Radio-reglement 1930. Hoofdstuk 4

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Radio-reglement 1930. Hoofdstuk 3 Radio-reglement 1930. Hoofdstuk 4 Radio-reglement 1930. Hoofdstuk 5 >


Hoofdstuk IV. Van de Radio-distributie[bewerken]

Artikel 25[bewerken]

Zonder een machtiging van den Minister is het verboden aan te leggen of te gebruiken inrichtingen, bestemd tot het langs geleidingen en lijnen doorgeven van langs radio-electrischen weg door middel van die inrichtingen ontvangen seinen naar andere perceelen of woningen dan die, waarin de ontvanginrichting is geplaatst.

Artikel 26[bewerken]

De machtiging kan, behoudens uit hoofde van bezwaren van techniek en uitvoering, slechts wegens gevaar voor de veiligheid van den Staat, de openbare orde of de goede zeden worden geweigerd.

Artikel 27[bewerken]

Behalve de voorwaarden, in elk bijzonder geval aan de machtiging te verbinden, wordt als regel gesteld:
   1°. dat het gebruik van de machtiging geschiedt ten genoegen van den Minister;
   2°. dat de machtiging door den Minister kan worden ingetrokken bij niet-nakoming van de voorwaarden, waaronder zij is verleend.

Artikel 28[bewerken]

Het gebruik van de inrichting wordt, zoodra dit door Ons in het algemeen belang wordt noodig geacht, geheel of ten deele gestaakt.

Artikel 29[bewerken]

Tot aanleg, wijziging of uitbreiding van de inrichting mag niet worden overgegaan dan na inzending van de daarop betrekking hebbende gegevens en na ontvangst der daarop verkregen goedkeuring van den Directeur-Generaal.

Artikel 30[bewerken]

  1. Het is verboden door den aanleg of het gebruik van de inrichting te belemmeren den aanleg, de instandhouding of de exploitatie onderscheidenlijk het gebruik van voor het openbaar verkeer bestemde telegrafen en telefonen en daarmede door den Minister gelijk te stellen radio-electrische inrichtingen, van telegrafen en telefonen, bedoeld in artikel 13 der Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7), of van inrichtingen, bedoeld in artikel 3ter dier wet, indien de aanleg en het gebruik daarvan van Rijkswege geschiedt.
  2. Voorzieningen ter opheffing of ter voorkoming van belemmeringen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geschieden op kosten van dengene, aan wien de machtiging is verleend.

Artikel 31[bewerken]

De houder van de machtiging is verplicht:
   a. de door of namens den Minister met betrekking tot de inrichting verlangde voorzieningen te treffen;
   b. de door den Directeur-Generaal aan te wijzen ambtenaren, voorzien van een legitimatiebewijs, in de gelegenheid te stellen de inrichting te onderzoeken en kennis te nemen van alles, wat daarmede verband houdt, alsmede bij de voorwaarden, bedoeld in artikel 35, te zorgen, dat deze ambtenaren de omschreven werkzaamheden eveneens ten opzichte van de lijnen en geleidingen, tot de inrichting behoorende, kunnen verrichten.
   c. een schriftelijke verklaring af te leggen, dat de machtiging op de gestelde voorwaarden door hem wordt aanvaard en dat hij zich aan de gestelde of nader te stellen bepalingen zal houden.

Artikel 32[bewerken]

  1. Behoudens het bepaalde in artikel 33 is het den houder van de machtiging verboden langs de geleidingen en lijnen, waardoor de aangesloten perceelen of woningen met de inrichting zijn verbonden, mededeelingen door te geven van andere herkomst of van anderen aard dan in artikel 2 of, indien de machtiging ter zake bevoegdheid geeft, in artikel 12 omschreven.
  2. Het langs de geleidingen en lijnen van de inrichting overbrengen van mededeelingen, als in artikel 38 omschreven, is, anders dan met inachtneming van de artikelen 38 tot en met 49, verboden.

Artikel 33[bewerken]

  1. Zonder toestemming van den Minister is het doorgeven van door buitenlandsche omroepstations uitgezonden programma's verboden.
  2. De houder van de machtiging is verplicht, indien de uitzendingen der omroepstations zulks mogelijk maken, de programma's der Nederlandsche omroepstations gelijktijdig en onverkort door te geven naar alle aangesloten perceelen, zoodat de aangeslotenen uit die programma's een keuze kunnen doen.

Artikel 34[bewerken]

  1. De houder van de machtiging is verplicht, om - binnen het hem bij de machtiging toegewezen gebied - aan elke aanvraag om aansluiting aan zijn inrichting te voldoen, indien de belanghebbende aan de voorwaarden voor het verkrijgen van zoodanige aansluiting heeft voldaan.
  2. De Minister kan den houder van de machtiging in bijzondere gevallen, te zijner beoordeeling, van de in het eerste lid bedoelde verplichting ontslaan.

Artikel 35[bewerken]

De voorwaarden van het gebruik, alsmede de door den houder van de machtiging te heffen vergoedingen, zijn aan de goedkeuring van den Minister onderworpen.

Artikel 36[bewerken]

  1. De houder van de machtiging is verplicht zich te onderwerpen aan de contrôle op hetgeen door middel van de inrichting wordt overgebracht, zooals deze contrôle bij wettelijk voorschrift is of zal worden geregeld.
  2. Ter contrôle op de juiste naleving van de in de machtiging gestelde voorwaarden, worden door en voor rekening van den houder van de machtiging en ten genoegen van den Directeur-Generaal contrôletoestellen op de inrichtingen aangesloten, waar en wanneer zulks door den Directeur-Generaal wordt noodig geoordeeld.

Artikel 37[bewerken]

  1. In de machtiging kan de verplichting worden opgenomen tot betaling van een door den Minister te bepalen vergoeding.
  2. Deze vergoeding, welke dient ter bestrijding van de kosten voor de bemoeiingen, die voor het Rijk uit de contrôle op de juiste naleving van de in de machtiging gestelde voorwaarden voortvloeien, zal een bedrag van ƒ 0,50 per jaar en per op de inrichting aangesloten geabonneerde niet te boven gaan, behoudens Onze machtiging aan den Minister tot overschrijding van dit bedrag.