpt, vlechten zij ook, even als de eigenlijke Wevers, doch maken nooit zooveel werk van hunne weefsels als de laatstgenoemden.