Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans/1

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans van Gebroeders Grimm

1. De koning der kikvorschen, of de ijzeren Hendrik

2


[ 1 ] Er was eens eene koningsdochter, die niet wist wat zij uit verveling doen zou; zij nam toen een gouden bal, waarmede zij reeds menigmaal had gespeeld, en ging uit in het bosch. Midden in dit bosch ging zij nederzitten, wierp den bal gedurig in de hoogte, ving hem weder op en speelde alzoo voort. Toen gebeurde het, dat de bal eens zeer hoog gevlogen was en de koningsdochter reeds den arm in de hoogte hield en de vingertjes uitstrekte om hem te vangen; maar hij viel voorbij haar op den grond en rolde regelregt in het water.

Verschrikt zag het prinsesje hem na, maar de bal zonk naar beneden en de bron was zoo diep, dat de bodem niet bereikt konde worden. Toen hij nu geheel verdween, begon het meisje jammerlijk te schreien en riep: „Ach! mijn gouden bal! Had ik hem maar terug! Alles wilde ik daarvoor geven, mijne kleederen, mijne edelgesteenten, mijne parels, ja mijn gouden kroon daarbij." Toen zij dit gezegd had, dook een kikvorsch met zijn dikken kop uit het water en sprak: „koningsdochter, waarom jammert gij zoo?" „Ach," [ 2 ] zeide zij, „gij leelijke vorsch, hoe zoudt gij mij kunnen helpen? Mijn gouden bal is daar bij u in de bron gevallen." De kikvorsch sprak verder: „uwe kleederen, uwe edelgesteenten, uwe parels, ja uwe gouden kroon — dat alles begeer ik niet; maar zoo gij mij tot vriend en speelgenoot wilt aannemen, zoo ik aan uw tafeltje naast u zitten, met u van uw gouden bordje eten, uit uw bekertje drinken en in uw bedje slapen mag, dan wil ik u uw gouden bal terughalen." De koningsdochter dacht bij zichzelve: „wat praat een zoo domme kikvorsch niet al! Een kikvorsch is toch geen mensch en moet dus in het water bij de kikvorschen blijven; maar misschien kan hij mijn bal toch wel terughalen." Zij sprak vervolgens tot hem: „ik mag het lijden; bezorg mij maar eerst mijn gouden bal, dan beloof ik u alles."

Toen zij dit gezegd had, dook de kikvorsch weder onder het water, zonk naar beneden en zwom in weinig tijds wederom in de hoogte; hij had den bal in den bek en wierp hem in het gras. Hoe verheugde zich het koningskind, toen zij haar speeltuig weder in handen had! De kikvorsch riep: „nu, wacht eens, koningsdochter, en neem mij met u mede!" Maar dat was in den wind gesproken; zij luisterde niet, ging met haar bal in de hand naar huis en dacht in het geheel niet meer aan den kikvorsch.

Toen zij den volgenden dag met den koning en de hoflieden aan tafel zat en van haar gouden bordje at, kwam, plits, plats! plits, plats! iets den trap opspringen, dat toen het boven was, aan de deur klopte en

Koningsdochter en kikvorsch

[ 3 ] riep: „koningsdochter, jongste, doe de deur open!" Zij ging naar de deur om te zien wie er klopte, maar toen zij de deur even openmaakte, zat er de kikvorsch voor. Zij wierp hierop de deur spoedig toe en ging bevende weder aan tafel zitten. De koning, ziende dat zij zoo beefde, sprak: „waarom beeft gij? Staat er ook een reus voor de deur, die u komt halen?" „Ach neen," zeide het kind, „het is geen reus, maar een leelijke kikvorsch, die mij gisteren in 't bosch mijn gouden bal uit het water heeft gehaald; ik heb hem toen moeten beloven dat hij mijn speelgenoot zou zijn, maar ik dacht nooit, dat hij uit het water kon gaan; nu is hij er uit en wil tot mij komen."

Intusschen klopte de kikker nog eens en riep: „O koningsdochter, jongste, maak mij open! Weet gij niet meer wat gij mij gisteren beloofd hebt bij de zuivere koele bron? O koningsdochter, jongste, maak mij open!"

Toen zeide de koning: „gij hebt het beloofd, nu moet gij uwe belofte ook houden; ga en maak de deur voor hem open." Zij ging hierop heen en opende de deur, waarop de kikvorsch haar zoo lang achterna huppelde, totdat zij op haar stoel gezeten was. Hij zat daar en riep: „neem mij bij u!" Maar zij wilde niet, voordat de koning haar zulks beval. Toen de kikvorsch nu op den stoel naast haar zat, sprak hij: „schuif nu uw gouden bordje digter bij mij, dan kunnen wij met elkander eten." Zeer verdrietig deed zij zulks, en de kikvorsch liet het zich zeer lekker smaken, maar haar bleef elk stukje in de keel zitten. Vervolgens sprak [ 4 ] hij: „nu heb ik genoeg en ben moede; draag mij naar uw kamertje, en maak uw zijden bedje in orde, dan zullen wij samen gaan slapen.” Toen zij dit hoorde begon de koningsdochter te weenen en was bevreesd voor dien kouden leelijken kikvorsch; zij durfde hem nauwlijks aanraken, en hij wilde toch in haar bedje slapen. De koning zag haar verstoord aan en sprak: „wat gij beloofd hebt moet gij doen; de kikvorsch zal zonder tegernspraak uw speelgenoot zijn.” Zij mocht nu doen wat zij wilde, hij moest evenwel bij haar slapen; maar daar zij zeer boos was, pakte zij hem met hare twee vingeren op en droeg hem naar boven. Toen zij in bed lag, wierp zij den kikvorsch tegen den muur in plaats van er hem ook in te leggen, en zeide: „nu zult gij rust hebben, gij leelijke kikvorsch.”

Maar hetgeen op den grond viel was geen doode kikvorsch, maar een koningszoon met zeer schoone en vriendelijke oogen. Hij was nu met recht haar speelgenoot en haar gemaal. Zij sliepen nu met elkander zacht in, en toen de zon hen opwekte, kwam er een wagen aanrijden met acht witte paarden, welke met vederen en gouden kettingen opgesierd waren. Achterop stond een page van den jongen koning; deze was de getrouwe Hendrik. Die man was zoo bedroefd, toen zijn heer in een kikvorsch veranderd werd, dat hij drie ijzeren banden om zijn hart had laten smeden, opdat het door overmaat van droefheid niet mocht bersten. Deze wagen zoude den jongen koning in zijn rijk brengen; de getrouwe Hendrik liet er hen beiden in, en ging weder achterop staan, zeer verblijd over de [ 5 ] verlossing des konings. Toen zij nu eene poos onderweg geweest waren, meende de koningszoon dat er iets aan den wagen brak. Hierop zag hij om en riep : „Hendrik, ik geloof dat de wagen breekt.” Hendrik antwoordde: „Neen, koning, de wagen niet, het is een band van mijn hart, dien ik er om had laten smeden, toen gij bij de bron in een kikvorsch veranderdet.”

Het kraakte nog eens.
De koningszoon meende weder dat de wagen brak ; maar zie! het waren enkel de ijzeren banden, die van het hart van den getrouwen Hendrik afsprongen, uit blijdschap dat zijn heer wederom verlost en gelukkig was.