Radio-reglement 1930. Hoofdstuk 3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Radio-reglement 1930. Hoofdstuk 2 Radio-reglement 1930. Hoofdstuk 3 Radio-reglement 1930. Hoofdstuk 4 >


Hoofdstuk III. Van de radio-electrische uitzending van mededeelingen van zakelijken aard[bewerken]

Artikel 12[bewerken]

Zonder een machtiging van den Minister is het verboden aan te leggen of te gebruiken radio-electrische inrichtingen, welke bestemd zijn tot het uitzenden (waaronder begrepen heruitzenden) van mededeelingen van zakelijken aard uit hoofde eener daartoe strekkende tusschen afzender en ontvanger bestaande rechtsbetrekking.

Artikel 13[bewerken]

De aanleg en het gebruik van de in het vorige artikel bedoelde inrichtingen geschiedt in den Regel van Rijkswege met inachtneming van het bepaalde in het volgende artikel.

Artikel 14[bewerken]

  1. De radio-electrische uitzending op een daarvoor bestemd Rijksstation en het gebruik van de daarvoor noodige lijnen geschieden op de voorwaarden, als door den Directeur-Generaal onder goedkeuring van den Minister wordt bepaald.
  2. De vergoeding voor de radio-telefonische uitzending wordt vastgesteld door den Directeur-Generaal onder goedkeuring van den Minister per gesprekseenheid van drie minuten of gedeelte daarvan, doch bedraagt ten hoogste drie gulden per gesprekseenheid, behoudens Onze machtiging aan den Minister tot overschrijding van dit bedrag.
  3. De vergoeding voor de radio-electrische uitzending op andere dan in het vorige lid genoemde wijze wordt vastgesteld door den Directeur-Generaal, onder goedkeuring van den Minister, met inachtneming van de door Ons met betrekking tot die vergoeding vast te stellen regelen.
  4. Het uitzenden van mededeelingen, die in strijd zijn met de veiligheid van den Staat, de openbare orde of de goede zeden alsmede het uitzenden van andere mededeelingen, dan die krachtens de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, voor uitzending zijn toegelaten, is verboden.

Artikel 15[bewerken]

De machtiging bedoeld in artikel 12, kan, behoudens uit hoofde van bezwaren van techniek en uitvoering en onverminderd het bepaalde in artikel 13, slechts wegens gevaar voor de veiligheid van den Staat, de openbare orde of de goede zeden worden geweigerd.

Artikel 16[bewerken]

Behalve de voorwaarden, in elk bijzonder geval aan de machtiging te verbinden, wordt als regel gesteld:
   1°. dat het gebruik van de machtiging geschiedt ten genoegen van den Minister;
   2°. dat de machtiging door den Minister kan worden ingetrokken bij niet-nakoming van de voorwaarden, waaronder zij is verleend.

Artikel 17[bewerken]

Het gebruik van de inrichting wordt, zoodra dit door Ons in het algemeen belang wordt noodig geacht, geheel of ten deele gestaakt.

Artikel 18[bewerken]

  1. Tot aanleg, wijziging of uitbreiding van de inrichting mag niet worden overgegaan, alvorens daarvan is kennis gegeven aan den Directeur-Generaal en deze tot de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk toestemming gegeven heeft; bij de uitvoering moet aan de door of namens den Directeur-Generaal te geven aanwijzingen van technischen aard naar diens genoegen gevolg gegeven worden.
  2. De inrichting mag na aanleg, wijziging of uitbreiding niet in gebruik genomen worden, alvorens door proefnemingen en metingen is aangetoond, dat aan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aanwijzingen gevolg gegeven is en dat de uitzending geen storing teweeg brengt.

Artikel 19[bewerken]

De plaats, waar de inrichting wordt gevestigd, de frequentie (golflengte) en het vermogen, waarmede uitgezonden wordt, behoeven de goedkeuring van den Minister.

Artikel 20[bewerken]

  1. Het is verboden door den aanleg of het gebruik van de inrichting te belemmeren den aanleg, de instandhouding of de exploitatie onderscheidenlijk het gebruik van voor het openbaar verkeer bestemde telegrafen en telefonen en daarmede door den Minister gelijk te stellen radio-electrische inrichtingen, van telegrafen en telefonen bedoeld in artikel 13 der Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) of van inrichtingen, bedoeld in artikel 3ter dier wet, indien de aanleg en het gebruik daarvan van Rijkswege geschiedt.
  2. Voorzieningen ter opheffing of ter voorkoming van belemmeringen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geschieden op kosten van dengene, aan wien de machtiging is verleend.

Artikel 21[bewerken]

De houder van de machtiging is verplicht:
   a. de door of namens den Minister met betrekking tot de inrichting verlangde voorzieningen te treffen;
   b. de door den Directeur-Generaal aan te wijzen ambtenaren op vertoon van hunne bijzondere lastgeving in de gelegenheid te stellen na te gaan of aan de bij de machtiging gestelde bepalingen of ter uitvoering daarvan gegeven aanwijzigingen is voldaan;
   c. een schriftelijke verklaring af te leggen, dat de machtiging op de gestelde voorwaarden door hem wordt aanvaard en dat hij zich aan de gestelde of nader te stellen bepalingen zal houden.

Artikel 22[bewerken]

  1. De houder van de machtiging is verplicht er voor zorg te dragen, dat de inhoud van hetgeen wordt uitgezonden, niet in strijd is met de veiligheid van den Staat, de openbare orde of de goede zeden.
  2. Het uitzenden van mededeelingen, die in strijd zijn met de veiligheid van de Staat, de openbare orde of de goede zeden, alsmede van andere mededeelingen dan bij de machtiging toegestaan en het uitzenden buiten voorkennis of tegen de opdracht van den houder van de machtiging is verboden.

Artikel 23[bewerken]

De houder van de machtiging is verplicht zich te onderwerpen aan de contrôle op hetgeen door middel van de inrichting wordt uitgezonden, zooals deze contrôle bij wettelijk voorschrift is of zal worden geregeld.

Artikel 24[bewerken]

Wij behouden Ons voor regelen vast te stellen voor de berekening van de door den houder van de machtiging aan het rijk verschuldigde vergoeding.