Nieuwjaarsrepliek, Frank van der Goes 1939

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Nieuwjaarsrepliek van Frank van der Goes
'Nieuwjaarsrepliek' werd oorspronkelijk gepubliceerd in het weekblad De Amsterdammer in 1887. De hier weergegeven tekst is ontleend aan Uit het werk van Frank van der Goes, gepubliceerd in 1939 te Amsterdam bij De Wereldbibliotheek N.V.. Dit werk is in het publieke domein.


[ 29 ]
 

NIEUWJAARSREPLIEK[1]

 

Het was in de St. Nicolaasweek.

De Heer Alberdingk Thijm in dit Weekblad, de Heer Vosmaer in zijn Spectator, de secretaris van De Gids in zijn December-kroniek. Men heeft de jeugd niet vergeten. De letters aan haar adres waren niet van banket. Surprises evenmin. Neen, de oude garde hanteert de oude gard, dezelfde die zij verleden jaar zwaaide.

De Heer Vosmaer doet wat ook andere ernstige beoordeelaren van Schaepman's Aya Sophia hebben gedaan: hij anticipeert op de opinie van De Nieuwe Gids. Zijn artikel moet geschreven zijn voor hij onze kroniek had gelezen. Dit is aardig. Het gevoel is niet meer weg te doen, dat nieuwe begrippen over poëzie in onze literatuur opkomen, en dat volgens die begrippen de Heer Schaepman geen verzen kan maken. Bovendien is het verzet tegen deze voorstelling bij den Heer Vosmaer niet bijzonder energiek. Zijn eenige oppositie is eigenlijk gelegen in de klacht, dat de jongeren zoo oneerbiedig zijn in hun kritiek. Iets van een presumptie dat die kritiek de kritiek van de toekomst is, schemert achter de sluiers die den ingang tot het Heilige zijner kunsttheorieën bedekken.

Men begrijpt dat dit voorbehoud niets dan een chicane is. Wanneer het oordeel van den Nieuwen Gids, telkens en telkens toegelicht door uitvoerige literaire beschouwingen, oneerbiedig is, dan hebben onze tegenstanders slechts weinig welwillendheid noodig om te onderstellen, dat wij inderdaad geen eerbied gevoelen voor wat wij afkeuren. Zullen wij hoogachting veinzen voor wat wij middelmatig vinden? Dat was niet het doel van ons tijdschrift. Moeten wij ons toeleggen op de keus van zachte uitdrukkingen, van wege het imposante schouwspel van een literatuur die vijftig jaar lang de behoeften van ons volk heeft weten te bevredigen? Komaan. Hoe zit het daar eigenlijk mede? Waar is het indrukwekkende?

Met klem van wélke redenen heeft men aangetoond dat deze dichters inderdaad goede verzen hebben ge[ 30 ] maakt, en deze proza-schrijvers goed proza? Naar onze redenen behoeft men niet vruchteloos te vragen. Die zijn te lezen in een paar boekdeelen met artikelen. En als wij op die en die gronden dan ons gebrek aan eerbied voor de officieele letterkunde der Hollanders hebben gebaseerd, is het enkel kinderachtig, ja aanmatigend tevens, ons te verwijten dat onze stijl dat gebrek niet bemantelt. Kinderachtig, want het brengt de quaestie tot keutelige proportiën terug: het verschillende literair inzicht is de hoofdzaak, niet de mate van beleefdheid in het publiek maken van dat inzicht aan den dag gelegd; en aanmatigend, want zoo goed als wij staan op ons recht om te zeggen wat wij willen, begeeren wij niemands voorlichting in de manier waarop wij het zeggen. Gij mijne Heeren, hebt respect voor Bilderdijk, voor.... maar het is niet noodig u de namen van uw idealen nogmaals voor de voeten te werpen, gij eert hen, en gij hebt gelijk dat gij dat Iaat merken als gij over hen schrijft. Wij daarentegen, wij gevoelen niets voor hen, en wij winden daar geen doekjes om. Waar is de misdaad? Is ónze blaam aanstootelijker dan uwe lof? Dat kan niet zijn, want lof en blaam beide moeten op een oordeel berusten, en een literair oordeel is een literaire quaestie, die alleen in een nauwkeurige gedachtenwisseling kan worden uitgemaakt, zoo zij al kan worden uitgemaakt. Of is het pedant, af te keuren wat gij toejuicht? Gij zijt te verstandig om dat te meenen. Hij die iets prijst geeft zich zelf recht van spreken, niet minder beslist dan hij die iets veroordeelt. Het is een verschil van gevoelen. En dan zult gij erkennen dat zij enkel uwe vleijers zijn, die u toeroepen, dat wij met u niet mogen verschillen van gevoelen, omdat gij in uwe geschriften getoond hebt, een wel overwogen opinie te bezitten. Gij zelf zult hen terecht wijzen. Het is nutteloos tot iemand te zeggen: gij zult het gevoelen van dien man eerbiedigen, als dat gevoelen berust op eene onjuistheid in uwe oogen.

Laat beide partijen dan blijven gebruik maken van hun recht: gij met achting te spreken van de dingen die gij hoogacht, en wij met geringschatting van wat wij waarde[ 31 ] loos vinden. Het nageslacht zal de redenen van dit verschil vergelijken. Men doet wijs als men zijn nageslacht zoekt na te volgen. Zoo gij wilt dat men u later niet in het ongelijk zal stellen, omdat men uwe redenen niet kent, haast u dan en bedenk de grijsheid van uwe haren. Gij hebt liefde voor uwe literatuur, maar onthoud ons dan ook niet de kennis van de charmes die zij voor u bezit. De liefde, zegt men, is blind, maar gij zult de bekoorlijkheden van een genegenheid niet versmaden, die helder ziet. Vaders, zoo onbesuisd kent men u niet. Wij zien u verwonderd aan, als gij óns wilt overtuigen met een beroep op úwe passie. De periode van uitroepen is voorbij en het tijdvak van motieven is aangebroken. Wij verlangen rekenschap. Respecteer in ons uwe grafredenaars. De goede verstaanders, die aan een half woord genoeg hadden, zijn dood, wij begrijpen niet meer uwe gebaren, uwe exclamaties, uwe wenken en knikken. Geef ons volzinnen die krachtig zijn als de winterdag van uw leeftijd, en helder als het ijsveld waarop gij uwe laatste schreden zet. Dan kunnen wij ten minste nog eens samen praten voor gij heengaat, opdat wij niet aan ónze kinderen zullen behoeven te zeggen:—grootvader hield veel van deze boeken, maar hij heeft ons nooit gezegd waarom.

Bovendien: is het ongeoorloofd de vraag te stellen of deze Heeren zoo bijzonder inschikkelijk zijn voor wat zij verkeerd achten? In het geheel niet. Uit de manier waarop zij ons behandelen, b.v., blijkt dat hun eisch geen welgemeend misverstand is, maar alleen de indirecte bekentenis hoe onaangenaam men het vindt, ouder te worden dan zijn reputatie. In het geval van den Heer Alberdingk Thijm is dit zeer frappant. De Nieuwe Gids van December bevatte, in een artikel over kunstkritiek, de opmerking, dat de auteur van die bijdrage de beoordeelingen van den Hoogleeraar voor professorale onkunde hield.

De heer Alberdingk kon die verklaring, al werd zij voorshands zonder nadere motiveering gegeven, aanzien voor de opinie die men in de kringen van jongere schilders en critici over zijne artikelen is toegedaan. Het gaat [ 32 ] niet aan, eenige dagen later die betuiging te beantwoorden met een algemeene klacht over onze oneerbiedigheid, zonder te zeggen wat die klacht heeft uitgelokt. De gebruikte woorden zijn niet beleefd, maar het ligt voor de hand, dat onze medewerker aan den Heer Alberdingk Thijm, in zijne kwaliteit van beoordeelaar van schilderijen, geen beleefdheid meende schuldig te zijn. Zou men dan iemand dwingen zijn gevoelen te verbergen? Dan zou het beter zijn dat men hem verbood te schrijven. De auteur van het N. Gids-artikel wilde juist zeggen: ik vind de kunst-kritieken van den Heer Thijm zeer slecht. Ziedaar. Het is een onbillijk en bovendien een onaesthetisch verlangen, dat men eenvoudige dingen niet-eenvoudig uitdrukt. Als hier gestreden moet worden, dient het te zijn over de vraag, of onze medewerker gelijk heeft, niet over de bij-zaak of hij iemands ijdelheid heeft gekwetst.

Een ander ding van gewicht is de omstandigheid, dat men ten onrechte onze kritiek verwijt, dat zij scheldwoorden in plaats van argumenten gebruikt. Ik houd vol, dat deze grief alleen op onze tegenstanders kan slaan. Wat ons betreft, wij hebben de gronden voor onze opinies in dozijnen artikelen neêrgelegd. Het gebrek aan redeneering bij de andere partij is pijnlijk, en onaangenaam voor ons, die gaarne wat meer weerstandsvermogen bij onze vijanden zouden ontdekken. Ik heb hier den Heer Alberdingk Thijm aan mijn kant. Hij was het, die in zijn artikel, dat den onbetamelijken uitval tegen den N. Gids bevatte, den Gids aanspoorde met kracht tegen ons op te treden.

O, gij ironische vreemdeling! Oude Paul Foreestier! Helaas, wat verlangt gij.... zeg ons aan welk van de Gids-redacteuren gij die taak zoudt willen opdragen! Aan den kroniekschrijver? Komaan. Aan den Heer Boissevain? Hij staat nog in den hoek waarin Busken Huet hem heeft gezet. De Nieuwe Gids is voor den ouden Gids, wat de Gids voor de Letteroefeningen was. Een onaangename werkelijkheid, die zich noch door eenige proeven van parodieën, noch door enkele sneers laat verbloemen. En toch zullen deze uitvallen en deze hekeldichtjes nooit [ 33 ] door iets beters worden overtroffen. De letterkundige redactie van den Gids heeft niet tot hare beschikking: kracht van stijl om ons te verpletteren; scherpte van redeneering om ons in het ongelijk te stellen; eigen productie in poëzie of proza om de onze te overschaduwen. Wat heeft zij dan? Haar stijl, maar men kan niet spreken over wat niet is. Haar redeneering gaat niet dieper dan verwacht kan worden van een kroniekschrijver, die nog steeds verklaart niet te begrijpen. Hare eigen gedichten en proza-stukken houden haar stijl gezelschap. Ik noodig u uit, mij terecht te wijzen. Inderdaad, met welke wapens zoudt gij begeeren, dat de strijd waarvan gij spreekt, werd gestreden?

Als letterkundig orgaan is de Gids overbodig. De redactie zelve "voelt zich niet onmisbaar". De uitgever zal daarentegen denken: zoolang ik een tijdschrift met vijftienhonderd abonnés bezit, acht ik dat tijdschrift voor mijn wereldsch welvaren verre van onverschillig. Voor den Gids is dan ook enkel een administratief bestaan denkbaar. De bijdragen komen in, en de Heer Van Kampen behoeft slechts een intelligenten bediende om ze te schikken in een zekere volgorde. Zonder redactie zou men ook het ongracelijk balspel missen, dat de politieke redacteuren in deze ernstige tijden met elkaar uitvoeren. In het literaire volkomen uitgepraat, verdeeld in het staatkundige, in beide zonder idealen, beginselen of zelfs voornemens, zou deze redactie tevergeefs ons het tegendeel van hare bekentenis hebben willen opdringen. Geen medewerker die weet dat zijn stuk door het heele land zal worden verspreid, en dat hij bovendien behoorlijk gehonoreerd wordt, zou zijn bijdrage aan den uitgever onthouden, al wist hij dat de Heeren Van Hall en Honig over de letterkundige, de Heeren Quack en Boissevain over de politieke opstellen niet meer zouden disputeeren. Van het tijdschrift Nederland is de geheele redactie afgetreden. Ook zij voelde zich niet onmisbaar, maar zij voegde de daad bij het woord. De literaire kroniek van den Heer Smit Kleine was sedert de Julia-historie aan het kwijnen ge[ 34 ] slagen. Wie zal nog ontkennen dat de oude redactiën uit onze Romantiek voortgekomen, als literaire corporatiën hebben opgehouden levenskracht te bezitten? Uit een tweede huwelijk dezer matrone zijn eenige zonen gesproten, die de deugden der moeder prijzen als goede kinderen. Maar toch ook niet beter dan kinderen. Oudere en steviger knapen hebben nog eens het woord gevoerd in het jubel-nummer van Den Gids, dat met December verschenen is. Het verschil tusschen hen en de tegenwoordige Gids-redacteuren is groot. Het bestaat voornamelijk daarin, dat de anderen wat te zeggen hebben, tenminste wat te zeggen hebben gehad, en de jongeren niet.

Men kan zonder eenige overdrijving beweren, dat door de helft der tegenwoordige redacteuren nog de eerste principieele bladzijde moet geschreven worden, die vroeger noodig was om bestuurder van den Gids te worden. Men moet of het geheele jongere geslacht negeeren, of erkennen dat De Gids geheel buiten de beweging staat, die de beweging is van onzen tijd. Dat is reeds genoeg gezegd. Wie ter wereld kan meenen, dat hij ingelicht is over de literaire inzichten en bedoelingen van deze Heeren? 't Is waar, zoodra hunne voorgangers over het moderne beginnen, verheffen ook zij zich niet boven een middelmatige journalistiek. Van banaliteiten zijn de opmerkingen van den Heer Vissering over het naturalisme moeilijk te onderscheiden, maar in de vrij duidelijk uitgesproken hoop, dat althans iets van zijn oude idealen bij het jongere geslacht in eere mag blijven, ligt de onmiskenbare zekerheid dat hij idealen heeft gehad. En zoo zijn ook de andere stukken. In een stijl, die de hunne is, spreken zij over het verleden, dat hun eigendom was. Dit nummer is een afscheid, een terugblik, een lijkrede, een testament, het is Hamlets vader, maar hij is nog flink geharnast en het testament is eigenhandig, duidelijk geschreven, en de stem is even vast als het oog onbewogen. Men heeft hunne dictie maar te vergelijken bij het schrijven van hunne opvolgers, om de décadence waar te nemen. Minder in wat zij zeggen dan in hunne manier van spreken ligt de groote historische waarde van deze af[ 35 ] levering. De grijsheid overtreft hier den middelbaren leeftijd in kracht en in fijnheid. De oud-redacteuren zijn proza-schrijvers; de tegenwoordige, proza-menschen.

Met de woorden van hunnen secretaris "waken" zij thans voor de eer van onze letterkunde. Actief is de bezigheid van waken zeker niet. Bovendien gevoelt men, dat men gemist kan worden. Het waken is dus eigenlijk niet erg noodig, denkt de Redactie. En zoo schijnt het mij ook. Wat gij bewaakt, mijne Heeren, zijn de resten van een doode romantiek. Wilt gij u blijven vergenoegen met de rol van oppassers van reliquieën, ons is het wel. Maar dan moet gij voortaan zwijgen over uw "levenslust". Niet alleen omdat dat zoo plat klinkt, maar vooral omdat men U dan wel eens zelfs dit werk, het laatste, uit de handen zou kunnen nemen. Suisses in een rariteiten-museum worden niet in de eerste plaats wegens hunne dartelheid aanbevolen.

 

  1. Voor het eerst gepubliceerd in Weekblad "De Amsterdammer" (1887)