Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa - Deel III

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Flag of Europe.svg   Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa   Flag of Europe.svg
Preambule
Deel I - Definitie en Doelstellingen van de Unie
Deel II - Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
Deel III - Beleid en Werking van de Unie
Deel IV - Algemene en Slotbepalingen:
Slotbepalingen - Protocollen - Bijlagen I en II - Slotakte - Verklaringen

BELEID EN WERKING VAN DE UNIE

TITEL I[bewerken]

ALGEMEEN TOEPASSELIJKE BEPALINGEN

Artikel III-115

De Unie ziet toe op de samenhang tussen ieder beleid en optreden bedoeld in dit deel, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen en met inachtneming van het beginsel van bevoegdheidstoedeling. 275 50

Artikel III-116

Bij ieder in dit deel bedoeld optreden streeft de Unie naar opheffing van de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen en naar bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen.

Artikel III-117

Bij de bepaling en de uitvoering van ieder beleid en optreden bedoeld in dit deel houdt de Unie rekening met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid.

Artikel III-118

Bij de bepaling en de uitvoering van ieder beleid en optreden bedoeld in dit deel streeft de Unie naar bestrijding van iedere discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid.

Artikel III-119

Bij de bepaling en de uitvoering van ieder beleid en optreden bedoeld in dit deel moeten de eisen inzake milieubescherming worden geïntegreerd, teneinde in het bijzonder duurzame ontwikkeling te bevorderen.

Artikel III-120

Bij de bepaling en de uitvoering van ieder ander beleid en optreden van de Unie wordt rekening gehouden met de eisen inzake consumentenbescherming.

Artikel III-121

Bij de bepaling en de uitvoering van het beleid van de Unie op het gebied van landbouw, visserij, vervoer, de interne markt, onderzoek en technologische ontwikkeling en de ruimte houden de Unie en de lidstaten ten volle rekening met de eisen inzake het welzijn van dieren als wezens met gevoel, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de gebruiken van de lidstaten, met name met betrekking tot godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed.

Artikel III-122

Onverminderd de artikelen I-5, III-166, III-167 en III-238 en gezien de plaats die de diensten van algemeen economisch belang innemen als diensten waaraan eenieder in de Unie waarde hecht, alsook de rol die zij 51 275 vervullen bij de bevordering van de sociale en territoriale samenhang van de Unie, dragen de Unie en de lidstaten er overeenkomstig hun onderscheiden bevoegdheden en binnen het toepassingsgebied van de Grondwet zorg voor dat deze diensten functioneren op basis van beginselen en onder voorwaarden, met name economische en financiële, die hen in staat stellen hun taken te vervullen. Deze beginselen en voorwaarden worden bij Europese wet vastgesteld, onverminderd de bevoegdheid van de lidstaten om, met inachtneming van de Grondwet, dergelijke diensten te verstrekken, te laten verrichten en te financieren.

TITEL II[bewerken]

NON-DISCRIMINATIE EN BURGERSCHAP

Artikel III-123

Het in artikel I-4, lid 2, bedoelde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit kan bij Europese wet of kaderwet worden geregeld.

Artikel III-124

1. Onverminderd de overige bepalingen van de Grondwet en binnen de grenzen van de bij de Grondwet aan de Unie toegedeelde bevoegdheden, kunnen bij Europese wet of kaderwet van de Raad de nodige maatregelen worden vastgesteld om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement. 2. In afwijking van lid 1 kunnen de grondbeginselen van de stimuleringsmaatregelen van de Unie, alsmede die maatregelen zelf, die worden genomen ter ondersteuning van het optreden van de lidstaten om bij te dragen tot de verwezenlijking van de in lid 1 bedoelde doelstellingen, bij Europese wet of kaderwet worden vastgesteld; iedere harmonisatie van hun wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen is uitgesloten.

Artikel III-125

1. Indien een optreden van de Unie noodzakelijk blijkt om de uitoefening van het in artikel I-10, lid 2, onder a, bedoelde recht van vrij verkeer en vrij verblijf voor iedere burger van de Unie te vergemakkelijken, en de Grondwet niet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, kunnen bij Europese wet of kaderwet maatregelen daartoe worden vastgesteld. 2. Ter verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen kunnen bij Europese wet of kaderwet van de Raad tevens maatregelen worden vastgesteld inzake paspoorten, identiteitskaarten, verblijfstitels en 275 52 andere daarmee gelijkgestelde documenten, alsmede maatregelen inzake sociale zekerheid en sociale bescherming, tenzij de Grondwet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-126

Bij Europese wet of kaderwet van de Raad worden de nadere regelingen vastgesteld waaronder iedere burger van de Unie het in artikel I-10, lid 2, onder b, bedoelde actieve en passieve kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement kan uitoefenen in de lidstaat waar hij verblijf houdt, maar waarvan hij geen onderdaan is. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. Deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen, indien zulks gerechtvaardigd wordt door problemen die eigen zijn aan een lidstaat. Het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement wordt uitgeoefend onverminderd artikel III-330, lid 1, en de voor de toepassing daarvan vastgestelde maatregelen.

Artikel III-127

De lidstaten treffen de nodige regelingen met het oog op de diplomatieke en consulaire bescherming van de burgers van de Unie in derde landen, als bedoeld in artikel I-10, lid 2, onder c. De lidstaten beginnen de internationale onderhandelingen die met het oog op deze bescherming vereist zijn. Bij Europese wet van de Raad kunnen de nodige maatregelen ter bevordering van deze bescherming worden vastgesteld. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-128

De talen waarin iedere burger van de Unie krachtens artikel I-10, lid 2, onder d, het recht heeft de instellingen en de organen aan te schrijven en antwoord te krijgen, worden genoemd in artikel IV-448, lid 1. De in artikel I-10, lid 2, onder d, bedoelde instellingen en organen worden genoemd in de artikelen I-19, lid 1, tweede alinea, en in de artikelen I-30, I-31 en I-32; ook de Europese ombudsman behoort hiertoe.

Artikel III-129

De Commissie brengt om de drie jaar aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan het Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de toepassing van artikel I-10 en van deze titel. In dat verslag wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van de Unie. Op basis van dat verslag en onverminderd de overige bepalingen van 53 275 de Grondwet, kunnen de in artikel I-10 bepaalde rechten bij Europese wet of kaderwet van de Raad worden aangevuld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement. Deze wet of kaderwet treedt pas in werking nadat zij door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen is goedgekeurd.

TITEL III[bewerken]

INTERN BELEID EN OPTREDEN

HOOFDSTUK I[bewerken]

INTERNE MARKT

AFDELING I[bewerken]

TOTSTANDBRENGING EN WERKING VAN DE INTERNE MARKT

Artikel III-130

1. De Unie stelt de maatregelen vast die ertoe bestemd zijn om de interne markt tot stand te brengen en de werking ervan te verzekeren, overeenkomstig de bepalingen terzake van de Grondwet. 2. De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal is gewaarborgd overeenkomstig de Grondwet. 3. Op voorstel van de Commissie stelt de Raad bij Europese verordening of Europees besluit de noodzakelijke richtsnoeren en voorwaarden vast om een evenwichtige vooruitgang in het geheel der betrokken sectoren te waarborgen. 4. Bij het formuleren van voorstellen ter verwezenlijking van de in de leden 1 en 2 genoemde doelstellingen houdt de Commissie rekening met de inspanning die van bepaalde economieën met verschillen in ontwikkeling wordt gevergd voor de totstandbrenging van de interne markt, en kan zij passende maatregelen voorstellen. Indien deze maatregelen de vorm van afwijkingen aannemen, dienen zij van tijdelijke aard te zijn en de werking van de interne markt zo weinig mogelijk te verstoren.

Artikel III-131

De lidstaten plegen onderling overleg teneinde gezamenlijk het nodige te doen om te voorkomen dat de werking van de interne markt ongunstig wordt beïnvloed door de maatregelen waartoe een lidstaat zich genoopt kan voelen in geval van ernstige binnenlandse onlusten die de 275 54 openbare orde verstoren, in geval van oorlog of van ernstige internationale spanning welke oorlogsgevaar inhoudt, of om te voldoen aan de verplichtingen die hij met het oog op het behoud van de vrede en de internationale veiligheid is aangegaan.

Artikel III-132

Indien maatregelen die zijn genomen in de gevallen bedoeld in de artikelen III-131 en III-436 tot gevolg hebben dat de mededingingsverhoudingen in de interne markt worden vervalst, gaat de Commissie samen met de betrokken lidstaat na onder welke voorwaarden die maatregelen kunnen worden aangepast aan de bij de Grondwet vastgestelde regels. In afwijking van de procedure bepaald in de artikelen III-360 en III- 361, kan de Commissie of iedere lidstaat zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden, indien de Commissie of de lidstaat van oordeel is dat een andere lidstaat misbruik maakt van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen III-131 en III-436. Het Hof van Justitie beslist met gesloten deuren.

AFDELING 2[bewerken]

VRIJ VERKEER VAN PERSONEN EN DIENSTEN

Onderafdeling 1[bewerken]

Werknemers

Artikel III-133

1. Werknemers hebben het recht zich vrij binnen de Unie te verplaatsen. 2. Iedere discriminatie op grond van nationaliteit tussen werknemers van de lidstaten, wat betreft werkgelegenheid, beloning en de overige arbeidsvoorwaarden, is verboden. 3. Werknemers hebben behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht: a. in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling; b. zich te dien einde vrij te verplaatsen op het grondgebied van de lidstaten; c. in een van de lidstaten te verblijven om daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden; d. op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een arbeidsbetrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die worden opgenomen in door de Commissie vast te stellen Europese verordeningen. 55 275 4. Dit artikel is niet van toepassing op betrekkingen in overheidsdienst.

Artikel III-134

Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld die nodig zijn om tot een vrij verkeer van werknemers te komen zoals dit in artikel III-133 is omschreven. Deze wetten of kaderwetten worden vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité. De Europese wetten en kaderwetten beogen met name het volgende: a. het bewerkstelligen van nauwe samenwerking tussen de nationale instanties op het gebied van de arbeid; b. het afschaffen van de administratieve procedures en praktijken, alsmede van de wachttijden voor het aanvaarden van aangeboden arbeidsbetrekkingen, die voortvloeien uit de nationale wetgeving of uit eerder tussen de lidstaten gesloten overeenkomsten en waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de liberalisering van het verkeer van werknemers; c. het afschaffen van alle wachttijden en andere beperkingen die in de nationale wetgeving of in eerder tussen de lidstaten gesloten overeenkomsten zijn gesteld en die aan werknemers uit de overige lidstaten andere voorwaarden voor de vrije keuze van een arbeidsbetrekking opleggen dan aan werknemers van het eigen land; d. het instellen van structuren die vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bij elkaar brengen en die het evenwicht daartussen bevorderen onder voorwaarden welke uitsluiten dat de levensstandaard en de werkgelegenheid in de verschillende regio’s en industrieën ernstig in gevaar komen.

Artikel III-135

De lidstaten werken in het kader van een gemeenschappelijk programma de uitwisseling van jonge werknemers in de hand.

Artikel III-136

1. Op het gebied van de sociale zekerheid worden bij Europese wet of kaderwet de maatregelen vastgesteld die nodig zijn om tot een vrij verkeer van werknemers te komen, door met name een stelsel in te voeren waardoor het mogelijk is voor al dan niet in loondienst werkzame migrerende werknemers en hun rechthebbenden te waarborgen dat: a. met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen, alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen; b. de uitkeringen worden betaald aan personen die op het grondgebied van de lidstaten verblijven. 275 56 2. Wanneer een lid van de Raad van oordeel is dat een ontwerp van Europese wet of kaderwet als bedoeld in lid 1 afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn socialezekerheidsstelsel, met name het toepassingsgebied, de kosten en de financiële structuur ervan, of gevolgen zou hebben voor het financiële evenwicht van dat stelsel, kan hij verzoeken dat het wordt voorgelegd aan de Europese Raad. In dat geval wordt de in artikel III-396 bedoelde procedure opgeschort. Na bespreking wordt door de Europese Raad, binnen vier maanden na deze schorsing: a. het ontwerp terugverwezen naar de Raad, waardoor de schorsing van de in artikel III-396 bedoelde procedure wordt beëindigd, of b. de Commissie verzocht een nieuw voorstel in te dienen; in dat geval wordt de aanvankelijk voorgestelde handeling geacht niet te zijn vastgesteld.

Onderafdeling 2[bewerken]

Vrijheid van vestiging

Artikel III-137

In het kader van deze onderafdeling zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod geldt ook voor beperkingen van de oprichting van agentschappen, bijkantoren of dochterondernemingen door onderdanen van een lidstaat die zich op het grondgebied van een lidstaat hebben gevestigd. De onderdanen van een lidstaat hebben, behoudens afdeling 4 betreffende kapitaal en betalingen, op het grondgebied van een andere lidstaat het recht van toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en het recht op de uitoefening daarvan, alsmede het recht ondernemingen, met name vennootschappen in de zin van artikel III-142, tweede alinea, op te richten en te beheren, onder de voorwaarden waarin de wetgeving van de lidstaat van vestiging voor de eigen onderdanen voorziet.

Artikel III-138

1. Bij Europese kaderwet worden de maatregelen vastgesteld om tot de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid te komen. De kaderwetten worden vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité. 2. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie oefenen de taken uit die hun bij lid 1 worden toevertrouwd, door met name: a. in het algemeen bij voorrang de werkzaamheden te behandelen, ten aanzien waarvan de vrijheid van vestiging een bijzonder nuttige bijdrage levert ter ontwikkeling van de productie en van het handelsverkeer; 57 275 b. te bewerkstelligen dat de bevoegde nationale overheden nauw samenwerken, teneinde de bijzondere omstandigheden van de verschillende betrokken werkzaamheden binnen de Unie te leren kennen; c. bestuursrechtelijke procedures en praktijken af te schaffen welke uit de nationale wetgeving of uit voordien tussen de lidstaten gesloten akkoorden voortvloeien en waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijheid van vestiging; d. erop toe te zien dat de werknemers van een van de lidstaten die op het grondgebied van een andere lidstaat werkzaam zijn, op dat grondgebied kunnen verblijven om er anders dan in loondienst werk te verrichten, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden waaraan zij zouden moeten voldoen indien zij pas op het tijdstip waarop zij die bezigheid willen opnemen, in die staat zouden aankomen; e. de verwerving en de exploitatie mogelijk te maken van op het grondgebied van een lidstaat gelegen grondbezit door een onderdaan van een andere lidstaat, voorzover de in artikel III-227, lid 2, bedoelde beginselen niet worden aangetast; f. de geleidelijke opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging in iedere in behandeling genomen sector toe te passen, enerzijds op de voorwaarden voor de oprichting op het grondgebied van een lidstaat, van agentschappen, bijkantoren of dochterondernemingen, en anderzijds op de voorwaarden voor de toelating van het personeel van de hoofdvestiging tot de organen van beheer of toezicht van deze agentschappen, bijkantoren of dochterondernemingen; g. voorzover nodig, de waarborgen te coördineren welke in de lidstaten worden verlangd van vennootschappen in de zin van artikel III- 142, tweede alinea, om de belangen van vennoten en van derden te beschermen, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken; h. ervoor te zorgen dat de voorwaarden van vestiging niet worden vervalst als gevolg van steunmaatregelen van de lidstaten.

Artikel III-139

Deze onderafdeling is, wat een bepaalde lidstaat betreft, niet van toepassing op de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in een staat, ook niet indien deze slechts voor een bepaalde gelegenheid worden verricht. Bij Europese wet of kaderwet kunnen bepaalde werkzaamheden van de toepassing van deze onderafdeling worden uitgesloten.

Artikel III-140

1. Deze onderafdeling en de op grond daarvan vastgestelde maatregelen doen niet af aan de toepasselijkheid van wettelijke en bestuursrechtelijke regels van de lidstaten betreffende een bijzondere regeling voor vreemdelingen, welke regels uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn. 275 58 2. De in lid 1 bedoelde nationale bepalingen worden bij Europese kaderwet op elkaar afgestemd.

Artikel III-141

1. Bij Europese kaderwet wordt de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst, alsmede de uitoefening daarvan, vergemakkelijkt wat betreft: a. de onderlinge erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels; b. de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke regels van de lidstaten betreffende de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan. 2. Wat de geneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen betreft, is de geleidelijke opheffing van de beperkingen afhankelijk van de coördinatie van de voorwaarden waaronder die beroepen in de verschillende lidstaten worden uitgeoefend.

Artikel III-142

Vennootschappen die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Unie hebben, worden voor de toepassing van deze onderafdeling gelijkgesteld met natuurlijke personen die onderdaan van de lidstaten zijn. Onder ,,vennootschappen’’ worden verstaan vennootschappen naar burgerlijk recht of handelsrecht, coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en de overige rechtspersonen naar publiekof privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen die geen winst beogen.

Artikel III-143

Onverminderd de toepassing van de overige bepalingen van de Grondwet, passen de lidstaten nationale behandeling toe wat betreft financiële deelneming door onderdanen van de andere lidstaten in het kapitaal van vennootschappen in de zin van artikel III-142, tweede alinea. Onderafdeling 3 De vrijheid van dienstverrichting

Artikel III-144

In het kader van deze onderafdeling zijn beperkingen van het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van onderdanen van de lidstaten die zich in een andere lidstaat hebben gevestigd dan die waar degene gevestigd is voor wie de dienst wordt verricht. 59 275 Bij Europese wet of kaderwet kan het genot van deze onderafdeling worden uitgebreid tot onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en zich binnen de Unie hebben gevestigd.

Artikel III-145

Voor de toepassing van de Grondwet worden als diensten beschouwd, diensten die gewoonlijk tegen vergoeding worden verricht, voorzover de bepalingen betreffende het vrij verkeer van personen, goederen en kapitaal op deze diensten niet van toepassing zijn. Deze diensten omvatten werkzaamheden: a. van industriële aard; b. van commerciële aard; c. van ambachtelijke aard; d. van de vrije beroepen. Onverminderd onderafdeling 2 betreffende de vrijheid van vestiging, kan degene die de diensten verricht, zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, onder voorwaarden welke die staat aan zijn eigen onderdanen oplegt.

Artikel III-146

1. Het vrij verkeer van diensten op het gebied van vervoer wordt geregeld in hoofdstuk III, afdeling 7, betreffende vervoer. 2. De liberalisering van de door banken en verzekeringsondernemingen bestaande wetgeving verrichte diensten die gepaard gaan met kapitaalbewegingen, moet worden verwezenlijkt in overeenstemming met de vrijmaking van het kapitaalverkeer.

Artikel III-147

1. Bij Europese kaderwet worden maatregelen vastgesteld om de liberalisering van het verrichten van een bepaalde dienst te verwezenlijken. Deze kaderwet wordt na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld. 2. De Europese kaderwet in de zin van lid 1 heeft in het algemeen bij voorrang betrekking op de diensten welke rechtstreeks van invloed zijn op de productiekosten of waarvan de liberalisering bijdraagt tot het vergemakkelijken van het goederenverkeer.

Artikel III-148

De lidstaten spannen zich in om bij de liberalisering van de dienstverrichting verder te gaan dan waartoe zij op grond van de krachtens artikel III-147, lid 1, vastgestelde Europese kaderwet verplicht zijn, indien hun algemene economische toestand en de toestand in de betrokken sector dit toelaten. 275 60 De Commissie doet de betrokken lidstaten daartoe aanbevelingen.

Artikel III-149

Zolang de beperkingen op het vrij verrichten van diensten niet zijn opgeheven, passen de lidstaten deze zonder onderscheid naar nationaliteit of naar verblijfplaats toe op al degenen die diensten verrichten als bedoeld in artikel III-144, eerste alinea.

Artikel III-150

De artikelen III-139 tot en met III-142 zijn van toepassing op de in deze onderafdeling behandelde materie.

AFDELING 3[bewerken]

VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN

Onderafdeling 1[bewerken]

De douane-unie

Artikel III-151

1. De Unie omvat mede een douane-unie, die zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en die zowel het verbod van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling meebrengt als de vaststelling van een gemeenschappelijk douanetarief voor de betrekkingen van de lidstaten met derde landen. 2. Lid 4 en onderafdeling 3 betreffende het verbod op kwantitatieve beperkingen zijn van toepassing op de producten welke van oorsprong zijn uit de lidstaten, alsook op de producten uit derde landen welke zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden. 3. Als zich bevindend in het vrije verkeer in een lidstaat worden beschouwd producten uit derde landen waarvoor in die staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend. 4. In- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden. Dit geldt eveneens voor douanerechten van fiscale aard. 5. De rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden door de Raad op voorstel van de Commissie bij Europese verordening of besluit vastgesteld. 61 275 6. Bij de uitvoering van de taken die haar krachtens de bepalingen van dit artikel zijn gegeven, laat de Commissie zich leiden door: a. de noodzaak het handelsverkeer tussen de lidstaten en derde landen te bevorderen; b. de ontwikkeling van de mededingingsvoorwaarden binnen de Unie, in de mate waarin daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen zal toenemen; c. de behoefte van de Unie aan grondstoffen en halffabrikaten, waarbij zij erop toeziet dat de mededingingsvoorwaarden met betrekking tot eindproducten tussen de lidstaten niet worden vervalst; d. de noodzaak om ernstige verstoringen van het economisch leven van de lidstaten te vermijden en een rationele ontwikkeling van de productie en een vergroting van het verbruik in de Unie te waarborgen.

Onderafdeling 2[bewerken]

Douanesamenwerking

Artikel III-152

Binnen het toepassingsgebied van de Grondwet worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld ter versterking van de douanesamenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie.

Onderafdeling 3[bewerken]

Het verbod op kwantitatieve beperkingen

Artikel III-153

Kwantitatieve invoer- en uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden.

Artikel III-154

Artikel III-153 vormt geen beletsel voor een verbod of beperking van

invoer, uitvoer of doorvoer dat, respectievelijk die gerechtvaardigd is uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren en planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit, of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Dit verbod of deze beperking mag echter geen middel tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.

Artikel III-155

1. De lidstaten passen hun nationale monopolies van commerciële aard derwijze aan, dat iedere discriminatie tussen de onderdanen van de lidstaten in verband met de voorwaarden van voorziening en afzet is uitgesloten. 275 62 Dit artikel is van toepassing op ieder lichaam waardoor een lidstaat de invoer of de uitvoer tussen de lidstaten in rechte of in feite rechtstreeks of onrechtstreeks beheerst, leidt of aanmerkelijk beïnvloedt. Het artikel is tevens van toepassing op door een staat gedelegeerde monopolies. 2. De lidstaten onthouden zich ervan, enige nieuwe maatregel te treffen die tegen de in lid 1 bedoelde beginselen indruist of die de draagwijdte van de artikelen inzake het verbod op douanerechten en kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten beperkt. 3. In geval van een monopolie van commerciële aard dat een regeling ter bevordering van de afzet of van de valorisatie van landbouwproducten omvat, dienen bij de toepassing van dit artikel gelijkwaardige waarborgen voor de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten te worden gegeven.

AFDELING 4[bewerken]

KAPITAAL EN BETALINGEN

Artikel III-156

In het kader van deze afdeling zijn beperkingen van het kapitaalverkeer en van betalingen tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.

Artikel III-157

1. :Artikel III-156 laat onverlet de toepassing op derde landen van beperkingen die op 31 december 1993 bestonden uit hoofde van nationaal of Unierecht inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe beleggingen – met inbegrip van beleggingen in onroerende goederen – vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten. Wat betreft de bestaande beperkingen uit hoofde van de nationale wetgeving in Estland en Hongarije is de betreffende datum 31 december 1999. 2. Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen vastgesteld inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe beleggingen – met inbegrip van beleggingen in onroerende goederen – vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten. Het Europees Parlement en de Raad trachten de doelstelling van een vrij kapitaalverkeer tussen lidstaten en derde landen in de mate van het mogelijke en onverminderd andere bepalingen van de Grondwet te verwezenlijken. 3. In afwijking van lid 2, kunnen maatregelen die in het recht van de Unie een achteruitgang op het gebied van de liberalisering van het kapitaalverkeer naar of uit derde landen vormen, alleen worden vastgesteld bij Europese wet of kaderwet van de Raad. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. 63 275

Artikel III-158

1.

Artikel III-156 laat onverlet het recht van de lidstaten:

a. de terzake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd; b. alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke regels tegen te gaan, met name op fiscaal gebied en met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen, of te voorzien in procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen aan de overheid of voor statistische doeleinden, dan wel maatregelen te nemen die ter wille van de openbare orde of de openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn. 2. Deze afdeling laat de mogelijkheid onverlet om met de Grondwet verenigbare beperkingen op het recht van vestiging toe te passen. 3. De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen en procedures mogen geen middel tot willekeurige discriminatie vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer of het betalingsverkeer in de zin van artikel III-156. 4. Bij ontstentenis van een Europese wet of kaderwet als bedoeld in artikel III-157, lid 3, kan de Commissie, of, bij ontstentenis van een Europees besluit van de Commissie binnen drie maanden na de indiening van het verzoek door de betrokken lidstaat, kan de Raad een Europees besluit vaststellen waarin wordt bepaald dat door een lidstaat jegens een of meer derde landen genomen beperkende belastingmaatregelen verenigbaar worden geacht met de Grondwet, voorzover deze stroken met de doelstellingen van de Unie en verenigbaar zijn met de goede werking van de interne markt. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, op verzoek van een lidstaat.

Artikel III-159

Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden het kapitaalverkeer naar of uit derde landen ernstige moeilijkheden voor de werking van de economische en monetaire unie veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, kan de Raad op voorstel van de Commissie bij Europese verordening Europese vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van derde landen vaststellen voor een periode van ten hoogste zes maanden, voor zover deze maatregelen strikt noodzakelijk zijn. De Raad besluit na raadpleging van de Europese Centrale Bank. 275 64

Artikel III-160

Indien zulks noodzakelijk is om de in artikel III-257 genoemde doelstellingen te verwezenlijken, wat betreft de preventie en de bestrijding van terrorisme en aanverwante activiteiten, wordt bij Europese wet een kader vastgesteld voor beheersmaatregelen met betrekking tot het kapitaal- en betalingsverkeer, zoals het bevriezen van tegoeden, financiële activa of economische baten van de bezitters, de eigenaars of de houders natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel niet-statelijke groepen of entiteiten zijn. De Raad stelt op voorstel van de Commissie Europese verordeningen of besluiten vast ter uitvoering van de in de eerste alinea bedoelde Europese wet. De in dit artikel bedoelde handelingen bevatten de nodige bepalingen inzake wettelijke waarborgen.

AFDELING 5[bewerken]

REGELS BETREFFENDE DE MEDEDINGING

Onderafdeling 1[bewerken]

Regels voor ondernemingen

Artikel III-161

1. Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en tot doel of gevolg hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en met name die welke bestaan in: a. het rechtstreeks of onrechtstreeks bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden; b. het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen; c. het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen; d. het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging; e. het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten. 2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig. 3. Lid 1 kan echter buiten toepassing worden verklaard 65 275 – voor een overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen, – voor een besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen, – voor een onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen waarmee wordt bijgedragen tot verbetering van de productie of van de verdeling van producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, zonder dat evenwel aan de betrokken ondernemingen: a. beperkingen worden opgelegd welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn; b. de mogelijkheid wordt gegeven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen.

Artikel III-162

Onverenigbaar met de interne markt en verboden, voorzover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, is misbruik door een of meer ondernemingen van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan. Dit misbruik kan met name bestaan in: a. het rechtstreeks of onrechtstreeks opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden; b. het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van verbruikers; c. het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging; d. het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

Artikel III-163

De Raad stelt op voorstel van de Commissie Europese verordeningen vast voor de toepassing van de in de artikelen III-161 en III-162 neergelegde beginselen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement. Die Europese verordeningen hebben met name ten doel: a. de nakoming van de in artikel III-161, lid 1, en in artikel III-162 bedoelde verbodsbepalingen te bewerkstelligen door de instelling van geldboeten en dwangsommen; b. de regels voor de toepassing van artikel III-161, lid 3, vast te stellen met inachtneming van de noodzaak, enerzijds een doeltreffend toezicht te verzekeren en anderzijds de administratieve controle zoveel mogelijk te vereenvoudigen; 275 66 c. in voorkomende gevallen de werkingssfeer van de artikelen III- 161 en III-162 voor de verschillende bedrijfstakken nader vast te stellen; d. de taak van de Commissie, respectievelijk van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de toepassing van de in deze alinea bedoelde bepalingen vast te stellen; e. de verhouding vast te stellen tussen de wetgevingen van de lidstaten enerzijds en deze onderafdeling en de ter uitvoering van dit artikel vastgestelde Europese verordeningen, anderzijds.

Artikel III-164

Tot de inwerkingtreding van de Europese verordeningen die op grond van artikel III-163 worden vastgesteld, beslissen de autoriteiten van de lidstaten, in overeenstemming met hun nationale recht, met artikel III- 161, met name lid 3, en artikel III-162, over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen en over het misbruik van een machtspositie op de interne markt.

Artikel III-165

1. Onverminderd artikel III-164 ziet de Commissie toe op de toepassing van de in de artikelen III-161 en III-162 neergelegde beginselen. Op verzoek van een lidstaat of ambtshalve, en in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, welke haar daarbij behulpzaam zijn, stelt de Commissie een onderzoek in naar de gevallen van vermoedelijke inbreuk op die beginselen. Indien haar blijkt dat inbreuk is gemaakt, stelt zij middelen voor om daaraan een eind te maken. 2. Wordt aan de in lid 1 bedoelde inbreuken geen eind gemaakt, dan stelt de Commissie een met redenen omkleed Europees besluit vast waarbij de inbreuk op de beginselen wordt geconstateerd. Zij kan haar besluit bekendmaken en de lidstaten machtigen maatregelen – waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt – te nemen om de toestand te verhelpen. 3. De Commissie kan Europese verordeningen vaststellen betreffende groepen overeenkomsten ten aanzien waarvan de Raad overeenkomstig artikel III-163, tweede alinea, onder b, een Europese verordening heeft vastgesteld.

Artikel III-166

1. De lidstaten nemen of handhaven met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel die in strijd is met de Grondwet, met name artikel I-4, lid 2, en de artikelen III-161 tot en met III- 169. 2. Ondernemingen die zijn belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, vallen onder de bepalingen van de Grondwet, met inbegrip 67 275 van de mededingingsregels, voorzover de toepassing van die bepalingen de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Unie. 3. De Commissie ziet toe op de toepassing van dit artikel en stelt, indien nodig, Europese verordeningen of besluiten vast.

Onderafdeling 2[bewerken]

Steunmaatregelen van de lidstaten

Artikel III-167

1. Behoudens de afwijkingen waarin de Grondwet voorziet, zijn door de lidstaten getroffen of op enigerlei wijze met staatsmiddelen gefinancierde steunmaatregelen die door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. 2. Met de interne markt zijn verenigbaar: a. steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers op voorwaarde dat deze toegepast worden zonder onderscheid naar de oorsprong van de producten; b. steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen; c. steunmaatregelen ten behoeve van de economie van bepaalde regio’s van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, voorzover deze steunmaatregelen noodzakelijk zijn om de door deze deling berokkende economische nadelen te compenseren. Vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van de Grondwet voor Europa kan de Raad op voorstel van de Commissie een Europees besluit tot intrekking van dit punt vaststellen. 3. Als verenigbaar met de interne markt kunnen worden beschouwd: a. steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van regio’s waar de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig tekort aan werkgelegenheid heerst, en van de in artikel III-424 bedoelde regio’s, rekening houdend met hun structurele, economische en sociale situatie; b. steunmaatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen; c. steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad; 275 68 d. steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen, wanneer door deze maatregelen de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden in de Unie niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad; e. andere soorten van steunmaatregelen die de Raad bij Europese verordening of besluit op voorstel van de Commissie bepaalt.

Artikel III-168

1. De Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt hun de maatregelen voor welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de interne markt vereist. 2. Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, constateert dat een door een lidstaat getroffen of met staatsmiddelen gefinancierde steunmaatregel, volgens artikel III-167 niet verenigbaar is met de interne markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, stelt zij een Europees besluit vast waarbij wordt bepaald dat de betrokken lidstaat de steunmaatregel opheft of wijzigt binnen de door haar vast te stellen termijn. Indien deze lidstaat niet binnen de gestelde termijn gevolg geeft aan het Europees besluit, kan de Commissie of iedere andere belanghebbende lidstaat zich in afwijking van de artikelen III-360 en III-361 rechtstreeks tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden. Op verzoek van een lidstaat kan de Raad met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vaststellen op grond waarvan een door die staat genomen of te nemen steunmaatregel in afwijking van artikel III- 167 of van de in artikel III-169 bedoelde Europese verordeningen als verenigbaar met de interne markt moet worden beschouwd, indien buitengewone omstandigheden een dergelijk besluit rechtvaardigen. Indien de Commissie met betrekking tot deze steunmaatregel de in de eerste alinea vermelde procedure heeft ingeleid, wordt deze door het verzoek van de betrokken lidstaat aan de Raad geschorst, totdat de Raad zijn standpunt heeft bepaald. Indien evenwel de Raad binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf het verzoek geen standpunt heeft bepaald, beslist de Commissie. 3. De Commissie wordt door de lidstaten van ieder voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, zodat zij opmerkingen kan maken. Indien zij meent dat het voornemen volgens artikel III-167 onverenigbaar is met de interne markt, leidt zij onverwijld de in lid 2 van dit artikel bedoelde procedure in. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een definitief besluit heeft geleid. 69 275 4. De Commissie kan Europese verordeningen vaststellen betreffende de soorten van staatssteun waaromtrent de Raad overeenkomstig artikel III-169 heeft bepaald dat zij van de in lid 3 van dit artikel bedoelde procedure kunnen worden vrijgesteld.

Artikel III-169

De Raad kan op voorstel van de Commissie Europese verordeningen vaststellen voor de toepassing van de artikelen III-167 en III-168, en met name om de voorwaarden voor de toepassing van artikel III-168, lid 3, te bepalen, alsmede de van de in dat lid bedoelde procedure vrijgestelde soorten van steunmaatregelen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

AFDELING 6[bewerken]

BEPALINGEN BETREFFENDE BELASTINGEN

Artikel III-170

1. De lidstaten heffen, al dan niet rechtstreeks, op producten van de overige lidstaten geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven. Bovendien heffen de lidstaten op producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties onrechtstreeks worden beschermd. 2. Bij de uitvoer van producten van een lidstaat naar het grondgebied van een andere lidstaat mag de teruggave van binnenlandse belastingen niet het bedrag overschrijden dat daarop al dan niet rechtstreeks geheven is. 3. Met betrekking tot andere belastingen dan de omzetbelasting, de accijnzen en de overige indirecte belastingen mogen vrijstellingen en teruggaven bij uitvoer naar de andere lidstaten slechts worden verleend en compenserende belastingen bij invoer uit de lidstaten slechts worden geheven, voorzover de bedoelde regelingen van tevoren voor een beperkte periode bij een door de Raad op voorstel van de Commissie aangenomen Europees besluit zijn goedgekeurd.

Artikel III-171

De Raad stelt bij Europese wet of kaderwet maatregelen vast betreffende de harmonisatie van de wetgevingen inzake de omzetbelasting, de accijnzen en andere indirecte belastingen, voorzover deze harmonisatie geboden is om de totstandbrenging of de werking van de interne markt te bewerkstelligen en concurrentieverstoringen te voorkomen. De Raad 275 70 besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité.

AFDELING 7[bewerken]

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel III-172

1. Tenzij in de Grondwet anders wordt bepaald, is dit artikel van toepassing voor de verwezenlijking van de in artikel III-130 genoemde doelstellingen. De maatregelen voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling of de werking van de interne markt betreffen, worden bij Europese wet of kaderwet vastgesteld. De wet of kaderwet wordt na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld. 2. Lid 1 is niet van toepassing op fiscale voorschriften, op voorschriften inzake het vrije verkeer van personen en op voorschriften inzake de rechten en belangen van werknemers. 3. De Commissie zal bij haar op grond van lid 1 ingediende voorstellen op het gebied van de volksgezondheid, de veiligheid, de milieubescherming en de consumentenbescherming uitgaan van een hoog beschermingsniveau, daarbij in het bijzonder rekening houdend met alle nieuwe ontwikkelingen die op wetenschappelijke gegevens stoelen. Ook het Europees Parlement en de Raad trachten binnen hun respectieve bevoegdheden deze doelstelling te verwezenlijken. 4. Wanneer een lidstaat, nadat bij Europese wet of kaderwet of bij Europese verordening van de Commissie een harmonisatiemaatregel is vastgesteld, het noodzakelijk acht nationale regelingen te handhaven die hun rechtvaardiging vinden in gewichtige eisen als bedoeld in artikel III- 154 of die verband houden met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu, brengt hij zowel die regelingen als de redenen voor het handhaven ervan ter kennis van de Commissie. 5. Wanneer een lidstaat, nadat bij Europese wet of kaderwet dan wel bij Europese verordening van de Commissie een harmonisatiemaatregel is vastgesteld, het noodzakelijk acht nationale regelingen te treffen die op nieuwe wetenschappelijke gegevens stoelen welke verband houden met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu, vanwege een specifiek probleem dat zich in die lidstaat heeft aangediend nadat de harmonisatiemaatregel is vastgesteld, brengt hij voorts, onverminderd lid 4, de voorgenomen regelingen en de motivering daarvan ter kennis van de Commissie. 6. Binnen zes maanden na de in de leden 4 en 5 bedoelde kennisgevingen stelt de Commissie een Europees besluit vast waarbij de betrokken nationale regelingen worden goedgekeurd of afgewezen, nadat zij 71 275 heeft nagegaan of zij al dan niet een middel tot willekeurige discriminatie, dan wel een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten of een belemmering voor de werking van de interne markt vormen. Indien de Commissie binnen deze termijn geen besluit vaststelt, worden de in lid 4 en lid 5 bedoelde nationale regelingen geacht te zijn goedgekeurd. Indien het complexe karakter van de aangelegenheid zulks rechtvaardigt en er geen gevaar bestaat voor de gezondheid van de mens, kan de Commissie de betrokken lidstaat ervan in kennis stellen, dat de in dit lid bedoelde termijn met ten hoogste zes maanden wordt verlengd. 7. Indien een lidstaat krachtens lid 6 gemachtigd is om nationale regelingen te handhaven of te treffen die afwijken van een harmonisatiemaatregel, onderzoekt de Commissie onverwijld of er een aanpassing van die maatregel moet worden voorgesteld. 8. Indien een lidstaat een specifiek probleem in verband met volksgezondheid aan de orde stelt op een gebied waarop eerder harmonisatiemaatregelen zijn genomen, brengt hij dit ter kennis van de Commissie, die onverwijld onderzoekt of zij maatregelen moet voorstellen. 9. In afwijking van de procedure van de artikelen III-360 en III-361 kunnen de Commissie en de lidstaten zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden, indien zij menen dat een andere lidstaat misbruik maakt van bevoegdheden waarin dit artikel voorziet. 10. De in dit artikel bedoelde harmonisatiemaatregelen omvatten, in passende gevallen, een vrijwaringsclausule die de lidstaten machtigt om, op grond van een of meer van de in artikel III-154 bedoelde nieteconomische redenen, voorlopige maatregelen te nemen die aan een procedure van toetsing door de Unie worden onderworpen.

Artikel III-173

Onverminderd artikel III-172, stelt de Raad bij Europese kaderwet maatregelen vast voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de interne markt. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-174

Ingeval de Commissie constateert dat een verschil tussen de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten de mededingingsvoorwaarden op de interne markt vervalst en een distorsie veroorzaakt welke moet worden opgeheven, raadpleegt zij de betrokken lidstaten. Indien deze raadpleging niet tot overeenstemming leidt, worden bij Europese kaderwet de nodige maatregelen vastgesteld om de betrokken distorsie op te heffen. Ook andere dienstige maatregelen waarin de 275 72 Grondwet voorziet, kunnen worden vastgesteld.

Artikel III-175

1. Indien er aanleiding bestaat te vrezen dat de door een lidstaat voorgenomen vaststelling of wijziging van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling van een lidstaat een distorsie in de zin van artikel III-174 veroorzaakt, raadpleegt die lidstaat de Commissie. Na de lidstaten te hebben geraadpleegd, doet de Commissie de betrokken lidstaten een aanbeveling betreffende maatregelen om deze distorsie te voorkomen. 2. Indien de lidstaat die nationale bepalingen wil vaststellen of wijzigen, niet handelt overeenkomstig de aanbeveling welke de Commissie hem heeft gedaan, kan ter toepassing van artikel III-174 van de andere lidstaten niet worden verlangd dat zij hun nationale bepalingen wijzigen om deze distorsie op te heffen. Indien de lidstaat die aan de aanbeveling van de Commissie geen gevolg heeft gegeven, een distorsie veroorzaakt waarvan alleen hijzelf nadeel ondervindt, is artikel III-174 niet van toepassing.

Artikel III-176

In het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt worden bij Europese wet of kaderwet de maatregelen vastgesteld voor de invoering van Europese titels om een eenvormige bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten in de hele Unie te bewerkstelligen, en voor de instelling van op het niveau van de Unie gecentraliseerde machtigings-, coördinatie- en controleregelingen. De regelingen van het taalgebruik met betrekking tot de titels worden geregeld bij Europese wet van de Raad. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

HOOFDSTUK II[bewerken]

HET ECONOMISCH EN MONETAIR BELEID

Artikel III-177

Voor de toepassing van artikel I-3 omvat het optreden van de lidstaten en de Unie, onder de bij de Grondwet bepaalde voorwaarden, de invoering van een economisch beleid dat gebaseerd is op nauwe coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten, de interne markt en de bepaling van gemeenschappelijke doelstellingen, en dat wordt gevoerd met eerbieding van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging. Parallel daaraan omvat dit optreden, onder de voorwaarden en volgens de procedures van de Grondwet, één munt, de euro, alsmede het bepa- 73 275 len en voeren van één monetair en wisselkoersbeleid, beide met als hoofddoel het handhaven van prijsstabiliteit en, onverminderd deze doelstelling, het ondersteunen van het algemene economisch beleid in de Unie, overeenkomstig het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging. Dit optreden van de lidstaten en van de Unie impliceert de eerbiediging van de volgende grondbeginselen: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire condities en een stabiele betalingsbalans.

AFDELING 1[bewerken]

HET ECONOMISCH BELEID

Artikel III-178

De lidstaten voeren hun economisch beleid om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie, als omschreven in artikel I-3, en in het kader van de in artikel III-179, lid 2, bedoelde globale richtsnoeren. De lidstaten en de Unie handelen in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de in artikel III-177 neergelegde beginselen.

Artikel III-179

1. De lidstaten beschouwen hun economisch beleid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en coördineren dit beleid in de Raad overeenkomstig artikel III-178. 2. Op aanbeveling van de Commissie stelt de Raad een ontwerp op voor de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie, en brengt daarover verslag uit aan de Europese Raad. Aan de hand van het verslag van de Raad bespreekt de Europese Raad een conclusie over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie. De Raad stelt, uitgaande van deze conclusie, een aanbeveling vast waarin deze globale richtsnoeren zijn vastgelegd. De Raad stelt het Europees Parlement daarvan in kennis. 3. Teneinde een nauwere coördinatie van het economisch beleid en een duurzame convergentie van de economische prestaties van de lidstaten tot stand te brengen, ziet de Raad aan de hand van door de Commissie ingediende rapporten toe op de economische ontwikkelingen in iedere lidstaat en in de Unie, alsmede op de overeenstemming van het economisch beleid met de in lid 2 bedoelde globale richtsnoeren, en verricht hij regelmatig een algehele evaluatie. Met het oog op dit multilaterale toezicht verstrekken de lidstaten de Commissie informatie over de belangrijke maatregelen die zij in het kader van hun economisch beleid hebben vastgesteld, en alle andere informatie die zij nodig achten. 275 74 4. Wanneer in het kader van de procedure van lid 3 blijkt dat het economisch beleid van een lidstaat niet overeenkomt met de in lid 2 bedoelde globale richtsnoeren of dat dit beleid de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar dreigt te brengen, kan de Commissie een waarschuwing tot de betrokken lidstaat richten. De Raad kan op aanbeveling van de Commissie de nodige aanbevelingen tot de lidstaat richten. De Raad kan op voorstel van de Commissie besluiten zijn aanbevelingen openbaar te maken. In het kader van dit lid besluit de Raad zonder rekening te houden met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt. Onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt verstaan ten minste 55% van de andere leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van de deelnemende lidstaten. Een blokkerende minderheid moet uit ten minste het minimumaantal van die andere leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid, in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid geacht te zijn verkregen. 5. De voorzitter van de Raad en de Commissie brengen aan het Europees Parlement verslag uit over de resultaten van het multilaterale toezicht. De voorzitter van de Raad kan worden verzocht om voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement te verschijnen, indien de Raad zijn aanbevelingen openbaar heeft gemaakt. 6. De in de leden 3 en 4 bedoelde multilaterale toezichtprocedure kan bij Europese wet nader worden geregeld.

Artikel III-180

1. Onverminderd de overige procedures waarin de Grondwet voorziet, kan de Raad op voorstel van de Europese Commissie bij Europees besluit de voor de economische situatie passende maatregelen vaststellen, met name indien zich bij de voorziening met bepaalde producten ernstige moeilijkheden voordoen. 2. In geval van moeilijkheden of ernstige dreiging van grote moeilijkheden in een lidstaat, die worden veroorzaakt door natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen die deze lidstaat niet kan beheersen, kan de Raad op voorstel van de Commissie een Europees besluit vaststellen waarbij onder bepaalde voorwaarden financiële bijstand van de Unie aan de betrokken lidstaat wordt verleend. De voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement daarvan in kennis.

Artikel III-181

1. Het is de Europese Centrale Bank en de centrale banken van de lidstaten (hierna ,,nationale centrale banken’’ te noemen verboden voorschotten in rekening-courant of andere kredietfaciliteiten te verlenen aan 75 275 instellingen, organen of instanties van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten, of rechtstreeks van hen schuldbewijzen te kopen. Het rechtstreeks van hen kopen door de Europese Centrale Bank of de nationale centrale banken, van schuldbewijzen is eveneens verboden. 2. Lid 1 is niet van toepassing op kredietinstellingen die in handen van de overheid zijn en waaraan in het kader van de liquiditeitsvoorziening door centrale banken dezelfde behandeling door de nationale centrale banken en de Europese Centrale Bank wordt gegeven als aan particuliere kredietinstellingen.

Artikel III-182

Niet op overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht gebaseerde maatregelen en bepalingen waardoor instellingen, organen of instanties van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten een bevoorrechte toegang tot de financiële instellingen krijgen, zijn verboden.

Artikel III-183

1. De Unie is niet aansprakelijk voor de verbintenissen van centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten; en neemt deze verbintenissen niet over, onverminderd de wederzijdse financiële garanties voor de gemeenschappelijke uitvoering van specifieke projecten. De lidstaten zijn niet aansprakelijk voor de verbintenissen van centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van een andere lidstaat en nemen deze verbintenissen niet over, onverminderd de wederzijdse financiële garanties voor de gemeenschappelijke uitvoering van specifieke projecten. 2. De Raad kan, op voorstel van de Commissie, bij Europese verordening of Europees besluit de definities voor de toepassing van de in de artikelen III-181 en III-182 alsmede in dit artikel bedoelde verbodsbepalingen vaststellen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-184

1. De lidstaten vermijden buitensporige overheidstekorten. 2. De Commissie houdt toezicht op de ontwikkeling van de begrotingssituatie en de omvang van de overheidsschuld in de lidstaten, teneinde kennelijke fouten te constateren. Met name gaat de Commissie op basis van de volgende twee criteria na of de hand wordt gehouden aan de begrotingsdiscipline: 275 76 a. of de verhouding tussen het voorziene of feitelijke overheidstekort en het bruto binnenlands product een bepaalde referentiewaarde overschrijdt, tenzij: i. de verhouding in aanzienlijke mate en voortdurend is afgenomen en een niveau heeft bereikt dat de referentiewaarde benadert, of ii. de overschrijding van de referentiewaarde slechts van uitzonderlijke en tijdelijke aard is en de verhouding dicht bij de referentiewaarde blijft; b. of de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product een bepaalde referentiewaarde overschrijdt, tenzij de verhouding in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert. De referentiewaarden worden nader omschreven in het protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten. 3. Indien een lidstaat niet voldoet aan een of meer van deze criteria, stelt de Commissie een verslag op. In het verslag van de Commissie wordt tevens rekening gehouden met de vraag, of het overheidstekort groter is dan de investeringsuitgaven van de overheid, en worden alle andere relevante factoren in aanmerking genomen, met inbegrip van de economische en budgettaire situatie van de lidstaat op middellange termijn. Voorts kan de Commissie een verslag opstellen indien zij – ook al is aan de criteria voldaan – van mening is dat er gevaar voor een buitensporig tekort in een lidstaat aanwezig is. 4. Het overeenkomstig artikel III-192 ingestelde Economisch en Financieel Comité brengt advies uit over het verslag van de Commissie. 5. Indien de Commissie van oordeel is dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat of kan ontstaan, richt zij een advies tot de betrokken lidstaat en brengt zij de Raad daarvan op de hoogte. 6. Op voorstel van de Commissie besluit de Raad, rekening houdend met de eventuele opmerkingen van de betrokken lidstaat en na een algehele evaluatie, of er een buitensporig tekort bestaat. Als dat het geval is, stelt de Raad, op aanbeveling van de Commissie, onverwijld de aanbevelingen vast die hij tot de betrokken lidstaat richt opdat deze binnen een bepaalde termijn een eind maakt aan het tekort. Behoudens lid 8, worden deze aanbevelingen niet openbaar gemaakt. In het kader van dit lid besluit de Raad zonder rekening te houden met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt. Onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt verstaan ten minste 55% van de andere leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van de deelnemende lidstaten. 77 275 Een blokkerende minderheid moet uit ten minste het minimumaantal van die andere leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid geacht te zijn verkregen. 7. De in de leden 8 tot en met 11 bedoelde Europese besluiten en aanbevelingen worden door de Raad op aanbeveling van de Commissie vastgesteld. De Raad besluit zonder rekening te houden met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt. Onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt verstaan ten minste 55% van de andere leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van de deelnemende lidstaten. Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van die andere leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid, in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid geacht te zijn verkregen. 8. Indien de Raad een Europees besluit vaststelt waarin wordt geconstateerd dat binnen de voorgeschreven termijn geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen is gegeven, kan hij zijn aanbevelingen openbaar maken. 9. Indien een lidstaat blijft verzuimen uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Raad, kan de Raad een Europees besluit vaststellen waarin de betrokken lidstaat wordt aangemaand binnen een voorgeschreven termijn maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die de Raad nodig acht om de situatie te verhelpen. In dat geval kan de Raad de betrokken lidstaat verzoeken volgens een nauwkeurig tijdschema verslag uit te brengen, teneinde te kunnen nagaan welke aanpassingsmaatregelen die lidstaat heeft getroffen. 10. Zolang een lidstaat zich niet voegt naar een overeenkomstig lid 9 vastgesteld Europees besluit, kan de Raad een of meer van de volgende maatregelen toepassen of in voorkomend geval aanscherpen: a. eisen dat de betrokken lidstaat door de Raad te bepalen aanvullende informatie openbaar maakt voordat hij obligaties en andere waardepapieren uitgeeft; b. de Europese Investeringsbank verzoeken haar beleid inzake kredietverstrekking ten aanzien van de betrokken lidstaat opnieuw te bezien; c. eisen dat de betrokken lidstaat bij de Unie een niet-rentedragend bedrag van een passende omvang deponeert, totdat de Raad van oordeel is dat het buitensporige tekort is gecorrigeerd; d. boeten van een passende omvang opleggen. De voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement in kennis van de vastgestelde maatregelen. 275 78 11. De Raad trekt de in de leden 6, 8, 9 en 10 bedoelde maatregelen of sommige daarvan in, voorzover hij van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd. Indien de Raad voordien aanbevelingen openbaar heeft gemaakt, legt hij, zodra het in lid 9 bedoelde Europees besluit is ingetrokken, in het openbaar een verklaring af dat er niet langer een buitensporig tekort in de betrokken lidstaat bestaat. 12. Het in de artikelen III-360 en III-361 bedoelde recht om een klacht in te dienen kan niet worden uitgeoefend in het kader van de toepassing van de leden 1 tot en met 6, 8 en 9 van dit artikel. 13. Nadere bepalingen betreffende de toepassing van de in dit artikel bedoelde procedure zijn opgenomen in het Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten. De Raad stelt bij Europese wet maatregelen vast ter vervanging van voornoemd Protocol. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en van de Europese Centrale Bank. Onder voorbehoud van de andere bepalingen van dit lid, stelt de Raad op voorstel van de Commissie bij Europese verordening of Europees besluit de nadere bepalingen en definities voor de toepassing van dit Protocol vast. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

AFDELING 2[bewerken]

HET MONETAIR BELEID

Artikel III-185

1. Het hoofddoel van het Europees Stelsel van centrale banken is het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd deze doelstelling, ondersteunt het Europees Stelsel van centrale banken het algemene economisch beleid in de Unie teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van haar doelstellingen als omschreven in artikel I-3. Het Europees Stelsel van centrale banken handelt in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en onder eerbiediging van de in artikel III-177 bepaalde beginselen. 2. De door het Europees Stelsel van Centrale Banken uit te voeren fundamentele taken zijn: a. het bepalen en uitvoeren van het monetair beleid van de Unie; b. het verrichten van valutamarktoperaties in overeenstemming met artikel III-326; c. het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves van de lidstaten; d. het bevorderen van een goede werking van het betalingsverkeer. 3. Lid 2, onder c, laat het aanhouden en beheren van werksaldi in buitenlandse valuta’s door de regeringen van de lidstaten onverlet. 79 275 4. De Europese Centrale Bank wordt geraadpleegd: a. over elk voorstel voor een handeling van de Unie op de gebieden die onder haar bevoegdheden vallen; b. door de nationale autoriteiten over elk ontwerp van wettelijke bepaling op de gebieden die onder haar bevoegdheden vallen, doch binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Raad volgens de procedure van artikel III-187, lid 4, vaststelt. De Europese Centrale Bank kan over aangelegenheden op de gebieden die onder haar bevoegdheden vallen, advies uitbrengen aan de instellingen, organen en instanties van de Unie en aan nationale autoriteiten. 5. Het Europees Stelsel van centrale banken draagt bij tot een goede beleidsvoering door de bevoegde autoriteiten ten aanzien van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel. 6. Bij Europese wet van de Raad kunnen aan de Europese Centrale Bank specifieke taken betreffende het beleid op het gebied van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en andere financiële instellingen, met uitzondering van verzekeringsondernemingen, worden opgedragen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen na raadpleging van het Europees Parlement en van de Europese Centrale Bank.

Artikel III-186

1. De Europese Centrale Bank heeft het alleenrecht, machtiging te geven tot de uitgifte van bankbiljetten in euro’s binnen de Unie. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken mogen deze bankbiljetten uitgeven. De door de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken uitgegeven bankbiljetten zijn de enige bankbiljetten die binnen de Unie de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben. 2. De lidstaten kunnen munten in euro’s uitgeven, mits de omvang van de uitgifte door de Europese Centrale Bank wordt goedgekeurd. De Raad kan bij Europese verordening op voorstel van de Commissie maatregelen vaststellen om de nominale waarden en technische specificaties van de voor circulatie bestemde munten te harmoniseren, voorzover dit nodig is voor een goede circulatie van munten binnen de Unie. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement en van de Europese Centrale Bank.

Artikel III-187

1. Het Europees Stelsel van centrale banken wordt bestuurd door de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank, te weten de Raad van bestuur en de directie. 275 80 2. Het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken is opgenomen in het protocol tot vaststelling van het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank. 3. Artikel 5, leden 1, 2 en 3, de artikelen 17 en 18, artikel 19, lid 1, de artikelen 22, 23, 24 en 26, artikel 32, leden 2, 3, 4 en 6, artikel 33, lid 1, onder a, en artikel 36 van het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank kunnen bij Europese wet worden gewijzigd: a. hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank; b. hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank en na raadpleging van de Commissie. 4. De in artikel 4, artikel 5, lid 4, artikel 19, lid 2, artikel 20, artikel 28, lid 1, artikel 29, lid 2, artikel 30, lid 4, en artikel 34, lid 3, van het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank bedoelde maatregelen worden door de Raad bij Europese verordening of Europees besluit vastgesteld. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement: a. hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank; b. hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank en na raadpleging van de Commissie.

Artikel III-188

Bij de uitoefening van de bevoegdheden en het vervullen van de taken en plichten die bij de Grondwet en het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank aan hen zijn opgedragen, is het noch de Europese centrale bank, noch een nationale centrale bank, noch enig lid van hun besluitvormende organen toegestaan, instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden van instellingen, organen of instanties van de Unie, van regeringen van lidstaten of van enige andere instantie. De instellingen, organen en instanties van de Unie en de regeringen van de lidstaten verplichten zich ertoe dit beginsel te eerbiedigen en niet te trachten de leden van de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank of van de nationale centrale banken bij de uitvoering van hun taken te beïnvloeden.

Artikel III-189

Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat zijn nationale wetgeving, met inbegrip van het statuut van zijn nationale centrale bank, verenigbaar is met de Grondwet en met het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank. 81 275

Artikel III-190

1. Ter uitvoering van de aan het Europees Stelsel van Centrale Banken opgedragen taken worden door de Europese Centrale Bank, overeenkomstig de Grondwet en onder de voorwaarden van het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank: a. Europese verordeningen vastgesteld voorzover nodig voor de uitvoering van de taken omschreven in artikel 3, lid 1, onder a, artikel 19, lid 1, artikel 22 en artikel 25, lid 2, van het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, alsmede in de gevallen die worden bepaald in de in artikel III-187, lid 4, bedoelde Europese verordeningen en besluiten; b. de Europese besluiten vastgesteld die nodig zijn voor de uitvoering van de door de Grondwet en het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken aan het Europees stelsel van Centrale Banken opgedragen taken; c. aanbevelingen en adviezen vastgesteld. 2. De Europese Centrale Bank kan besluiten haar Europese besluiten, aanbevelingen en adviezen openbaar te maken. 3. De Raad stelt volgens de procedure van artikel III-187, lid 4, de Europese verordeningen vast ter bepaling van de grenzen en voorwaarden waarbinnen de Europese Centrale Bank gerechtigd is om ondernemingen boeten of dwangsommen op te leggen bij niet-naleving van haar Europese verordeningen en besluiten.

Artikel III-191

Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Centrale Bank, worden bij Europese wet of kaderwet de maatregelen vastgesteld die nodig zijn voor het gebruik van de euro als enige munteenheid. De Europese wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van de Europese Centrale Bank.

AFDELING 3[bewerken]

INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel III-192

1. Teneinde de coördinatie van het beleid van de lidstaten te bevorderen in de volle omvang die nodig is voor de werking van de interne markt, wordt een Economisch en Financieel Comité ingesteld. 2. Het Comité heeft tot taak: a. hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief, adviezen aan deze instellingen uit te brengen; 275 82 b. de economische en financiële toestand van de lidstaten en van de Unie te volgen en terzake regelmatig aan de Raad en aan de Commissie verslag uit te brengen, inzonderheid wat betreft de financiële betrekkingen met derde landen en internationale instellingen; c. onverminderd artikel III-344, bij te dragen aan de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad, bedoeld in artikel III-159, artikel III-179, leden 2, 3, 4 en 6, en de artikelen III-180, III-182, III-183 en III-184, artikel III-185, lid 6, artikel III-186, lid 2, artikel III-187, leden 3 en 4, de artikelen III-191, III-196, artikel III-198, leden 2 en 3, artikel III-201, artikel III-202, leden 2 en 3, en de artikelen III-322 en III-326, en andere adviserende en voorbereidingstaken die de Raad aan het Comité heeft opgedragen, uit te voeren; d. ten minste eenmaal per jaar de toestand te onderzoeken met betrekking tot het kapitaalverkeer en de vrijheid van het betalingsverkeer, zoals deze voortvloeien uit de toepassing van de Grondwet en de handelingen van de Unie; dit onderzoek heeft betrekking op alle maatregelen betreffende kapitaalverkeer en betalingsverkeer; het Comité brengt de Commissie en de Raad verslag uit over de resultaten van dit onderzoek. De lidstaten, de Commissie en de Europese Centrale Bank benoemen ieder ten hoogste twee leden van het Comité. 3. Bij Europees besluit van de Raad, op voorstel van de Commissie, worden de nadere bepalingen vastgesteld betreffende de samenstelling van het Economisch en Financieel Comité. De Raad besluit na raadpleging van de Europese Centrale Bank en dit Comité. De voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement in kennis van het desbetreffende besluit. 4. Naast de vervulling van de in lid 2 bedoelde taken volgt het Comité, indien en zolang er lidstaten zijn die vallen onder een derogatie in de zin van artikel III-197, de monetaire en financiële toestand en de algemene regeling van het betalingsverkeer van die lidstaten en brengt het terzake regelmatig verslag uit aan de Raad en aan de Commissie.

Artikel III-193

De Raad of een lidstaat kan de Commissie verzoeken een aanbeveling of een voorstel te doen betreffende aangelegenheden die onder artikel III-179, lid 4, artikel III-184, met uitzondering van lid 13, de artikelen III-191, III-196, III-197, artikel III-198, lid 3 en artikel III-326, vallen. De Commissie onderzoekt dit verzoek en legt haar conclusies onverwijld aan de Raad voor. 83 275

AFDELING 4[bewerken]

SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR DE LIDSTATEN DIE DE EURO ALS MUNT HEBBEN

Artikel III-194

1. Om bij te dragen tot de goede werking van de economische en monetaire unie, en overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de Grondwet stelt de Raad, overeenkomstig de procedure van artikel III- 179 of van artikel III-184, al naar het geval, met uitzondering van de procedure van artikel III-184, lid 13, maatregelen vast voor de lidstaten die de euro als munt hebben: a. ter versterking van de coördinatie en de bewaking van hun begrotingsdiscipline; b. houdende bepaling van de richtsnoeren voor hun economisch beleid, met dien verstande dat deze verenigbaar moeten zijn met de richtsnoeren welke voor de gehele Unie zijn vastgesteld, en met het oog op de bewaking ervan. 2. Met betrekking tot de in lid 1 bedoelde maatregelen hebben alleen leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen welke de euro als munt hebben, stemrecht. Onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van de deelnemende lidstaten. Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van die leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid geacht te zijn verkregen.

Artikel III-195

De nadere regels voor vergaderingen van de ministers van de lidstaten die de euro als munt hebben, worden vastgesteld door het Protocol betreffende de Eurogroep.

Artikel III-196

1. Teneinde de positie van de euro in het internationaal monetair stelsel veilig te stellen, stelt de Raad op voorstel van de Commissie een Europees besluit vast houdende de gemeenschappelijke standpunten in de bevoegde internationale financiële instellingen en conferenties over kwesties die voor de Economische en Monetaire Unie van bijzonder belang zijn. De Raad besluit na raadpleging van de Europese Centrale Bank. 275 84 2. De Raad kan op voorstel van de Commissie passende maatregelen vaststellen met het oog op een gezamenlijke vertegenwoordiging in de internationale financiële instellingen en conferenties. De Raad besluit na raadpleging van de Europese Centrale Bank. 3. Met betrekking tot de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen hebben alleen de leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen welke de euro als munt hebben, stemrecht. Onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van de deelnemende lidstaten. Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van die leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid geacht te zijn verkregen.

AFDELING 5[bewerken]

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel III-197

1. De lidstaten ten aanzien waarvan de Raad niet heeft besloten dat zij voldoen aan de nodige voorwaarden voor de invoering van de euro, worden hierna ,,lidstaten die vallen onder een derogatie’’ genoemd. 2. De onderstaande bepalingen van de Grondwet zijn niet van toepassing op de lidstaten die onder een derogatie vallen: a. de aanneming van de onderdelen van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid die in algemene zin betrekking hebben op de eurozone (artikel III-179, lid 2); b. verbindende maatregelen om buitensporige tekorten te verminderen (artikel III-184, leden 9 en 10); c. doelstellingen en taken van het Europees Stelsel van Centrale Banken (artikel III-185, leden 1, 2, 3 en 5); d. uitgifte van de euro (artikel III-186); e. handelingen van de Europese Centrale Bank (artikel III-190); f. maatregelen met betrekking tot het gebruik van de euro (artikel III-191); g. monetaire overeenkomsten (artikel III-326); h. aanwijzing van de leden van de directie van de Europese Centrale Bank (artikel III-382, lid 2); i. Europese besluiten houdende gemeenschappelijke standpunten in de bevoegde internationale financiële instellingen en conferenties over kwesties die voor de economische en monetaire unie van bijzonder belang zijn (artikel III-196, lid 1); 85 275 j. maatregelen met het oog op een gezamenlijke vertegenwoordiging in de internationale financiële instellingen en conferenties (artikel III- 196, lid 2). Derhalve wordt in de onder a tot en met j genoemde artikelen ,,lidstaten’’ gelezen als ,,de lidstaten die de euro als munt hebben’’. 3. De lidstaten die onder een derogatie vallen, alsmede hun nationale centrale banken, zijn uitgesloten van de rechten en plichten in het kader van het Europees Stelsel van centrale banken, overeenkomstig hoofdstuk IX van het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank. 4. De stemrechten van de leden van de Raad die de lidstaten vertegenwoordigen welke onder een derogatie vallen, worden geschorst tijdens de aanneming door de Raad van de maatregelen bedoeld in de in lid 2 opgesomde artikelen, alsmede in de volgende gevallen: a. bij de vaststelling van aanbevelingen die in het kader van het multilaterale toezicht worden gericht tot de lidstaten die de euro als munt hebben, met inbegrip van aanbevelingen over de stabiliteitsprogramma’s en waarschuwingen (artikel III-179, lid 4); b. bij de aanneming van maatregelen inzake buitensporige tekorten ten aanzien van lidstaten die de euro als munt hebben (artikel III-184, leden 6, 7, 8 en 11). Onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt verstaan ten minste 55% van de andere leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van de deelnemende lidstaten. Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van die leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid geacht te zijn verkregen.

Artikel III-198

1. Ten minste om de twee jaar of op verzoek van een lidstaat die valt onder een derogatie, brengen de Commissie en de Europese Centrale Bank verslag uit aan de Raad over de vooruitgang die door de onder een derogatie vallende lidstaten is geboekt bij de nakoming van hun verplichtingen met het oog op de totstandbrenging van de economische en monetaire unie. Deze verslagen bevatten met name een onderzoek naar de verenigbaarheid van de nationale wetgeving van ieder van deze lidstaten, met inbegrip van het statuut van zijn nationale centrale bank, met de artikelen III-188 en III-189 en met het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank. In deze verslagen wordt ook nagegaan of een hoge mate van duurzame convergentie is bereikt, aan de hand van de mate waarin elk van deze lidstaten aan de volgende criteria voldoet: 275 86 a. een hoge mate van prijsstabiliteit, die blijkt uit een inflatiepercentage dat dicht ligt bij dat van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van de prijsstabiliteit het best presteren; b. het houdbare karakter van de situatie van de overheidsfinanciën; dit blijkt uit een begrotingssituatie van de overheid zonder een buitensporig tekort als bedoeld in artikel III-184, lid 6; c. de inachtneming van de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel, gedurende ten minste twee jaar, zonder devaluatie van de munt ten opzichte van de euro; d. de duurzaamheid van de convergentie die is bereikt door de lidstaat die onder een derogatie valt, en van zijn deelneming aan het wisselkoersmechanisme, hetgeen tot uitdrukking komt in de niveaus van de rentevoeten voor de lange termijn. De vier in dit lid genoemde criteria en de perioden tijdens welke daaraan moet worden voldaan, worden nader bepaald in het Protocol betreffende de convergentiecriteria van de Europese Centrale Bank. In de verslagen van de Commissie en van de Europese Centrale Bank wordt ook rekening gehouden met de resultaten van de integratie van de markten, de situatie en de ontwikkeling van de lopende rekeningen van de betalingsbalansen, en een onderzoek naar de ontwikkeling van de loonkosten per eenheid product en andere prijsindicatoren. 2. Na raadpleging van het Europees Parlement en na bespreking in de Europese Raad, stelt de Raad op voorstel van de Commissie bij Europees besluit vast, welke onder een derogatie vallende lidstaten aan de noodzakelijke voorwaarden volgens de in lid 1 genoemde criteria voldoen, en trekt hij de derogaties van de betrokken lidstaten in. De Raad besluit na een aanbeveling te hebben ontvangen van een gekwalificeerde meerderheid van diegenen onder zijn leden die de lidstaten vertegenwoordigen welke de euro als munt hebben. Deze leden handelen binnen zes maanden nadat de Raad het Commissievoorstel heeft ontvangen. Onder de in de tweede alinea bedoelde gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van de deelnemende lidstaten. Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van die leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid geacht te zijn verkregen. 3. Indien volgens de procedure van lid 2 wordt besloten een derogatie te beëindigen, stelt de Raad op voorstel van de Commissie bij Europese verordening of Europees besluit onherroepelijk de koers vast waartegen de munteenheid van de betrokken lidstaat wordt vervangen door de euro, en neemt hij de overige maatregelen die nodig zijn voor de invoering van de euro als enige munteenheid in die lidstaat. De Raad 87 275 besluit met eenparigheid van stemmen van de leden die de lidstaten vertegenwoordigen welke de euro als munt hebben, en van de betrokken lidstaat, na raadpleging van de Europese Centrale Bank.

Artikel III-199

1. Indien en zolang er onder een derogatie vallende lidstaten zijn, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel III-187, lid 1, de in artikel 45 van het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank bedoelde Algemene Raad van de Europese Centrale Bank als derde besluitvormend orgaan van de Europese Centrale Bank gevormd. 2. Indien en zolang er onder een derogatie vallende lidstaten zijn, heeft de Europese Centrale Bank ten aanzien van die lidstaten de taak: a. de samenwerking tussen de nationale centrale banken van de lidstaten te versterken; b. de coördinatie van het monetair beleid van de lidstaten te versterken teneinde prijsstabiliteit te verzekeren; c. zorg te dragen voor de werking van het wisselkoersmechanisme; d. overleg te plegen over aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de nationale centrale banken vallen en die van invloed zijn op de stabiliteit van de financiële instellingen en markten; e. de vroegere taken uit te oefenen van het Europees Fonds voor monetaire samenwerking, die eerder waren overgenomen door het Europees Monetair Instituut.

Artikel III-200

Iedere lidstaat die onder een derogatie valt, behandelt zijn wisselkoersbeleid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang. Daarbij houdt hij rekening met de ervaring die is opgedaan bij de samenwerking in het kader van het wisselkoersmechanisme.

Artikel III-201

1. In geval van moeilijkheden of ernstig dreigende moeilijkheden in de betalingsbalans van een onder een derogatie vallende lidstaat, die voortvloeien hetzij uit het ontbreken van het globaal evenwicht van zijn balans hetzij uit de aard van zijn beschikbare deviezen, en die met name de werking van de interne markt of de verwezenlijking van de gemeenschappelijke handelspolitiek in gevaar kunnen brengen, onderwerpt de Commissie de toestand in die staat en de maatregelen welke hij overeenkomstig de Grondwet met gebruikmaking van alle hem ten dienste staande middelen heeft genomen of kan nemen, onverwijld aan een onderzoek. De Commissie geeft aan welke maatregelen zij de betrokken lidstaat aanbeveelt. Indien de actie die wordt ondernomen door de onder een derogatie vallende lidstaat en de door de Commissie in overweging 275 88 gegeven maatregelen niet voldoende blijken te zijn om de ondervonden of dreigende moeilijkheden uit de weg te ruimen, doet de Commissie, na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité, aan de Raad aanbevelingen tot onderlinge bijstand en betreffende passende methoden daarvoor. De Commissie houdt de Raad regelmatig op de hoogte van de toestand en de ontwikkeling daarvan. 2. De Raad stelt de Europese verordeningen of Europese besluiten vast waarbij de wederzijdse bijstand wordt toegekend en die de voorwaarden en de wijze van toepassing daarvan bepalen. De wederzijdse bijstand kan met name de vorm aannemen van: a. een gezamenlijk optreden bij andere internationale organisaties waarop de lidstaten die onder een derogatie vallen, een beroep kunnen doen; b. maatregelen die nodig zijn om verlegging van het handelsverkeer te vermijden, wanneer de lidstaat die onder een derogatie valt en die in moeilijkheden verkeert, kwantitatieve beperkingen ten aanzien van derde landen handhaaft of deze weder invoert; c. de verlening van beperkte kredieten door andere lidstaten, onder voorbehoud van hun toestemming. 3. Indien de door de Commissie aanbevolen onderlinge bijstand door de Raad niet is goedgekeurd of indien de goedgekeurde wederzijdse bijstand en de getroffen maatregelen ontoereikend zijn, machtigt de Commissie de lidstaat die onder een derogatie valt en die in moeilijkheden verkeert, vrijwaringsmaatregelen te nemen waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt. De Raad kan deze machtiging intrekken en deze voorwaarden en de wijze van toepassing wijzigen.

Artikel III-202

1. In geval van een plotselinge crisis in de betalingsbalans en indien een Europees besluit als bedoeld in artikel III-201, lid 2, niet onmiddellijk wordt vastgesteld, kan een lidstaat die onder een derogatie valt, te zijner bescherming vrijwaringsmaatregelen treffen. Die maatregelen moeten zo weinig mogelijk verstoringen in de werking van de interne markt teweegbrengen en mogen niet verder reiken dan strikt onontbeerlijk is om de plotseling opgetreden moeilijkheden te overwinnen. 2. De Commissie en de andere lidstaten moeten van de in lid 1 bedoelde vrijwaringsmaatregelen uiterlijk op het tijdstip van hun inwerkingtreding op de hoogte worden gebracht. De Commissie kan de Raad wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel III-201 aanbevelen. 3. De Raad kan op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité bij Europees besluit vaststellen dat de betrokken lidstaat de in lid 1 bedoelde vrijwaringsmaatregelen moet wijzigen, schorsen of intrekken. 89 275

HOOFDSTUK III[bewerken]

BELEID OP ANDERE GEBIEDEN

AFDELING I[bewerken]

WERKGELEGENHEID

Artikel III-203

De lidstaten en de Unie streven overeenkomstig deze afdeling naar de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor de werkgelegenheid en in het bijzonder voor de bevordering van de scholing, de opleiding en het aanpassingsvermogen van de werknemers en van arbeidsmarkten die soepel reageren op economische veranderingen teneinde de in artikel I-3 genoemde doelstellingen te bereiken.

Artikel III-204

1. De lidstaten dragen door middel van hun werkgelegenheidsbeleid bij tot het bereiken van de in artikel III-203 bedoelde doelstellingen op een wijze die verenigbaar is met de overeenkomstig artikel III-179, lid 2, vastgestelde globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie. 2. Rekening houdend met nationale gebruiken op het gebied van de verantwoordelijkheden van de sociale partners, beschouwen de lidstaten het bevorderen van de werkgelegenheid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en coördineren zij hun maatregelen op dit gebied binnen de Raad, overeenkomstig artikel III-206.

Artikel III-205

1. De Unie draagt bij tot een hoog werkgelegenheidsniveau door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en hun optreden te steunen en, indien nodig, aan te vullen. De bevoegdheden van de lidstaten worden daarbij geëerbiedigd. 2. Bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en het optreden van de Unie wordt rekening gehouden met de doelstelling van een hoog werkgelegenheidsniveau.

Artikel III-206

1. De Europese Raad beziet jaarlijks de werkgelegenheidssituatie in de Unie en neemt ter zake conclusies aan, aan de hand van een gezamenlijk jaarverslag van de Raad en de Commissie. 275 90 2. Op basis van de conclusies van de Europese Raad stelt de Raad jaarlijks op voorstel van de Commissie richtsnoeren vast, waarmee de lidstaten rekening houden in hun werkgelegenheidsbeleid. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement, het Comité van de Regio’s, het Economisch en Sociaal Comité en het comité voor de werkgelegenheid. Deze richtsnoeren moeten verenigbaar zijn met de overeenkomstig artikel III-179, lid 2, vastgestelde globale richtsnoeren. 3. Iedere lidstaat legt jaarlijks aan de Raad en aan de Commissie een verslag voor over de belangrijkste bepalingen welke genomen zijn om zijn werkgelegenheidsbeleid ten uitvoer te leggen in het licht van de in lid 2 bedoelde richtsnoeren inzake werkgelegenheid. 4. Op basis van de in lid 3 bedoelde verslagen en na ontvangst van de adviezen van het Comité voor de werkgelegenheid verricht de Raad jaarlijks in het licht van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid een onderzoek naar de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten. De Raad kan op aanbeveling van de Commissie aanbevelingen voor de lidstaten aannemen. 5. Op basis van de resultaten van dit onderzoek brengen de Raad en de Commissie jaarlijks gezamenlijk verslag uit aan de Europese Raad over de werkgelegenheidssituatie in de Unie en over de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid.

Artikel III-207

Bij Europese wet of kaderwet kunnen stimuleringsmaatregelen worden vastgesteld die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en hun werkgelegenheidsbeleid te ondersteunen door middel van initiatieven ter ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en optimale praktijken, verstrekking van vergelijkende analyses en advies, alsmede bevordering van een innovatieve aanpak en evaluatie van ervaringen, in het bijzonder door gebruik te maken van proefprojecten. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité. De Europese wet of kaderwet houdt generlei harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten in.

Artikel III-208

De Raad stelt bij gewone meerderheid van stemmen een Europees besluit vast tot instelling van een raadgevend comité voor de werkgelegenheid, teneinde de coördinatie van het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid van de lidstaten te bevorderen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement. Dit comité heeft tot taak: a. toe te zien op de werkgelegenheidssituatie en het werkgelegenheidsbeleid in de Unie en in de lidstaten; 91 275 b. onverminderd artikel III-344, adviezen uit te brengen, hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief, en bij te dragen tot de voorbereiding van de in artikel III-206 bedoelde werkzaamheden van de Raad. Het comité raadpleegt voor de vervulling van zijn opdracht de sociale partners. Iedere lidstaat en de Commissie benoemen elk twee leden van het comité.

AFDELING 2[bewerken]

HET SOCIAAL BELEID

Artikel III-209

De Unie en de lidstaten stellen zich, indachtig de sociale grondrechten zoals vastgelegd in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekend Europees Sociaal Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, ten doel de bevordering van de werkgelegenheid, de verbetering van de levensomstandigheden en van de arbeidsvoorwaarden, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt, alsmede een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting. Te dien einde houden de Unie en de lidstaten in hun handelen rekening met de verscheidenheid van de nationale gebruiken, met name op het gebied van contractuele betrekkingen, alsmede met de noodzaak het concurrentievermogen van de economie van de Unie te handhaven. De Unie en de lidstaten zijn van oordeel dat de bovengeschetste ontwikkeling zowel uit de werking van de interne markt – waardoor de harmonisatie der sociale stelsels zal worden bevorderd – als uit de in de Grondwet bepaalde procedures en de onderlinge aanpassing van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten zal voortvloeien.

Artikel III-210

1. Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel III-209 wordt het optreden van de lidstaten op de volgende gebieden door de Unie ondersteund en aangevuld: a. de verbetering van met name het arbeidsmilieu om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen; b. de arbeidsvoorwaarden; c. de sociale zekerheid en de sociale bescherming van werknemers; d. de bescherming van werknemers bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst; e. de informatieverstrekking aan en de raadpleging van werknemers; 275 92 f. de vertegenwoordiging en collectieve verdediging van de belangen van werknemers en werkgevers, met inbegrip van de medezeggenschap, onder voorbehoud van lid 6; g. de werkgelegenheidsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen die op wettige wijze op het grondgebied van de Unie verblijven; h. de integratie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, onverminderd artikel III-283; i. de gelijkheid van vrouwen en mannen wat hun kansen op de arbeidsmarkt en de behandeling op het werk betreft; j. de bestrijding van sociale uitsluiting; k. de modernisering van de stelsels voor sociale bescherming, onverminderd het bepaalde onder c. 2. Voor de toepassing van lid 1: a. kunnen bij Europese wet of kaderwet maatregelen worden vastgesteld die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen door middel van initiatieven ter verbetering van de kennis, ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en optimale praktijken, bevordering van een innovatieve aanpak en evaluatie van ervaringen, met uitsluiting van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten; b. kunnen op de in lid 1, onder a tot en met i, bedoelde gebieden bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld die geleidelijk van toepassing zullen worden, met inachtneming van de in elk van de lidstaten bestaande omstandigheden en technische voorschriften. In deze Europese kaderwetten wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen, dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd. In alle gevallen worden de Europese wetten of kaderwetten na raadpleging van het Comité van de Regio’s en het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld. 3. In afwijking van lid 2 worden op de in lid 1, onder c, d, f en g, bedoelde gebieden Europese wetten of kaderwetten door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld, na raadpleging van het Europees Parlement, het Comité van de Regio’s en het Economisch en Sociaal Comité. Op voorstel van de Commissie kan de Raad bij Europees besluit de gewone wetgevingsprocedure van toepassing verklaren op lid 1, onder d, f en g. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. 4. Een lidstaat kan de sociale partners, indien zij daar gezamenlijk om verzoeken, belasten met de uitvoering van de krachtens de leden 2 en 3 vastgestelde Europese kaderwetten of, in voorkomend geval, de uitvoering van de overeenkomstig artikel III-212 vastgestelde Europese verordeningen of besluiten. 93 275 In dat geval verzekert de lidstaat zich ervan dat de sociale partners uiterlijk op de datum waarop een Europese kaderwet moet zijn omgezet en op de datum waarop een Europese verordening of een Europees besluit uitgevoerd moet zijn, de nodige maatregelen bij overeenkomst hebben ingevoerd. De betrokken lidstaat moet zelf alle nodige maatregelen treffen om te allen tijde te waarborgen dat de bij die kaderwet, die verordening of dat besluit voorgeschreven resultaten worden bereikt. 5. De krachtens dit artikel vastgestelde Europese wetten en kaderwetten: a. laten het recht van de lidstaten, de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen, onverlet en mogen geen ingrijpende gevolgen hebben voor het financiële evenwicht van dat stelsel; b. beletten niet dat een lidstaat strengere met de Grondwet verenigbare beschermingsmaatregelen handhaaft of invoert. 6. Dit artikel is niet van toepassing op de beloning, het recht van vereniging, het stakingsrecht of het recht tot uitsluiting.

Artikel III-211

1. De Commissie bevordert de raadpleging van de sociale partners op het niveau van de Unie en stelt alle maatregelen vast die ertoe kunnen dienen, door middel van een evenwichtige ondersteuning van de partijen, de dialoog tussen de partners te vergemakkelijken. 2. Voor de toepassing van lid 1 raadpleegt de Commissie, alvorens voorstellen op het gebied van het sociaal beleid in te dienen, de sociale partners over de mogelijke richting van een optreden van de Unie. 3. Indien de Commissie na de in lid 2 bedoelde raadpleging van mening is dat een optreden van de Unie wenselijk is, raadpleegt zij de sociale partners over de inhoud van het voorgenomen voorstel. De sociale partners doen de Commissie een advies of, in voorkomend geval, een aanbeveling toekomen. 4. Ter gelegenheid van de in de leden 2 en 3 bedoelde raadplegingen kunnen de sociale partners de Commissie in kennis stellen van hun wens het in artikel III-212, lid 1, bedoelde proces in te leiden. Dit proces neemt ten hoogste negen maanden in beslag, tenzij de betrokken sociale partners en de Commissie gezamenlijk besluiten tot verlenging.

Artikel III-212

1. De dialoog tussen de sociale partners op het niveau van de Unie kan, indien de sociale partners zulks wensen, leiden tot contractuele betrekkingen, waaronder overeenkomsten. 2. De uitvoering van de op het niveau van de Unie gesloten overeenkomsten geschiedt hetzij volgens de procedures en gebruiken die eigen zijn aan de sociale partners en aan de lidstaten, hetzij, voor zaken die 275 94 onder artikel III-210 vallen, op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen, bij Europese verordeningen of besluiten, vastgesteld door de Raad op voorstel van de Commissie. Het Europees Parlement wordt hiervan in kennis gesteld. Indien de betrokken overeenkomst een of meer bepalingen bevat die betrekking hebben op een van de gebieden waarvoor op grond van artikel III-210, lid 3, eenparigheid van stemmen vereist is, besluit de Raad met eenparigheid van stemmen.

Artikel III-213

Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel III-209 en onverminderd de andere bepalingen van de Grondwet, bevordert de Commissie de samenwerking tussen de lidstaten en vergemakkelijkt zij de coördinatie van hun optreden op alle door deze afdeling bestreken gebieden van het sociaal beleid, met name op het terrein van: a. de werkgelegenheid; b. het arbeidsrecht en de arbeidsvoorwaarden; c. de beroepsopleiding en de bijscholing; d. de sociale zekerheid; e. de voorkoming van arbeidsongevallen en beroepsziekten; f. de arbeidshygiëne; g. het recht zich te organiseren in vakverenigingen en het recht van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. Te dien einde werkt de Commissie nauw samen met de lidstaten bij het verrichten van studies, het uitbrengen van adviezen en het organiseren van overleg, zowel omtrent vraagstukken op nationaal niveau als omtrent vraagstukken die de internationale organisaties aangaan, met name door middel van initiatieven om richtsnoeren en indicatoren vast te stellen, de uitwisseling van beste praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog op periodieke controle en evaluatie te verzamelen. Het Europees Parlement wordt ten volle in kennis gesteld. Alvorens de in dit artikel bedoelde adviezen uit te brengen, raadpleegt de Commissie het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-214

1. Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat het beginsel van gelijke beloning van vrouwelijke en mannelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast. 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ,,beloning’’ verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking rechtstreeks of onrechtstreeks van de werkgever ontvangt. Gelijke beloning zonder onderscheid naar geslacht houdt in: a. dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van eenzelfde maatstaf; 95 275 b. dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor een zelfde functie. 3. Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen vastgesteld om de toepassing te waarborgen van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van vrouwen en mannen in werkgelegenheid en beroep, met inbegrip van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid. De Europese wetten of kaderwetten wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité. 4. Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid van vrouwen en mannen in het beroepsleven in de praktijk te verzekeren, maatregelen handhaaft of aanneemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.

Artikel III-215

De lidstaten streven ernaar de bestaande gelijkwaardigheid van de bepalingen omtrent betaalde vakantie te handhaven.

Artikel III-216

De Commissie stelt ieder jaar een voortgangsverslag op over de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel III-209, waarin ook de demografische situatie in de Unie wordt behandeld. Zij zendt dit verslag toe aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-217

De Raad stelt bij gewone meerderheid een Europees besluit vast tot instelling van een comité voor sociale bescherming met een adviestaak, teneinde de samenwerking tussen de lidstaten onderling en met de Commissie op het gebied van de sociale bescherming te bevorderen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement. Het comité heeft tot taak: a. toe te zien op de sociale toestand en de ontwikkeling van het beleid inzake sociale bescherming in de lidstaten en de Unie; b. de uitwisseling van informatie, ervaringen en goede praktijken tussen de lidstaten onderling en met de Commissie te vergemakkelijken; c. onverminderd artikel III-344, verslagen op te stellen, adviezen uit te brengen of andere activiteiten te ontplooien op gebieden die onder zijn bevoegdheden vallen, hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief. Voor de vervulling van zijn opdracht legt het comité de nodige contacten met de sociale partners. 275 96 Iedere lidstaat en de Commissie benoemen twee leden van het comité.

Artikel III-218

De Commissie wijdt in haar jaarverslag aan het Europees Parlement een afzonderlijk hoofdstuk aan de ontwikkeling van de sociale toestand in de Unie. Het Europees Parlement kan de Commissie verzoeken verslagen op te stellen over bijzondere vraagstukken betreffende de sociale toestand.

Artikel III-219

1. Teneinde de werkgelegenheid voor de werknemers in de interne markt te verbeteren en zodoende bij te dragen tot verhoging van de levensstandaard, wordt een Europees Sociaal Fonds opgericht. Dit Fonds heeft ten doel binnen de Unie de arbeidsmarktkansen en de geografische en beroepsmobiliteit van werknemers te bevorderen, alsmede de aanpassing aan veranderingen in het bedrijfsleven en in productiestelsels gemakkelijker te maken, met name door beroepsopleiding en omscholing. 2. De Commissie beheert het Fonds. Zij wordt in deze taak bijgestaan door een comité dat onder het voorzitterschap staat van een lid van de Commissie en samengesteld is uit vertegenwoordigers van de lidstaten en van de vakverenigingen van werknemers en van werkgevers. 3. De uitvoeringsmaatregelen betreffende het Fonds worden bij Europese wet vastgesteld. Deze wordt na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.

AFDELING 3[bewerken]

ECONOMISCHE, SOCIALE EN TERRITORIALE SAMENHANG

Artikel III-220

Teneinde de harmonische ontwikkeling van de Unie in haar geheel te bevorderen, ontwikkelt en vervolgt de Unie haar optreden ter versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang. De Unie stelt zich in het bijzonder ten doel, de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio’s en de achterstand van de minst begunstigde regio’s te verkleinen. Wat betreft die regio’s wordt bijzondere aandacht besteed aan de plattelandsgebieden, de regio’s die een industriële overgang doormaken, en de regio’s die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de meest noordelijke regio’s met een zeer geringe bevolkingsdichtheid, alsmede insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden. 97 275

Artikel III-221

De lidstaten voeren en coördineren hun economisch beleid mede met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen van artikel III-220. Bij de vaststelling en de uitvoering van het beleid en van de maatregelen van de Unie en bij de totstandbrenging van de interne markt wordt rekening gehouden met en bijgedragen tot verwezenlijking van deze doelstellingen. De Unie ondersteunt deze verwezenlijking tevens door haar optreden via de structuurfondsen (Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Oriëntatie, Europees Sociaal Fonds, Europees Fonds voor regionale ontwikkeling), de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten. De Commissie brengt om de drie jaar aan het Europees Parlement, aan de Raad, aan het Comité van de Regio’s en aan het Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de economische, sociale en territoriale samenhang, alsmede over de wijze waarop de diverse in dit artikel bedoelde middelen daartoe hebben bijgedragen. Dit verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen. Bij Europese wet of kaderwet kunnen specifieke maatregelen buiten de fondsen om worden vastgesteld, onverminderd de maatregelen die in het kader van ander beleid van de Unie worden vastgesteld. De Europese wet of kaderwet wordt na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.

Artikel III-222

Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling is bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie, door deel te nemen aan de ontwikkeling en de structurele aanpassing van regio’s met een ontwikkelingsachterstand en aan de omschakeling van industriegebieden met teruglopende economische activiteit.

Artikel III-223

1. Onverminderd artikel III-224, worden bij Europese wet de taken, de prioritaire doelstellingen en de organisatie van de structuurfondsen vastgesteld – hetgeen ook samenvoeging van de fondsen kan omvatten – en de algemene regels die voor deze fondsen gelden, alsmede de bepalingen die nodig zijn voor de doeltreffende werking van de fondsen en de coördinatie tussen de fondsen onderling en met de andere bestaande financieringsinstrumenten. Een bij Europese wet opgericht cohesiefonds levert een financiële bijdrage aan de uitvoering van projecten op het gebied van milieu en trans- Europese netwerken in de sfeer van de vervoersinfrastructuur. De Europese wetten worden in alle gevallen na raadpleging van het 275 98 Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld. 2. De eerste bepalingen betreffende de fondsen met structurele strekking en het cohesiefonds die worden vastgesteld ingevolge de bepalingen die van kracht zijn op de datum van ondertekening van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, worden vastgesteld bij Europese wet van de Raad. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

Artikel III-224

De toepassingsmaatregelen met betrekking tot het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling worden bij Europese wet vastgesteld. De wet wordt na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld. Ten aanzien van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Oriëntatie, en het Europees Sociaal Fonds zijn onderscheidenlijk artikel III-231 en artikel III-219, lid 3, van toepassing.

AFDELING 4[bewerken]

LANDBOUW EN VISSERIJ

Artikel III-225

De Unie stelt een gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid vast en voert dit uit. Onder ,,landbouwproducten’’ worden verstaan de voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij, alsmede de producten in eerste graad van bewerking welke met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband houden. Verwijzingen naar het gemeenschappelijk landbouwbeleid of naar de landbouw worden geacht tevens te gelden als verwijzing naar de visserij, met inachtneming van de bijzondere kenmerken van de visserijsector.

Artikel III-226

1. De interne markt omvat mede de landbouw en de handel in landbouwproducten. 2. Behoudens andersluidende bepaling in de artikelen III-227 tot en met III-232, zijn de regels voor de totstandbrenging en de werking van de interne markt van toepassing op landbouwproducten. 3. De in bijlage I vermelde producten vallen onder de artikelen III- 227 tot en met III-232. 4. De werking en de ontwikkeling van de interne markt voor de landbouwproducten dienen gepaard te gaan met een gemeenschappelijk landbouwbeleid. 99 275

Artikel III-227

1. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft ten doel: a. de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te bewerkstelligen; b. aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn; c. de markten te stabiliseren; d. de voorziening veilig te stellen; e. redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren. 2. Bij de totstandbrenging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van de daarvoor te treffen bijzondere voorzieningen wordt rekening gehouden met: a. de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw en uit de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden; b. de noodzaak de dienstige aanpassingen geleidelijk te doen verlopen; c. het feit dat de landbouwsector in de lidstaten nauw verweven is met de gehele economie.

Artikel III-228

1. Om de in artikel III-227 genoemde doelstellingen te verwezenlijken wordt een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten tot stand gebracht. Naar gelang van de producten neemt deze ordening een van de volgende vormen aan: a. gemeenschappelijke regels inzake mededinging; b. verplichte coördinatie van de verschillende nationale marktorganisaties; c. een Europese marktorganisatie. 2. De gemeenschappelijke ordening in een der in lid 1 vermelde vormen kan alle maatregelen medebrengen welke noodzakelijk zijn om de in artikel III-227 genoemde doelstellingen te verwezenlijken, met name prijsregelingen, subsidies zowel voor de productie als voor het in de handel brengen der verschillende producten, systemen van voorraadvorming en opslag en gemeenschappelijke organisatorische voorzieningen voor de stabilisatie van de in- of uitvoer. De gemeenschappelijke ordening moet zich beperken tot het nastreven van de in artikel III-227 genoemde doelstellingen en iedere discriminatie tussen producenten of verbruikers in de Unie uitsluiten. Een eventueel gemeenschappelijk prijsbeleid moet op gemeenschappelijke criteria en op eenvormige berekeningswijzen berusten. 275 100 3. Om de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke ordening aan haar doel te laten beantwoorden, kunnen een of meer oriëntatie- en garantiefondsen voor de landbouw in het leven worden geroepen.

Artikel III-229

Ter verwezenlijking van de in artikel III-227 genoemde doeleinden kunnen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid met name maatregelen worden getroffen met betrekking tot: a. een doeltreffende coördinatie van hetgeen ondernomen wordt op het gebied van beroepsopleiding, landbouwkundig onderzoek en landbouwkundige voorlichting, welke coördinatie gemeenschappelijk gefinancierde projecten of instellingen kan omvatten; b. gemeenschappelijke acties voor de ontwikkeling van het verbruik van bepaalde producten.

Artikel III-230

1. De afdeling over regels betreffende de mededinging is op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten slechts in zoverre van toepassing, als bij Europese wet of kaderwet met inachtneming van de in artikel III-227 vermelde doelstellingen en overeenkomstig artikel III- 231, lid 2, wordt bepaald. 2. De Raad kan op voorstel van de Commissie een Europese verordening of een Europees besluit vaststellen waarbij machtiging wordt gegeven tot het verlenen van steun: a. ter bescherming van door structurele of natuurlijke omstandigheden benadeelde bedrijven; b. in het kader van economische ontwikkelingsplannen.

Artikel III-231

1. De Commissie doet voorstellen voor de totstandbrenging en de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waaronder begrepen de vervanging van nationale organisaties door een van de in artikel III-228, lid 1, genoemde vormen van gemeenschappelijke ordening en de uitvoering van de in deze afdeling bedoelde maatregelen. Deze voorstellen houden rekening met de samenhang van de in deze afdeling bedoelde landbouwaspecten. 2. Bij Europese wet of kaderwet wordt de in artikel III-228, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten ingesteld en worden de overige bepalingen vastgesteld die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na te streven. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité. 101 275 3. De Raad regelt op voorstel van de Commissie bij Europese verordening of bij Europees besluit de prijsbepaling, de heffingen, de steun en de kwantitatieve beperkingen, alsook de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden. 4. De in artikel III-228, lid 1, genoemde gemeenschappelijke ordening kan overeenkomstig lid 2 in de plaats worden gesteld van nationale marktorganisaties: a. indien de gemeenschappelijke ordening aan lidstaten die tegen deze maatregelen gekant zijn en die zelf over een nationale organisatie voor de betrokken productie beschikken, gelijkwaardige waarborgen biedt inzake de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten, met inachtneming van de snelheid van de mogelijke aanpassingen en van de noodzakelijke specialisatie, en b. indien deze ordening het handelsverkeer binnen de Unie soortgelijke voorwaarden biedt als die welke op een nationale markt bestaan. 5. Indien voor bepaalde grondstoffen een gemeenschappelijke ordening in het leven wordt geroepen voordat er een gemeenschappelijke ordening voor de overeenkomstige verwerkte producten bestaat, mogen de betrokken grondstoffen die gebruikt worden voor de producten welke voor uitvoer naar derde landen zijn bestemd, van buiten de Unie worden ingevoerd.

Artikel III-232

Wanneer in een lidstaat een product onder een nationale marktorganisatie valt of onder een binnenlandse regeling van gelijke werking welke een gelijksoortige productie in een andere lidstaat bij de concurrentiepositie nadelig beïnvloedt, leggen de lidstaten een compenserende heffing op de invoer van dat product uit de lidstaat waar de organisatie of de regeling bestaat, tenzij deze lidstaat een compenserende heffing op de uitvoer toepast. De Commissie regelt bij Europese verordening of Europees besluit de hoogte van deze heffingen zodanig als nodig is om het evenwicht te herstellen. Zij kan eveneens machtiging verlenen tot het nemen van andere maatregelen waarvan zij de voorwaarden en wijze van toepassing vaststelt.

AFDELING 5[bewerken]

HET MILIEU

Artikel III-233

1. Het beleid van de Unie op milieugebied draagt bij tot het nastreven van de volgende doelstellingen: a. behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu; 275 102 b. bescherming van de gezondheid van de mens; c. behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen; d. bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen. 2. De Unie streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Unie. Het beleid van de Unie berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt. In dit verband bevatten de harmonisatiemaatregelen die voldoen aan de eisen inzake milieubescherming, in de gevallen die daarvoor in aanmerking komen, een vrijwaringsclausule op grond waarvan de lidstaten om niet-economische milieuredenen voorlopige regelingen kunnen treffen welke aan een controleprocedure van de Unie onderworpen zijn. 3. Bij het bepalen van het beleid op milieugebied houdt de Unie rekening met: a. de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens; b. de milieuomstandigheden in de onderscheiden regio’s van de Unie; c. de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit optreden, onderscheidenlijk niet-optreden; d. de economische en sociale ontwikkeling van de Unie als geheel en de evenwichtige ontwikkeling van de regio’s. 4. In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Unie en de lidstaten samen met derde landen en de op milieugebied bevoegde internationale organisaties. De regels voor deze samenwerking kunnen worden vastgelegd in overeenkomsten tussen de Unie en de betrokken derde partijen. De eerste alinea doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.

Artikel III-234

1. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld om de in artikel III-233 genoemde doelstellingen te verwezenlijken. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité. 2. In afwijking van lid 1 en onverminderd artikel III-172, stelt de Raad met eenparigheid van stemmen Europese wetten of kaderwetten vast met betrekking tot: a. bepalingen van in hoofdzaak fiscale aard; b. maatregelen die van invloed zijn op: i. de ruimtelijke ordening; ii. het kwantitatieve waterbeheer of, rechtstreeks of onrechtstreeks, 103 275 de beschikbaarheid van de watervoorraden; iii. de bodembestemming, met uitzondering van het afvalstoffenbeheer; c. maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening. De Raad kan, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vaststellen waarbij de gewone wetgevingsprocedure van toepassing wordt verklaard op de in de eerste alinea genoemde gebieden. De Raad besluit in alle gevallen na raadpleging van het Europees Parlement, van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité. 3. Bij Europese wet worden algemene actieprogramma’s vastgesteld waarin de te verwezenlijken prioritaire doelstellingen worden vastgelegd. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité. De voor de uitvoering van die programma’s nodige maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig lid 1, respectievelijk lid 2. 4. Onverminderd bepaalde door de Unie vastgestelde maatregelen, dragen de lidstaten zorg voor de financiering en de uitvoering van het milieubeleid. 5. Onverminderd het beginsel dat de vervuiler betaalt, omvat een op grond van lid 1 vastgestelde maatregel die voor de overheid van een lidstaat onevenredig hoge kosten met zich meebrengt tevens: a. ontheffingen van tijdelijke aard, en/of b. financiële steun uit het cohesiefonds. 6. De beschermende maatregelen die worden vastgesteld uit hoofde van dit artikel, beletten niet dat een lidstaat verdergaande beschermende maatregelen vaststelt. Zulke maatregelen moeten verenigbaar zijn met de Grondwet. Zij worden ter kennis gebracht van de Commissie.

AFDELING 6[bewerken]

CONSUMENTENBESCHERMING

Artikel III-235

1. Om de belangen van consumenten te bevorderen en een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, draagt de Unie bij tot de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en de economische belangen van consumenten, alsmede tot de bevordering van hun recht op voorlichting en vorming, en hun recht van vereniging om hun belangen te behartigen. 2. De Unie draagt bij tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen door middel van: 275 104 a. maatregelen die op grond van artikel III-172 in het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt worden vastgesteld; b. maatregelen om het beleid van de lidstaten te ondersteunen, aan te vullen en te controleren. 3. De in lid 2, onder b, bedoelde maatregelen worden bij Europese wet of kaderwet vastgesteld. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité. 4. De uit hoofde van lid 3 vastgestelde handelingen beletten niet dat een lidstaat regelingen voor een hogere graad van bescherming handhaaft of treft. Deze bepalingen moeten verenigbaar zijn met de Grondwet. Zij worden ter kennis gebracht van de Commissie.

AFDELING 7[bewerken]

VERVOER

Artikel III-236

1. De doelstellingen van de Grondwet worden wat het onderwerp van deze afdeling betreft nagestreefd in het kader van een gemeenschappelijk vervoerbeleid. 2. Bij Europese wet of kaderwet wordt lid 1 ten uitvoer gebracht, met inachtneming van de bijzondere aspecten van het vervoer. De wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité. Bij de Europese wet of kaderwet worden vastgesteld: a. gemeenschappelijke regels voor internationaal vervoer vanuit of naar het grondgebied van een lidstaat of over het grondgebied van een of meer lidstaten; b. de voorwaarden waaronder vervoerondernemers worden toegelaten tot nationaal vervoer in een lidstaat waarin zij niet woonachtig zijn; c. maatregelen ter verbetering van de veiligheid van het vervoer; d. alle overige dienstige maatregelen. 3. Bij de vaststelling van de in lid 2 bedoelde Europese wet of kaderwet wordt rekening gehouden met gevallen waarin de toepassing ervan ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor de levensstandaard en de werkgelegenheid in bepaalde regio’s, en voor de exploitatie van de vervoersfaciliteiten.

Artikel III-237

Totdat de in artikel III-236, lid 2, bedoelde Europese wet of kaderwet is vastgesteld, en behoudens vaststelling met eenparigheid van stemmen van een Europees besluit van de Raad waarbij een afwijking wordt toe- 105 275 gestaan, mag geen enkele lidstaat de onderscheiden bepalingen, die terzake gelden vanaf 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vanaf de datum van hun toetreding, zodanig veranderen, dat zij daardoor in hun rechtstreekse of onrechtstreekse uitwerking minder gunstig worden voor vervoerondernemers uit overige lidstaten dan voor de nationale vervoerondernemers.

Artikel III-238

Met deze Grondwet zijn verenigbaar steunmaatregelen die beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of die overeenkomen met de vergoeding van bepaalde met het begrip ,,openbare dienst’’ verbonden, verplichte dienstverrichtingen.

Artikel III-239

Bij iedere in het kader van deze Grondwet vastgestelde maatregel op het gebied van vrachtprijzen en vervoervoorwaarden dient de economische toestand van de vervoerondernemers in aanmerking te worden genomen.

Artikel III-240

1. In het verkeer binnen de Unie is iedere discriminatie verboden die erin bestaat dat een vervoerondernemer voor dezelfde verbindingen verschillende vrachtprijzen en vervoervoorwaarden voor gelijke goederen hanteert naar gelang van de lidstaat van herkomst of van bestemming van de vervoerde waren. 2. Lid 1 sluit niet uit dat krachtens artikel III-236, lid 2, andere Europese wetten of kaderwetten kunnen worden vastgesteld. 3. De Raad stelt op voorstel van de Commissie Europese verordeningen of besluiten vast die erop zijn gericht de uitvoering van lid 1 te waarborgen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité. De Raad kan met name bij Europese verordening of bij Europees besluit het nodige regelen om de instellingen in staat te stellen te waken over de naleving van het in lid 1 bedoelde voorschrift en om te bewerkstelligen dat de gebruikers volledig voordeel hebben van dit voorschrift. 4. De Commissie onderzoekt eigener beweging of op verzoek van een lidstaat de in lid 1 bedoelde gevallen van discriminatie en stelt na raadpleging van iedere belanghebbende lidstaat in het kader van de in lid 3 bedoelde Europese verordeningen of besluiten de nodige Europese besluiten vast. 275 106

Artikel III-241

1. Behoudens machtiging op grond van een Europees besluit van de Commissie, is het een lidstaat verboden voor vervoer binnen de Unie prijzen en voorwaarden op te leggen die enig element van steun of bescherming in het belang van een of meer ondernemingen of bepaalde industrieën inhouden. 2. De Commissie onderwerpt eigener beweging of op verzoek van een lidstaat de in lid 1 bedoelde prijzen en voorwaarden aan een onderzoek en houdt daarbij rekening met, enerzijds, de vereisten van een passend regionaal economisch beleid, de behoeften van minder ontwikkelde gebieden en de moeilijkheden die zich in door politieke omstandigheden ernstig benadeelde streken voordoen, en, anderzijds, de gevolgen van die prijzen en voorwaarden voor de mededinging tussen de verschillende takken van vervoer. De Commissie stelt na raadpleging van iedere betrokken lidstaat de nodige Europese besluiten vast. 3. Het in lid 1 bedoelde verbod is niet van toepassing op mededingingstarieven.

Artikel III-242

De heffingen of andere rechten welke naast de vervoerprijs door een vervoerondernemer in verband met grensoverschrijding in rekening worden gebracht, mogen een redelijk peil niet te boven gaan, gelet op de werkelijke kosten die door de grensoverschrijding feitelijk zijn veroorzaakt. De lidstaten streven naar een verlaging van deze kosten. De Commissie kan de lidstaten aanbevelingen doen voor de toepassing van dit artikel.

Artikel III-243

De bepalingen van deze afdeling staan in de BondsRepubliek Duitsland genomen maatregelen niet in de weg, voorzover deze noodzakelijk zijn om de economische nadelen welke door de deling van Duitsland zijn berokkend aan de economie van de door de deling getroffen streken in de BondsRepubliek te compenseren. Vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling voor een Grondwet voor Europa kan de Raad op voorstel van de Commissie een Europees besluit tot intrekking van dit artikel vaststellen.

Artikel III-244

Een comité van raadgevende aard, bestaande uit door de regeringen van de lidstaten aangewezen deskundigen, wordt aan de Commissie toegevoegd. De Commissie raadpleegt het comité over vervoeraangelegenheden zo dikwijls zij dat nodig acht. 107 275

Artikel III-245

1. Deze afdeling is van toepassing op het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren. 2. Bij Europese wet of kaderwet kunnen passende maatregelen worden vastgesteld voor de zeevaart en de luchtvaart. Deze wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité.

AFDELING 8[bewerken]

TRANS-EUROPESE NETWERKEN

Artikel III-246

1. Teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in de artikelen III-130 en III-220 bedoelde doelstellingen en om de burgers van de Unie, de economische subjecten, alsmede de regionale en lokale gemeenschappen in staat te stellen ten volle profijt te trekken van de voordelen die uit de totstandkoming van een ruimte zonder binnengrenzen voortvloeien, draagt de Unie bij tot de totstandbrenging en ontwikkeling van trans-Europese netwerken op het gebied van vervoers-, telecommunicatie- en energie-infrastructuur. 2. In het kader van een stelsel van open en door concurrentie gekenmerkte markten is het optreden van de Unie gericht op de bevordering van de onderlinge koppeling en interoperabiliteit van nationale netwerken, alsmede van de toegang tot deze netwerken. Daarbij wordt de noodzaak in aanmerking genomen om verbindingen tot stand te brengen tussen insulaire, ingesloten en perifere regio’s en de centrale regio’s van de Unie.

Artikel III-247

1. Voor de verwezenlijking van de in artikel III-246 genoemde doelstellingen: a. stelt de Unie een geheel van richtsnoeren op betreffende de doelstellingen, de prioriteiten en de grote lijnen van de op het gebied van trans-Europese netwerken voorgenomen maatregelen; in deze richtsnoeren worden projecten van gemeenschappelijk belang aangegeven; b. treft de Unie alle maatregelen die nodig kunnen blijken om de interoperabiliteit van de netwerken te bewerkstelligen, met name op het gebied van de harmonisatie van technische normen; c. kan de Unie steun verlenen aan door de lidstaten gesteunde projecten van gemeenschappelijk belang, die als zodanig zijn aangegeven in het kader van de onder a bedoelde richtsnoeren, met name in de vorm van uitvoerbaarheidsstudies, garanties voor leningen of rentesubsidies; 275 108 de Unie kan ook uit het cohesiefonds bijdragen aan de financiering van projecten in de lidstaten op het terrein van de vervoersinfrastructuur. Bij het optreden van de Unie wordt rekening gehouden met de economische levensvatbaarheid van de projecten. 2. Bij Europese wet of kaderwet worden de in lid 1 bedoelde richtsnoeren en andere maatregelen vastgesteld. De wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité. Voor richtsnoeren en projecten van gemeenschappelijk belang die betrekking hebben op het grondgebied van een lidstaat, is de goedkeuring van de betrokken lidstaat vereist. 3. De lidstaten coördineren in samenspraak met de Commissie het nationaal beleid voorzover dat van grote invloed kan zijn op de verwezenlijking van de in artikel III-246 bedoelde doelstellingen. De Commissie kan in nauwe samenwerking met de lidstaten alle dienstige initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen. 4. De Unie kan met derde landen samenwerken om projecten van gemeenschappelijk belang te bevorderen en de interoperabiliteit van de netwerken te bewerkstelligen.

AFDELING 9[bewerken]

ONDERZOEK EN TECHNOLOGISCHE ONTWIKKELING EN RUIMTE

Artikel III-248

1. Het optreden van de Unie is erop gericht haar wetenschappelijke en technologische grondslagen te versterken door de totstandbrenging van een Europese onderzoeksruimte waarbinnen onderzoekers, wetenschappelijke kennis en technologieën vrij circuleren, tot de ontwikkeling van het concurrentievermogen van de Unie en van haar industrie bij te dragen en de onderzoeksactiviteiten te bevorderen die uit hoofde van andere hoofdstukken van de Grondwet nodig worden geacht. 2. Voor de toepassing van het bepaalde in lid 1 stimuleert zij in de gehele Unie ondernemingen, waaronder kleine en middelgrote ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten bij hun inspanningen op het gebied van hoogwaardig onderzoek en hoogwaardige technologische ontwikkeling. De Unie ondersteunt hun streven naar onderlinge samenwerking, waarbij het beleid er vooral op gericht is onderzoekers in staat te stellen vrijelijk samen te werken over de grenzen heen, en ondernemingen in staat te stellen de mogelijkheden van de interne markt te benutten, in het bijzonder door openstelling van de nationale overheidsopdrachten, vaststelling van gemeenschappelijke normen en opheffing van de wettelijke en fiscale belemmeringen welke die samenwerking in de weg staan. 109 275 3. Alle activiteiten van de Unie op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling, met inbegrip van demonstratieprojecten, worden vastgesteld en uitgevoerd overeenkomstig deze afdeling.

Artikel III-249

Voor de verwezenlijking van de in artikel III-248 genoemde doelstellingen onderneemt de Unie de volgende activiteiten, die de activiteiten van de lidstaten aanvullen: a. uitvoering van programma’s voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, waarbij de samenwerking met en tussen ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten wordt bevorderd; b. bevordering van de samenwerking van de Unie met derde landen en internationale organisaties inzake onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie; c. verspreiding en exploitatie van de resultaten van de activiteiten van de Unie inzake onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie; d. stimulering van de opleiding en de mobiliteit van onderzoekers in de Unie.

Artikel III-250

1. De Unie en de lidstaten coördineren hun activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling om zodoende de onderlinge samenhang van het beleid van de lidstaten en het beleid van de Unie te verzekeren. 2. De Commissie kan in nauwe samenwerking met de lidstaten initiatieven nemen om de in lid 1 bedoelde coördinatie te bevorderen, met name initiatieven om richtsnoeren en indicatoren vast te stellen, de uitwisseling van beste praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog op periodieke controle en evaluatie te verzamelen. Het Europees Parlement wordt ten volle in kennis gesteld.

Artikel III-251

1. Bij Europese wet wordt het meerjarenkaderprogramma vastgesteld waarin alle activiteiten die door de Unie worden gefinancierd, zijn opgenomen. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité. In het kaderprogramma: a. worden de wetenschappelijke en technologische doelstellingen die met de in artikel III-249 bedoelde activiteiten moeten worden verwezenlijkt, alsmede de daarmee samenhangende prioriteiten, vastgesteld; b. worden de grote lijnen van deze activiteiten aangegeven; c. worden het totale maximumbedrag van en gedetailleerde regels voor de financiële deelneming van de Unie aan het kaderprogramma, alsmede de onderscheiden deelbedragen voor elk van de voorgenomen activiteiten, vastgelegd. 275 110 2. Het meerjarenkaderprogramma wordt naar gelang van de ontwikkeling van de situatie aangepast of aangevuld. 3. Bij Europese wet van de Raad worden de specifieke programma’s vastgesteld ter uitvoering van het meerjarenkaderprogramma binnen iedere activiteit. In ieder specifiek programma worden de bepalingen voor de uitvoering ervan, de looptijd en de nodig geachte middelen vastgelegd. Het totaal van de in de specifieke programma’s vastgelegde nodig geachte bedragen mag niet meer belopen dan het voor het kaderprogramma en voor iedere activiteit vastgelegde totale maximumbedrag. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité. 4. Ter aanvulling op de in het meerjarenkaderprogramma geplande activiteiten worden bij Europese wet de maatregelen vastgesteld die nodig zijn om de Europese onderzoeksruimte te realiseren. Zij wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-252

1. Voor de uitvoering van het meerjarenkaderprogramma worden bij Europese wet of kaderwet de volgende regels vastgesteld: a. de regels voor de deelneming van ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten; b. de regels voor de verspreiding van de onderzoeksresultaten. De Europese wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité. 2. Bij de uitvoering van het meerjarenkaderprogramma kunnen bij Europese wet aanvullende programma’s worden vastgesteld waaraan alleen wordt deelgenomen door bepaalde lidstaten, die zorg dragen voor de financiering daarvan, onder voorbehoud van eventuele deelneming van de Unie. Bij Europese wet worden de regels voor de aanvullende programma’s vastgesteld, met name voor wat betreft de verspreiding van de kennis en de toegang van andere lidstaten. Zij wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en met de goedkeuring van de betrokken lidstaten. 3. Bij de uitvoering van het meerjarenkaderprogramma kan bij Europese wet worden voorzien in deelneming aan door verscheidene lidstaten opgezette onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s, met inbegrip van deelneming aan de voor de uitvoering van die programma’s tot stand gebrachte structuren; deze deelneming behoeft de goedkeuring van de betrokken lidstaten. De Europese wetten worden vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité. 111 275 4. Bij de uitvoering van het meerjarenkaderprogramma kan de Unie voorzien in samenwerking van de Unie met derde landen of internationale organisaties op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling en demonstratie. De regels voor deze samenwerking kunnen worden vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en de betrokken derde partijen.

Artikel III-253

De Raad kan op voorstel van de Commissie bij Europese verordening of Europees besluit vaststellen, dat gemeenschappelijke ondernemingen of andere structuren worden opgericht ten dienste van de goede uitvoering van programma’s van de Unie voor onderzoek en technologische ontwikkeling en demonstratie. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-254

1. Om de wetenschappelijke en technische vooruitgang, het industriële concurrentievermogen en de uitvoering van haar beleid te bevorderen, stippelt de Unie een Europees ruimtevaartbeleid uit. Daartoe kan zij gemeenschappelijke initiatieven bevorderen, onderzoek en technologische ontwikkeling steunen en de nodige inspanningen coördineren voor de verkenning en het gebruik van de ruimte. 2. Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de in lid 1 bedoelde doelstellingen, worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld, die de vorm kunnen hebben van een speciaal Europees ruimtevaartprogramma. 3. De Unie gaat elke nuttige relatie aan met het Europees Ruimteagentschap.

Artikel III-255

Aan het begin van ieder jaar legt de Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad een verslag voor. Dit verslag heeft betrekking op de activiteiten inzake onderzoek en technologische ontwikkeling en inzake verspreiding van de resultaten in het voorafgaande jaar, alsmede op het werkprogramma van het lopende jaar.

AFDELING 10[bewerken]

ENERGIE

Artikel III-256

1. In het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt en rekening houdend met de noodzaak om het milieu in stand te houden en te verbeteren, is het beleid van de Unie op het gebied van energie erop gericht: 275 112 a. de werking van de energiemarkt te waarborgen; b. de continuïteit van de energievoorziening in de Unie te waarborgen, en c. energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en duurzame energie te stimuleren. 2. Onverminderd de toepassing van andere bepalingen van de Grondwet worden de in lid 1 genoemde doelstellingen verwezenlijkt met maatregelen die bij Europese wet of kaderwet worden vastgesteld. De wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité. De Europese wetten en/of kaderwetten zijn, onverminderd artikel III- 234, lid 2, onder c, niet van invloed op het recht van een lidstaat de voorwaarden voor de exploitatie van zijn energiebronnen te bepalen, op zijn keuze tussen verschillende energiebronnen of op de algemene structuur van zijn energievoorziening. 3. In afwijking van lid 2, kunnen de daarin bedoelde maatregelen die voornamelijk van fiscale aard zijn, bij Europese wet of kaderwet van de Raad worden vastgesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

HOOFDSTUK IV[bewerken]

RUIMTE VAN VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHT

AFDELING 1[bewerken]

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel III-257

1. De Unie is een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd. 2. De Unie zorgt ervoor dat aan de binnengrenzen geen personencontroles worden verricht en zij ontwikkelt een gemeenschappelijk beleid op het gebied van asiel, immigratie en controle aan de buitengrenzen, dat gebaseerd is op solidariteit tussen de lidstaten en dat billijk is ten aanzien van de onderdanen van derde landen. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden staatlozen gelijkgesteld met onderdanen van derde landen. 3. De Unie streeft ernaar een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en van racisme en vreemdelingenhaat, maatregelen inzake coördinatie en samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten in strafzaken en andere bevoegde autoriteiten, alsmede door de weder- 113 275 zijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken en, zo nodig, door de onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen. 4. De Unie vergemakkelijkt de toegang tot de rechter, met name door het beginsel van wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen in burgerlijke zaken.

Artikel III-258

De Europese Raad stelt de strategische richtsnoeren van de wetgevende en operationele programmering in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht vast.

Artikel III-259

Met betrekking tot de wetgevingsvoorstellen en -initiatieven die worden ingediend in het kader van de afdelingen 4 en 5 zien de nationale parlementen erop toe dat het subsidiariteitsbeginsel wordt geëerbiedigd, overeenkomstig het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

Artikel III-260

Onverminderd de artikelen III-360 tot en met III-362, kan de Raad op voorstel van de Commissie bij Europese verordening of Europees besluit vaststellen, dat de lidstaten in samenwerking met de Commissie een objectieve en onpartijdige evaluatie van de uitvoering, door de autoriteiten van de lidstaten, van het door dit hoofdstuk bestreken beleid van de Unie kunnen verrichten, met name ter bevordering van de volledige toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning. Het Europees Parlement en de nationale parlementen worden op de hoogte gebracht van de inhoud en de resultaten van die evaluatie.

Artikel III-261

Binnen de Raad wordt een permanent comité opgericht om ervoor te zorgen dat binnen de Unie de operationele samenwerking op het gebied van de binnenlandse veiligheid wordt bevorderd en versterkt. Onverminderd artikel III-344, bevordert het comité de coördinatie van het optreden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. De vertegenwoordigers van de betrokken organen en instanties van de Unie kunnen bij de werkzaamheden van het comité worden betrokken. Het Europees Parlement en de nationale parlementen worden over deze werkzaamheden geïnformeerd.

Artikel III-262

Dit hoofdstuk laat de uitoefening van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet. 275 114

Artikel III-263

De Raad stelt bij Europese verordening regels vast voor de administratieve samenwerking tussen de diensten van de lidstaten die bevoegd zijn op de door dit hoofdstuk bestreken gebieden, en tussen deze diensten en de Commissie. De Raad besluit op voorstel van de Commissie, onder voorbehoud van artikel III-264, en na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-264

De in de afdelingen 4 en 5 bedoelde handelingen alsmede de in artikel III-263 bedoelde Europese verordeningen tot vaststelling van regels voor administratieve samenwerking op de door die afdelingen bestreken gebieden worden vastgesteld: a. op voorstel van de Commissie, of b. op initiatief van een kwart van de lidstaten.

AFDELING 2[bewerken]

BELEID INZAKE GRENSCONTROLES, ASIEL EN IMMIGRATIE

Artikel III-265

1. De Unie ontwikkelt een beleid dat tot doel heeft: a. ervoor te zorgen dat personen, ongeacht hun nationaliteit, bij het overschrijden van de binnengrenzen niet worden gecontroleerd; b. te zorgen voor personencontrole en efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buitengrenzen; c. geleidelijk een geïntegreerd systeem voor het beheer van de buitengrenzen op te zetten. 2. Voor de toepassing van lid 1 worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld die betrekking hebben op: a. het gemeenschappelijk beleid inzake visa en andere verblijfstitels van korte duur; b. de controles waaraan personen bij het overschrijden van de buitengrenzen worden onderworpen; c. de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen gedurende een korte periode vrij in de Unie kunnen reizen; d. de maatregelen die nodig zijn voor de geleidelijke invoering van een geïntegreerd systeem van beheer van de buitengrenzen; e. het voorkomen dat personen, ongeacht hun nationaliteit, gecontroleerd worden bij het overschrijden van de binnengrenzen. 3. Dit artikel laat de bevoegdheid van de lidstaten inzake de geografische afbakening van hun grenzen overeenkomstig het nationaal recht onverlet. 115 275

Artikel III-266

1. De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk beleid inzake asiel, subsidiaire bescherming en tijdelijke bescherming, teneinde iedere onderdaan van een derde land die internationale bescherming behoeft, een passende status te verlenen en de naleving van het beginsel van nonrefoulement te garanderen. Dit beleid moet in overeenstemming zijn met het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen alsmede met de andere toepasselijke verdragen. 2. Voor de toepassing van lid 1 worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld betreffende een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat het volgende behelst: a. een uniforme asielstatus voor onderdanen van derde landen die in de hele Unie geldt; b. een uniforme subsidiaire-beschermingsstatus voor de onderdanen van derde landen die, als zij geen asiel krijgen in de Europese Unie, internationale bescherming behoeven; c. een gemeenschappelijk stelsel voor tijdelijke bescherming van ontheemden in geval van een massale toestroom; d. gemeenschappelijke procedures voor toekenning of intrekking van de uniforme status van asiel of van subsidiaire bescherming; e. criteria en instrumenten voor de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek of van een verzoek om subsidiaire bescherming; f. normen betreffende de voorwaarden inzake de opvang van asielzoekers of van aanvragers van subsidiaire bescherming; g. partnerschap en samenwerking met derde landen om de stromen van asielzoekers of aanvragers van subsidiaire of tijdelijke bescherming te beheersen. 3. Indien een of meer lidstaten ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, kan de Raad op voorstel van de Commissie Europese verordeningen of besluiten met voorlopige maatregelen ten gunste van de betrokken lidstaat of lidstaten vaststellen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-267

1. De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk immigratiebeleid, dat erop gericht is in alle stadia te zorgen voor een efficiënt beheer van de migratiestromen, een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven, en een intensievere preventie en bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel. 2. Voor de toepassing van lid 1 worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld die betrekking hebben op de volgende gebieden: 275 116 a. de voorwaarden voor toegang en verblijf, en normen betreffende de afgifte door de lidstaten van langlopende visa en verblijfstitels, onder andere met het oog op gezinshereniging; b. de omschrijving van de rechten van onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, alsook de voorwaarden ter regeling van het vrije verkeer en het vrije verblijf in andere lidstaten; c. illegale immigratie en illegaal verblijf, met inbegrip van verwijdering en repatriëring van illegaal verblijvende personen; d. bestrijding van mensenhandel, met name handel in vrouwen en kinderen. 3. De Unie kan overeenkomsten met derde landen sluiten waarmee de overname door hun land van oorsprong of herkomst wordt beoogd van onderdanen van derde landen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst, aanwezigheid of verblijf op het grondgebied van een van de lidstaten. 4. Bij Europese wet of kaderwet kunnen maatregelen worden vastgesteld om het optreden van de lidstaten ter bevordering van de integratie van onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven, aan te moedigen en te ondersteunen, met uitzondering van enige harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten. 5. Dit artikel laat het recht van de lidstaten onverlet, zelf te bepalen hoeveel onderdanen van derde landen, afkomstig uit derde landen, tot hun grondgebied worden toegelaten teneinde daar al dan niet in loondienst arbeid te verrichten.

Artikel III-268

Aan het in deze afdeling bedoelde beleid van de Unie en de uitvoering daarvan liggen het beginsel van solidariteit en van billijke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten, ook op financieel vlak, ten grondslag. De handelingen van de Unie die uit hoofde van deze afdeling worden vastgesteld, bevatten passende bepalingen voor de toepassing van dit beginsel.

AFDELING 3[bewerken]

JUSTITIËLE SAMENWERKING IN BURGERLIJKE ZAKEN

Artikel III-269

1. De Unie ontwikkelt justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, die berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in buitengerechtelijke zaken. Deze samenwerking kan maatregelen ter aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten omvatten. 117 275 2. Voor de toepassing van lid 1 worden, met name wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt, bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld die het volgende beogen: a. de wederzijdse erkenning tussen de lidstaten van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in buitengerechtelijke zaken en de tenuitvoerlegging daarvan; b. de grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken; c. de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor collisie en jurisdictiegeschillen; d. samenwerking bij het vergaren van bewijsmiddelen; e. daadwerkelijke toegang tot de rechter; f. het wegnemen van de hindernissen voor de goede werking van burgerrechtelijke procedures, zo nodig door bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende bepalingen inzake burgerlijke rechtsvordering; g. de ontwikkeling van alternatieve methoden voor geschillenbeslechting; h. de ondersteuning van de opleiding van magistraten en justitieel personeel. 3. In afwijking van lid 2, worden maatregelen betreffende het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen bij Europese wet of kaderwet van de Raad vastgesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. De Raad kan op voorstel van de Commissie bij Europees besluit vaststellen ten aanzien van welke aspecten van het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen handelingen volgens de gewone wetgevingsprocedure kunnen worden vastgesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

AFDELING 4[bewerken]

JUSTITIËLE SAMENWERKING IN STRAFZAKEN

Artikel III-270

1. De justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en omvat de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op de in lid 2 en in artikel III-271 genoemde gebieden. Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen vastgesteld om: a. regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie erkend worden; b. jurisdictiegeschillen tussen de lidstaten te voorkomen en op te lossen; c. de opleiding van magistraten en justitieel personeel te ondersteunen; 275 118 d. in het kader van strafvervolging en tenuitvoerlegging van beslissingen de samenwerking tussen de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten te bevorderen. 2. Voorzover nodig ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld. In die minimumvoorschriften wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten. De minimumvoorschriften hebben betrekking op: a. de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijs tussen de lidstaten; b. de rechten van personen in de strafvordering; c. de rechten van slachtoffers van misdrijven; d. andere specifieke elementen van de strafvordering, die door de Raad vooraf bij Europees besluit worden bepaald. Voor de aanneming van dit besluit, besluit de Raad met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement. De vaststelling van de in dit lid bedoelde minimumvoorschriften belet de lidstaten niet een hoger niveau van bescherming voor personen te handhaven of in te voeren. 3. Wanneer een lid van de Raad van oordeel is dat een in lid 2 bedoeld ontwerp van Europese kaderwet afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtstelsel, kan hij verzoeken dat het ontwerp aan de Europese Raad wordt voorgelegd. In dat geval wordt de in artikel III-396 bedoelde procedure opgeschort. Na bespreking zal de Europese Raad, binnen 4 maanden na de schorsing: a. het ontwerp opnieuw aan de Raad voorleggen, waardoor de schorsing van de in artikel III-396 bedoelde procedure beëindigd wordt, of b. de Commissie of de groep van lidstaten die het initiatief heeft genomen, verzoeken een nieuw ontwerp voor te leggen; in dat geval wordt de aanvankelijk voorgestelde handeling geacht niet te zijn vastgesteld. 4. Indien de Europese Raad na afloop van de in lid 3 bedoelde periode niet heeft gehandeld, of indien 12 maanden na de indiening van een nieuw ontwerp op grond van lid 3, onder b, de Europese kaderwet nog niet is vastgesteld, en ten minste eenderde van de lidstaten nauwere samenwerking wenst aan te gaan op basis van het betrokken ontwerp voor een kaderwet, stellen zij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan op de hoogte. In dat geval wordt de in de artikelen I-44, lid 2, en III-419, lid 1, bedoelde machtiging tot nauwere samenwerking geacht te zijn verleend en zijn de bepalingen betreffende nauwere samenwerking van toepassing. 119 275

Artikel III-271

1. Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze strafbare feiten of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden. Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de vervalsing van betaalmiddelen, computercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit. Afhankelijk van de ontwikkelingen in de criminaliteit kan de Raad bij Europees besluit vaststellen, welke andere vormen van criminaliteit aan de in dit lid genoemde criteria voldoen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement. 2. Indien onderlinge aanpassing de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied. Onverminderd artikel III-264 wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de betrokken harmonisatiemaatregelen. 3. Wanneer een lid van de Raad van oordeel is dat een in de leden 1 en 2 bedoeld ontwerp van Europese kaderwet afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtstelsel, kan hij verzoeken dat het ontwerp aan de Europese Raad wordt voorgelegd. In dat geval wordt, indien de in artikel III-396 bedoelde procedure van toepassing is, deze procedure opgeschort. Na bespreking zal de Europese Raad, binnen vier maanden na die schorsing: a. het ontwerp opnieuw aan de Raad voorleggen, waardoor de schorsing van de in artikel III-396 bedoelde procedure, indien deze van toepassing is, beëindigd wordt, of b. de Commissie of de groep van lidstaten die het initiatief heeft genomen, verzoeken een nieuw ontwerp voor te leggen; in dat geval wordt de aanvankelijk voorgestelde handeling geacht niet te zijn vastgesteld. 4. Indien de Europese Raad na afloop van de in lid 3 bedoelde periode niet heeft gehandeld, of indien 12 maanden na de indiening van een nieuw ontwerp op grond van lid 3, onder b, de Europese kaderwet nog niet is vastgesteld, en ten minste eenderde van de lidstaten nauwere samenwerking wenst aan te gaan op basis van het betrokken ontwerp voor een kaderwet, stellen zij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan op de hoogte. 275 120 In dat geval wordt de in artikelen I-44, lid 2, en in artikel III-419, lid 1, bedoelde machtiging tot nauwere samenwerking geacht te zijn verleend en zijn de bepalingen betreffende nauwere samenwerking van toepassing.

Artikel III-272

Bij Europese wet of kaderwet kunnen maatregelen worden vastgesteld ter stimulering en ondersteuning van het optreden van de lidstaten op het gebied van misdaadpreventie, met uitsluiting van enige harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.

Artikel III-273

1. De opdracht van Eurojust bestaat in het ondersteunen en versterken van de coördinatie en de samenwerking tussen de nationale autoriteiten die belast zijn met het onderzoek en de vervolging van zware criminaliteit welke twee of meer lidstaten schaadt of een vervolging op gemeenschappelijke basis vereist, op basis van de door de autoriteiten van de lidstaten en Europol uitgevoerde operaties en verstrekte informatie. In dit kader worden bij Europese wet de structuur, de werking, het werkterrein en de taken van Eurojust vastgesteld. Deze taken kunnen het volgende omvatten: a. het inleiden van strafrechtelijk onderzoek alsmede het voorstellen van het inleiden van vervolging door de bevoegde nationale autoriteiten, met name in verband met strafbare feiten welke de financiële belangen van de Unie schaden; b. de coördinatie van onderzoek en vervolging als bedoeld onder a; c. de versterking van de justitiële samenwerking, met name door middel van het oplossen van jurisdictiegeschillen en door nauwe samenwerking met het Europees justitieel netwerk. Bij Europese wet wordt tevens bepaald, op welke wijze het Europees Parlement en de nationale parlementen bij de evaluatie van de activiteiten van Eurojust worden betrokken. 2. In het kader van de in lid 1 bedoelde vervolgingen en onverminderd artikel III-274, worden de formele handelingen in verband met de gerechtelijke procedure gesteld door de bevoegde nationale functionarissen.

Artikel III-274

1. Ter bestrijding van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, kan op de grondslag van Eurojust bij Europese wet van de Raad een Europees openbaar ministerie worden ingesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement. 121 275 2. Het Europees openbaar ministerie is, in voorkomend geval in samenwerking met Europol, bevoegd voor het opsporen, vervolgen en voor het gerecht brengen van daders van en medeplichtigen aan strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie, zoals omschreven in de in lid 1 bedoelde Europese wet, schaden. Het Europees openbaar ministerie is belast met de rechtsvordering voor de bevoegde rechtbanken van de lidstaten in verband met deze strafbare feiten. 3. Het statuut van het Europees openbaar ministerie, de voorwaarden voor de uitoefening van zijn functies, de voor zijn activiteiten geldende procedurevoorschriften en de voorschriften inzake de toelaatbaarheid van bewijs en de voorschriften voor de rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen die het in de uitoefening van zijn ambt verricht, worden bij de in lid 1 bedoelde Europese wet vastgesteld. 4. De Europese Raad kan tegelijkertijd of later een Europees besluit vaststellen tot wijziging van lid 1, teneinde de bevoegdheden van het Europees openbaar ministerie bij de bestrijding van ernstige criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie uit te breiden, en dientengevolge tot wijziging van lid 2 wat betreft de plegers van en medeplichtigen aan zware misdrijven die verscheidene lidstaten schaden. De Europese Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement en na raadpleging van de Commissie.

AFDELING 5[bewerken]

POLITIËLE SAMENWERKING

Artikel III-275

1. De Unie ontwikkelt een vorm van politiële samenwerking waarbij alle bevoegde autoriteiten van de lidstaten betrokken zijn, met inbegrip van de politie, de douane en andere gespecialiseerde wetshandhavingsdiensten die belast zijn met het voorkomen, opsporen en onderzoeken van strafbare feiten. 2. Voor de toepassing van lid 1 kunnen bij Europese wet of kaderwet maatregelen worden vastgesteld die betrekking hebben op: a. de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van relevante informatie; b. steun voor de opleiding van personeel, alsmede samenwerking betreffende de uitwisseling van personeel, apparatuur en onderzoek op het gebied van criminalistiek; c. gemeenschappelijke onderzoekstechnieken voor het opsporen van ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit. 3. Bij Europese wet of kaderwet van de Raad kunnen maatregelen worden vastgesteld die betrekking hebben op de operationele samenwerking tussen de in dit artikel bedoelde autoriteiten. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. 275 122

Artikel III-276

1. De opdracht van Europol is het optreden van de politie-instanties en andere wetshandhavingsdiensten van de lidstaten, alsmede hun wederzijdse samenwerking bij de voorkoming en bestrijding van zware criminaliteit waardoor twee of meer lidstaten worden getroffen, van terrorisme en van vormen van criminaliteit die een schending inhouden van een gemeenschappelijk belang dat tot het beleid van de Unie behoort, te ondersteunen en te versterken. 2. De structuur, de werkwijze, het werkterrein en de taken van Europol worden bij Europese wet bepaald. Deze taken kunnen het volgende omvatten: a. de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van informatie die met name door de autoriteiten van de lidstaten of van derde landen of instanties worden verstrekt; b. de coördinatie, organisatie en uitvoering van onderzoeken en operationele acties, die gezamenlijk met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of in gezamenlijke onderzoeksteams worden uitgevoerd, in voorkomend geval in samenwerking met Eurojust. Bij Europese wet wordt tevens bepaald op welke wijze de activiteiten van Europol door het Europees Parlement, tezamen met de nationale parlementen, worden gecontroleerd. 3. Iedere operationele actie van Europol moet worden uitgevoerd in overleg en overeenstemming met de autoriteiten van de lidstaat op wiens of de lidstaten op wier grondgebied de actie wordt uitgevoerd. Over het gebruik van dwangmiddelen beslissen alleen de bevoegde nationale autoriteiten.

Artikel III-277

De voorwaarden en de beperkingen waarbinnen de in de artikelen III- 270 en III-275 bedoelde bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het grondgebied van een andere lidstaat in overleg en overeenstemming met de autoriteiten van die staat mogen optreden worden bij Europese wet of kaderwet van de Raad vastgesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. 123 275

HOOFDSTUK V[bewerken]

DE GEBIEDEN WAAROP DE UNIE KAN BESLUITEN ONDERSTEUNEND, COÖRDINEREND, OF AANVULLEND OP TE TREDEN

AFDELING 1[bewerken]

VOLKSGEZONDHEID

Artikel III-278

1. Bij de bepaling en de uitvoering van het gehele beleid en optreden van de Unie wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd. Het optreden van de Unie, dat een aanvulling vormt op het nationale beleid, is gericht op verbetering van de volksgezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens, en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid. Dit optreden omvat: a. de bestrijding van grote bedreigingen van de gezondheid, door het bevorderen van onderzoek naar de oorzaken, de overdracht en de preventie daarvan, alsmede door het bevorderen van gezondheidsvoorlichting en gezondheidsonderwijs; b. de controle van, de alarmering bij en de bestrijding van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid. De Unie vervolledigt het optreden van de lidstaten ter vermindering van de schade aan de gezondheid door drugsgebruik, onder andere door voorlichting en preventie. 2. De Unie moedigt samenwerking tussen de lidstaten op de in dit artikel bedoelde gebieden aan en steunt zo nodig hun optreden. Zij moedigt in het bijzonder aan dat de lidstaten samenwerken ter verbetering van de complementariteit van hun gezondheidsdiensten in de grensgebieden. De lidstaten coördineren in samenspraak met de Commissie hun beleid en programma’s op de in lid 1 bedoelde gebieden. De Commissie kan, in nauw contact met de lidstaten, initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen, met name initiatieven om richtsnoeren en indicatoren vast te stellen, de uitwisseling van beste praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog op periodieke controle en evaluatie te verzamelen. Het Europees Parlement wordt ten volle in kennis gesteld. 3. De Unie en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de voor volksgezondheid bevoegde internationale organisaties. 4. In afwijking van artikel I-12, lid 5, en artikel I-17, onder a, en overeenkomstig artikel I-14, lid 2, onder k, wordt bij Europese wet of 275 124 kaderwet bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel, en wel door het treffen van de volgende maatregelen om gemeenschappelijke veiligheidskwesties het hoofd te bieden: a. maatregelen waarbij hoge kwaliteits- en veiligheidseisen worden gesteld aan organen en stoffen van menselijke oorsprong, bloed en bloedderivaten; deze maatregelen beletten niet dat een lidstaat strengere beschermingsmaatregelen handhaaft of treft; b. maatregelen op veterinair en fytosanitair gebied die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid; c. maatregelen waarbij hoge kwaliteits- en veiligheidseisen worden gesteld aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen; d. maatregelen betreffende de controle van, de vroegtijdige alarmering bij en de bestrijding van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid. De Europese wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité. 5. Bij Europese wet of kaderwet kunnen ook stimuleringsmaatregelen worden vastgelegd die gericht zijn op de bescherming en de verbetering van de menselijke gezondheid en met name de bestrijding van grote grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid, alsook maatregelen die rechtstreeks verband houden met de bescherming van de volksgezondheid ter zake van tabak en misbruik van alcohol, met uitsluiting van enige harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité. 6. Voor de toepassing van dit artikel kan de Raad op voorstel van de Commissie ook aanbevelingen aannemen. 7. Het optreden van de Unie eerbiedigt de verantwoordelijkheden van de lidstaten met betrekking tot de bepaling van hun gezondheidsbeleid, alsmede de organisatie en de verstrekking van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging. De verantwoordelijkheden van de lidstaten omvatten het beheer van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging, alsmede de allocatie van de daaraan toegewezen middelen. De in lid 4, onder a, bedoelde maatregelen doen geen afbreuk aan de nationale voorschriften inzake donatie en geneeskundig gebruik van organen en bloed.

AFDELING 2[bewerken]

DE INDUSTRIE

Artikel III-279

1. De Unie en de lidstaten scheppen de voorwaarden waaronder de industrie van de Unie kan concurreren. Hiertoe is hun optreden, dat past in een bestel van open en concurrerende markten, erop gericht: 125 275 a. de aanpassing van de industrie aan structurele veranderingen te bespoedigen; b. een gunstig klimaat voor het ontplooien van initiatieven en voor de ontwikkeling van ondernemingen in de gehele Unie, met name van het midden- en kleinbedrijf, te bevorderen; c. een gunstig klimaat voor samenwerking tussen ondernemingen te bevorderen; d. een betere benutting van het industrieel potentieel van het beleid inzake innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling te stimuleren. 2. De lidstaten plegen in samenspraak met de Commissie overleg en coördineren, voorzover nodig, hun optreden. De Commissie kan initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen, met name initiatieven om richtsnoeren en indicatoren vast te stellen, de uitwisseling van beste praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog op periodieke controle en evaluatie te verzamelen. Het Europees Parlement wordt ten volle in kennis gesteld. 3. De Unie draagt door het beleid en het optreden uit hoofde van andere bepalingen van de Grondwet bij tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen. Bij Europese wet of kaderwet kunnen maatregelen worden vastgesteld ter ondersteuning van de activiteiten die in de lidstaten worden ondernomen om de doelstellingen van lid 1 te verwezenlijken, met uitzondering van enige harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité. Deze afdeling verschaft geen grondslag voor invoering door de Unie van maatregelen waardoor de mededinging kan worden vervalst of die belastingbepalingen of bepalingen betreffende de rechten en belangen van werknemers inhouden.

AFDELING 3[bewerken]

CULTUUR

Artikel III-280

1. De Unie draagt bij tot ontplooiing van de culturen van de lidstaten, onder eerbiediging van de nationale en regionale verscheidenheid van die culturen, maar tegelijk ook de nadruk leggend op het gemeenschappelijk cultureel erfgoed. 2. Het optreden van de Unie is erop gericht de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten op de volgende gebieden te ondersteunen en aan te vullen: a. verbetering van de kennis en verbreiding van de cultuur en de geschiedenis van de Europese volkeren; 275 126 b. instandhouding en bescherming van het cultureel erfgoed van Europees belang; c. culturele uitwisseling op niet-commerciële basis; d. scheppend werk op artistiek en literair gebied, mede in de audiovisuele sector. 3. De Unie en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de voor cultuur bevoegde internationale organisaties, met name met de Raad van Europa. 4. De Unie houdt bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van de Grondwet rekening met de culturele aspecten, met name om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen. 5. Teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel: a. worden bij Europese wet of kaderwet stimuleringsmaatregelen vastgesteld, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio’s; b. neemt de Raad op voorstel van de Commissie aanbevelingen aan.

AFDELING 4[bewerken]

TOERISME

Artikel III-281

1. De Unie zorgt voor aanvulling van het optreden van de lidstaten in de toerismesector, met name door bevordering van het concurrentievermogen van de ondernemingen van de Unie in die sector. In dit verband is het optreden van de Unie gericht op: a. het bevorderen van een klimaat dat gunstig is voor de ontwikkeling van bedrijven in deze sector; b. het stimuleren van de samenwerking tussen de lidstaten, met name door uitwisseling van goede praktijken. 2. Bij Europese wet of kaderwet worden de bijzondere maatregelen vastgesteld ter aanvulling van de acties die in de lidstaten worden ondernomen om de in dit artikel genoemde doelstellingen te verwezenlijken, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.

AFDELING 5[bewerken]

ONDERWIJS, JEUGD, SPORT EN BEROEPSOPLEIDING

Artikel III-282

1. De Unie draagt bij tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen. Zij eerbiedigt ten 127 275 volle de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel en van hun verscheidenheid van cultuur en taal. De Unie draagt bij tot de bevordering van de Europese inzet op sportgebied, rekening houdend met haar specifieke kenmerken, haar op vrijwilligerswerk berustende structuren en haar sociale en educatieve functie. Het optreden van de Unie is erop gericht: a. de Europese dimensie in het onderwijs tot ontwikkeling te brengen, met name door onderricht in en verspreiding van de talen der lidstaten; b. de mobiliteit van studenten en docenten te bevorderen, mede door de academische erkenning van diploma’s en studietijdvakken aan te moedigen; c. de samenwerking tussen onderwijsinstellingen te bevorderen; d. de uitwisseling te bevorderen van informatie en ervaring omtrent de gemeenschappelijke vraagstukken waarmee de onderwijsstelsels van de lidstaten worden geconfronteerd; e. de ontwikkeling van uitwisselingsprogramma’s voor jongeren en jongerenwerkers te bevorderen en de participatie van jongeren aan het democratisch bestel van Europa aan te moedigen; f. de ontwikkeling van het onderwijs op afstand te stimuleren; g. de Europese dimensie van de sport te ontwikkelen, door de eerlijkheid en de openheid van sportcompetities en de samenwerking tussen de verantwoordelijke sportorganisaties te bevorderen, en door de fysieke en morele integriteit van sportlieden, met name jonge sporters, te beschermen. 2. De Unie en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de voor onderwijs en sport bevoegde internationale organisaties, met name met de Raad van Europa. 3. Teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel: a. worden bij Europese wet of kaderwet stimuleringsmaatregelen vastgesteld, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. De wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité; b. neemt de Raad op voorstel van de Commissie aanbevelingen aan.

Artikel III-283

1. De Unie voert inzake beroepsopleiding een beleid waardoor het optreden van de lidstaten worden versterkt en aangevuld, onder volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud en de opzet van de beroepsopleiding. Het optreden van de Unie is erop gericht: 275 128 a. de aanpassing aan veranderingen in het bedrijfsleven te vergemakkelijken, met name door beroepsopleiding en omscholing; b. de intrede en de herintrede op de arbeidsmarkt te bevorderen door verbetering van de initiële beroepsopleiding en van bij- en nascholing; c. de toegang tot beroepsopleidingen te vergemakkelijken en de mobiliteit van opleiders en leerlingen, met name jongeren, te bevorderen; d. de samenwerking inzake opleiding tussen onderwijs- of opleidingsinstellingen en ondernemingen te bevorderen; e. de uitwisseling te bevorderen van informatie en ervaring omtrent de gemeenschappelijke vraagstukken waarmee de opleidingsstelsels van de lidstaten worden geconfronteerd. 2. De Unie en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de voor beroepsopleiding bevoegde internationale organisaties. 3. Teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel: a. worden bij Europese wet of kaderwet de nodige maatregelen vastgesteld, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijk bepalingen van de lidstaten. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité; b. neemt de Raad op voorstel van de Commissie aanbevelingen aan.

AFDELING 6[bewerken]

CIVIELE BESCHERMING

Artikel III-284

1. De Unie bevordert de samenwerking tussen de lidstaten om zodoende te komen tot een grotere doeltreffendheid van de systemen ter voorkoming van en bescherming tegen natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen. Het optreden van de Unie is erop gericht: a. het optreden van de lidstaten op nationaal, regionaal en lokaal niveau met betrekking tot risicopreventie, het voorbereiden van de instanties op het gebied van civiele bescherming in de lidstaten en het optreden bij natuurrampen of door de mens veroorzaakte calamiteiten binnen de Unie te steunen en aan te vullen; b. snelle operationele en doeltreffende samenwerking tussen de nationale civiele beschermingsdiensten binnen de Unie te bevorderen; c. de samenhang tussen internationale acties op het gebied van civiele bescherming te stimuleren. 129 275 2. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld die nodig zijn om bij te dragen tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.

AFDELING 7[bewerken]

ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel III-285

1. De doeltreffende uitvoering van de wetgeving van de Unie door de lidstaten, die van wezenlijk belang is voor de goede werking van de Unie, wordt beschouwd als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang. 2. De Unie kan de inspanningen van de lidstaten ter verbetering van hun administratieve vermogen om de wetgeving van de Unie uit te voeren, steunen. Dergelijke steun kan behalve het vergemakkelijken van de uitwisselingen van informatie en van ambtenaren ook ondersteunende opleidings- en ontwikkelingsregelingen omvatten. Geen enkele lidstaat is verplicht gebruik te maken van dergelijke steun. De daartoe noodzakelijke maatregelen worden bij Europese wet vastgesteld, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. 3. Dit artikel laat de verplichting van de lidstaten om de wetgeving van de Unie uit te voeren, alsook de prerogatieven en taken van de Commissie, onverlet. Het laat ook de andere bepalingen van de grondwet die voorzien in administratieve samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Unie, onverlet.

TITEL IV[bewerken]

ASSOCIATIE VAN DE LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE

Artikel III-286

1. De niet-Europese landen en gebieden die bijzondere betrekkingen onderhouden met Denemarken, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, worden met de Unie geassocieerd. Die landen en gebieden, hierna genoemd landen en gebieden, worden opgesomd in bijlage II. Deze titel is op Groenland van toepassing, behoudens de bijzondere bepalingen van het protocol betreffende de bijzondere regeling van toepassing op Groenland. 2. Doel van de associatie is het bevorderen van de economische en sociale ontwikkeling van deze landen en gebieden en de totstandbrenging van nauwe economische betrekkingen tussen hen en de Unie. 275 130 De associatie schept in de eerste plaats de mogelijkheid, de belangen en de voorspoed van de inwoners van die landen en gebieden te bevorderen, om hen zodoende te brengen tot de economische, sociale en culturele ontwikkeling welke zij verwachten.

Artikel III-287

Door de associatie worden de volgende doeleinden nagestreefd: a. de lidstaten passen op hun handelsverkeer met deze landen en gebieden de regeling toe welke zij krachtens de Grondwet met elkaar overeenkomen; b. ieder land of gebied past op zijn handelsverkeer met de lidstaten en de andere landen en gebieden de regeling toe die het toepast op de Europese staat waarmede het bijzondere betrekkingen onderhoudt; c. de lidstaten dragen bij in de investeringen welke vereist zijn voor de ontwikkeling van die landen en gebieden; d. wat betreft de door de Unie gefinancierde investeringen, staat de deelneming in aanbestedingen en leveranties onder gelijke voorwaarden open voor alle onderdanen en rechtspersonen van de lidstaten en van de landen en gebieden; e. in de betrekkingen tussen de lidstaten en deze landen en gebieden wordt het recht van vestiging van de onderdanen en rechtspersonen op voet van non-discriminatie geregeld overeenkomstig de bepalingen van titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, onderafdeling 2, betreffende het recht van vestiging en met toepassing van de daarin vastgestelde procedures, behoudens de krachtens artikel III-291 vastgestelde handelingen.

Artikel III-288

1. De goederen van oorsprong uit de landen en gebieden profiteren bij hun invoer in de lidstaten van het bij de Grondwet ingestelde verbod op douanerechten tussen de lidstaten. 2. Bij invoer in deze landen en gebieden zijn overeenkomstig artikel III-151, lid 4, douanerechten op goederen uit de lidstaten en uit de andere landen en gebieden verboden. 3. De landen en gebieden kunnen evenwel douanerechten heffen welke in overeenstemming zijn met de eisen van hun ontwikkeling en de behoeften van hun industrialisatie, of welke van fiscale aard zijn en ten doel hebben in hun begrotingsmiddelen te voorzien. De in de eerste alinea bedoelde rechten mogen niet hoger zijn dan de invoerrechten welke worden geheven op producten uit de lidstaat waarmede elk land of gebied bijzondere betrekkingen onderhoudt. 4. Lid 2 is niet van toepassing op landen en gebieden die uit hoofde van de bijzondere internationale verplichtingen waaraan zij zijn onderworpen, reeds een non-discriminatoir douanetarief toepassen. 5. De heffing of wijziging van douanerechten op de in de landen en gebieden ingevoerde goederen mag noch in rechte noch in feite aanlei- 131 275 ding geven tot rechtstreekse of onrechtstreekse discriminatie tussen importen uit verschillende lidstaten.

Artikel III-289

Indien het peil van de rechten op goederen van herkomst uit een derde land bij invoer in een land of gebied van dien aard is dat, als gevolg van de toepassing van artikel III-288, lid 1, het handelsverkeer zich ten nadele van een der lidstaten kan verleggen, kan deze staat de Commissie verzoeken, de overige lidstaten voor te stellen de nodige corrigerende maatregelen te treffen.

Artikel III-290

Behoudens de bepalingen betreffende de volksgezondheid, de openbare veiligheid en de openbare orde, wordt het vrije verkeer van werknemers uit de landen en gebieden binnen de lidstaten en van werknemers uit de lidstaten binnen de landen en gebieden geregeld bij overeenkomstig artikel III-291 vastgestelde handelingen.

Artikel III-291

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, op basis van de resultaten die in het kader van de associatie van de landen en gebieden met de Unie zijn bereikt, met eenparigheid van stemmen bij Europese wet, kaderwet, verordening en bij Europees besluit de regels en de procedure voor de associatie van de landen en gebieden met de Unie vast. Deze wetten en kaderwetten worden vastgesteld na raadpleging van het Europees Parlement.

TITEL V[bewerken]

HET EXTERN OPTREDEN VAN DE UNIE

HOOFDSTUK I[bewerken]

ALGEMEEN TOEPASSELIJKE BEPALINGEN

Artikel III-292

1. Het internationaal optreden van de Unie berust op en is gericht op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht. 275 132 De Unie streeft ernaar betrekkingen te ontwikkelen en partnerschappen aan te gaan met derde landen en met de mondiale, internationale en regionale organisaties die de in de eerste alinea bedoelde beginselen delen. Zij bevordert multilaterale oplossingen voor gemeenschappelijke problemen, met name in het kader van de Verenigde Naties. 2. De Unie bepaalt en implementeert een gemeenschappelijk beleid en optreden en beijvert zich voor een hoge mate van samenwerking op alle gebieden van de internationale betrekkingen, met de volgende doelstellingen: a. bescherming van haar waarden, fundamentele belangen, veiligheid, onafhankelijkheid en integriteit; b. consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van het internationaal recht; c. handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid, overeenkomstig de doelstellingen en de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, de beginselen van de Slotakte van Helsinki en de doelstellingen van het Handvest van Parijs, met inbegrip van de doelstellingen betreffende de buitengrenzen; d. ondersteuning van de ontwikkeling van de ontwikkelingslanden op economisch, sociaal en milieugebied, met uitbanning van de armoede als voornaamste doel; e. stimulering van de integratie van alle landen in de wereldeconomie, onder meer door het geleidelijk wegwerken van belemmeringen voor de internationale handel; f. het leveren van een bijdrage tot het uitwerken van internationale maatregelen ter bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en het duurzaam beheer van de mondiale natuurlijke rijkdommen, teneinde duurzame ontwikkeling te waarborgen; g. het verlenen van hulp aan volkeren, landen en regio’s die te kampen hebben met natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen; h. het bevorderen van een internationaal bestel dat gebaseerd is op intensievere multilaterale samenwerking, en van goed mondiaal bestuur. 3. De Unie eerbiedigt de in de leden 1 en 2 bedoelde beginselen en streeft de in deze leden genoemde doelstellingen na bij de bepaling en de uitvoering van het externe optreden op de verschillende door deze titel bestreken gebieden, alsmede van het overige beleid van de Unie wat de externe aspecten betreft. De Unie ziet toe op de samenhang tussen de diverse onderdelen van haar externe optreden en tussen het externe optreden en het beleid van de Unie op andere terreinen. De Raad en de Commissie, hierin bijgestaan door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, dragen zorg voor deze samenhang en werken daartoe samen. 133 275

Artikel III-293

1. De Europese Raad stelt op basis van de in artikel III-292 vermelde beginselen en doelstellingen de strategische belangen en doelstellingen van de Unie vast. De Europese besluiten van de Europese Raad inzake de strategische belangen en doelstellingen van de Unie hebben betrekking op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en op andere onderdelen van het externe optreden van de Unie. Deze besluiten kunnen de betrekkingen van de Unie met een land of een regio betreffen, of een thematische aanpak hebben. In de besluiten worden de geldigheidsduur ervan bepaald, alsmede de middelen die door de Unie en de lidstaten beschikbaar worden gesteld. De Europese Raad besluit met eenparigheid van stemmen op aanbeveling van de Raad, welke aanbeveling door de Raad wordt vastgesteld volgens het voor elk gebied bepaalde. De Europese besluiten van de Europese Raad worden uitgevoerd volgens de in de Grondwet neergelegde procedures. 2. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de Commissie kunnen gezamenlijk voorstellen bij de Raad indienen; in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid respectievelijk het overige externe optreden van de Unie.

HOOFDSTUK II[bewerken]

HET GEMEENSCHAPPELIJK BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

AFDELING 1[bewerken]

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel III-294

1. In het kader van de beginselen en doelstellingen van zijn externe optreden, bepaalt en voert de Unie een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat alle terreinen van het buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt. 2. De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en onderlinge solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. De lidstaten werken samen om hun onderlinge politieke solidariteit te versterken en te ontwikkelen. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan haar doeltreffendheid als bundelende kracht in de internationale betrekkingen. De Raad en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie zien erop toe dat deze beginselen in acht worden genomen. 275 134 3. De Unie voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uit door: a. de algemene richtsnoeren vast te stellen, b. Europese besluiten vast te stellen ter bepaling van: i. het door de Unie uit te voeren optreden; ii. de door de Unie in te nemen standpunten; iii. de wijze van uitvoering van de onder de punten i en ii bedoelde Europese besluiten; c. de systematische samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de beleidsvoering te versterken.

Artikel III-295

1. De Europese Raad stelt de algemene richtsnoeren voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast, onder meer in aangelegenheden met consequenties op defensiegebied. Indien een internationale ontwikkeling dit vereist, wordt de Europese Raad door zijn voorzitter in buitengewone bijeenkomst bijeengeroepen, teneinde de strategische beleidslijnen van de Unie ten aanzien van deze ontwikkeling vast te stellen. 2. Op basis van de algemene richtsnoeren en strategische beleidslijnen van de Europese Raad, stelt de Raad de Europese besluiten voor het bepalen en uitvoeren van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast.

Artikel III-296

1. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, die de Raad Buitenlandse Zaken voorzit, draagt door middel van zijn voorstellen bij tot de voorbereiding van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en waarborgt de uitvoering van de Europese besluiten van de Europese Raad en van de Raad. 2. De minister van Buitenlandse Zaken vertegenwoordigt de Unie in aangelegenheden die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen. Hij voert namens de Unie de politieke dialoog met derden en verwoordt in internationale organisaties en op internationale conferenties het standpunt van de Unie. 3. Bij de vervulling van zijn ambt wordt de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie bijgestaan door een Europese dienst voor extern optreden. Deze dienst werkt samen met de diplomatieke diensten van de lidstaten en is samengesteld uit ambtenaren uit de bevoegde diensten van het secretariaat-generaal van de Raad en van de Commissie en door de nationale diplomatieke diensten gedetacheerde personeelsleden. De inrichting en de werking van de Europese dienst extern beleid worden vastgesteld bij een Europees besluit van de Raad. De Raad besluit op 135 275 voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie na raadpleging van het Europees Parlement en na de instemming van de Commissie verkregen te hebben.

Artikel III-297

1. Wanneer een internationale situatie een operationeel optreden van de Unie vereist, neemt de Raad de nodige Europese besluiten. In die besluiten worden de doelstellingen, de draagwijdte, de middelen welke de Unie ter beschikking dienen te worden gesteld, en de voorwaarden voor de uitvoering van het optreden omschreven, alsmede, zo nodig, de duur ervan. Indien zich een verandering van omstandigheden voordoet met een duidelijke invloed op een vraagstuk dat het voorwerp is van een dergelijk Europees besluit, beziet de Raad de beginselen en de doelstellingen van dat besluit opnieuw en neemt hij de nodige Europese besluiten. 2. De in lid 1 bedoelde Europese besluiten binden de lidstaten bij het innemen van standpunten en bij hun optreden. 3. Telkens wanneer op grond van een Europees besluit in de zin van lid 1 een nationale standpuntbepaling of een nationaal optreden wordt overwogen, wordt daarvan door de betrokken lidstaat op een zodanig tijdstip kennis gegeven dat zo nodig voorafgaand overleg in de Raad mogelijk is. De verplichting tot voorafgaande kennisgeving geldt niet voor maatregelen die slechts de nationale omzetting van dat besluit vormen. 4. In geval van dwingende noodzaak voortvloeiend uit veranderingen in de situatie en bij gebreke van een herziening, als bedoeld in lid 1, van het Europees besluit, kunnen de lidstaten met spoed de nodige maatregelen treffen, rekening houdend met de algemene doelstellingen van dat besluit. De betrokken lidstaat stelt de Raad onverwijld van iedere zodanige maatregel in kennis. 5. Indien een lidstaat bij de uitvoering van een in dit artikel bedoeld Europees besluit ernstige moeilijkheden ondervindt, legt hij deze voor aan de Raad, die daarover beraadslaagt en passende oplossingen zoekt. Deze mogen niet in strijd zijn met de doelstellingen van het optreden noch afbreuk doen aan de doeltreffendheid ervan.

Artikel III-298

De Raad stelt Europese besluiten vast waarin de aanpak van de Unie ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard wordt bepaald. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun nationaal beleid met de standpunten van de Unie overeenstemt. 275 136

Artikel III-299

1. Iedere lidstaat, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of de minister met de steun van de Commissie, kan ieder vraagstuk in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid aan de Raad voorleggen en hem voorstellen respectievelijk initiatieven voorleggen. 2. In gevallen waarin snelle besluitvorming is vereist, roept de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een lidstaat, binnen achtenveertig uur of, in geval van absolute noodzaak, op kortere termijn de Raad in buitengewone zitting bijeen.

Artikel III-300

1. De in dit hoofdstuk bedoelde Europese besluiten worden door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld. Een lid van de Raad dat zich van stemming onthoudt, kan zijn onthouding toelichten in een formele verklaring. Het lid is in dat geval niet verplicht het Europees besluit toe te passen, doch aanvaardt wel dat het de Unie bindt. In een geest van onderlinge solidariteit onthoudt de betrokken lidstaat zich van ieder optreden dat het optreden van de Unie krachtens genoemd besluit zou kunnen doorkruisen of belemmeren, en eerbiedigen de andere lidstaten dit standpunt. Indien de leden van de Raad die hun onthouding op deze wijze toelichten ten minste eenderde van de lidstaten vertegenwoordigen en de totale bevolking van de door hen vertegenwoordigde lidstaten ten minste eenderde van de totale bevolking van de Unie uitmaakt, wordt het besluit niet vastgesteld. 2. In afwijking van lid 1 besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen: a. wanneer hij een Europees besluit vaststelt dat een optreden of een standpunt van de Unie bepaalt op grond van een Europees besluit van de Europese Raad met betrekking tot de strategische belangen en doelstellingen van de Unie in de zin van artikel III-293, lid 1; b. wanneer hij een Europees besluit vaststelt dat een optreden of een standpunt van de Unie bepaalt, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, dat wordt voorgelegd naar aanleiding van een specifiek verzoek dat de Europese Raad op eigen initiatief of op initiatief van de minister tot hem heeft gericht; c. wanneer hij een Europees besluit vaststelt ter uitvoering van een Europees besluit dat een optreden of een standpunt van de Unie bepaalt; d. wanneer hij een Europees besluit houdende benoeming van een speciale vertegenwoordiger overeenkomstig artikel III-302 vaststelt. Indien een lid van de Raad verklaart om essentiële, nader genoemde, redenen van nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen de vaststelling van een Europees besluit met de vereiste gekwalificeerde 137 275 meerderheid van stemmen, wordt niet tot stemming overgegaan. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie tracht in nauw overleg met de betrokken lidstaat een aanvaardbare oplossing te bereiken. Indien dit niet tot resultaat leidt, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de aangelegenheid wordt voorgelegd aan de Europese Raad, die met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vaststelt. 3. Overeenkomstig artikel I-40, lid 7, kan de Europese Raad met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vaststellen dat bepaalt dat de Raad in andere dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde gevallen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit. 4. De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op besluiten die consequenties hebben op militair of defensiegebied.

Artikel III-301

1. Wanneer de Europese Raad of de Raad een gemeenschappelijke aanpak van de Unie in de zin van artikel I-40, lid 5, heeft bepaald, coördineren de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten hun activiteiten in de Raad. 2. De diplomatieke missies van de lidstaten en de delegaties van de Unie in derde landen en bij internationale organisaties werken samen en dragen bij tot de formulering en de uitvoering van de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke aanpak.

Artikel III-302

De Raad kan, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, een speciale vertegenwoordiger benoemen aan wie hij een mandaat voor specifieke beleidsvraagstukken verleent. De speciale vertegenwoordiger voert zijn mandaat uit onder het gezag van de minister.

Artikel III-303

De Unie kan met één of meer staten of internationale organisaties overeenkomsten sluiten op de gebieden die onder dit hoofdstuk vallen.

Artikel III-304

1. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie raadpleegt het Europees Parlement en verstrekt het Europees Parlement informatie overeenkomstig de artikelen I-40, lid 8, en I-41, lid 8. Hij ziet erop toe dat de opvattingen van het Europees Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen. Bij de informatieverstrekking aan het Europees Parlement kunnen de speciale vertegenwoordigers worden ingeschakeld. 275 138 2. Het Europees Parlement kan vragen of aanbevelingen tot de Raad en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie richten. Het wijdt tweemaal per jaar een debat aan de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

Artikel III-305

1. De lidstaten coördineren hun optreden in internationale organisaties en op internationale conferenties. Zij verdedigen in deze fora de standpunten van de Unie. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie organiseert de coördinatie. In internationale organisaties en op internationale conferenties waaraan niet alle lidstaten deelnemen, verdedigen de deelnemende lidstaten de standpunten van de Unie. 2. Overeenkomstig artikel I-16, lid 2, houden de lidstaten die zijn vertegenwoordigd in internationale organisaties of op internationale conferenties waarin niet alle lidstaten vertegenwoordigd zijn, de niet vertegenwoordigde lidstaten en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie op de hoogte van alle aangelegenheden van gemeenschappelijk belang. De lidstaten die tevens lid zijn van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties plegen onderling overleg en houden de overige lidstaten en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie ten volle op de hoogte. De lidstaten die lid van de Veiligheidsraad zijn, verdedigen in die functie de standpunten en belangen van de Unie, onverminderd de taken die krachtens het Handvest van de Verenigde Naties op hen rusten. Wanneer de Unie een standpunt over een thema op de agenda van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft bepaald, doen de lidstaten die daarin zitting hebben, het verzoek dat de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie wordt uitgenodigd om het standpunt van de Unie uiteen te zetten.

Artikel III-306

De diplomatieke en consulaire missies van de lidstaten en de delegaties van de Unie in derde landen en op internationale conferenties, alsmede hun vertegenwoordigingen bij internationale organisaties werken samen om te verzekeren dat de krachtens dit hoofdstuk vastgestelde Europese besluiten die standpunten en optredens van de Unie bepalen, in acht worden genomen en worden uitgevoerd. Zij intensiveren hun samenwerking door inlichtingen uit te wisselen en gezamenlijke evaluaties te verrichten. Zij dragen bij tot de uitvoering van het recht op bescherming van de Europese burgers op het grondgebied van derde landen als bedoeld in de artikelen I-10, lid 2, onder c, alsmede van de overeenkomstig artikel III- 127 vastgestelde maatregelen. 139 275

Artikel III-307

1. Onverminderd artikel III-344 volgt een Politiek en Veiligheidscomité de internationale situatie op de onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallende gebieden en draagt het bij tot de beleidsbepaling door op verzoek van de Raad, van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie of eigener beweging adviezen aan de Raad uit te brengen. Onverminderd de bevoegdheden van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, ziet het comité er ook op toe dat het overeengekomen beleid wordt uitgevoerd. 2. In het kader van dit hoofdstuk is het Politiek en Veiligheidscomité onder verantwoordelijkheid van de Raad en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie belast met de politieke controle en de strategische leiding van crisisbeheersingsoperaties als bedoeld in artikel III- 309. De Raad kan het comité voor het doel en voor de duur van een crisisbeheersingsoperatie, als bepaald door de Raad, machtigen passende maatregelen te nemen inzake de politieke controle en strategische aansturing van de operatie.

Artikel III-308

De uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid heeft geen gevolgen voor de toepassing van de procedures en de respectieve omvang van de bevoegdheden van de instellingen, waarin de Grondwet voorziet voor de uitoefening van de in de artikelen I-13 tot en met I-15, en I-17 bedoelde bevoegdheden van de Unie. Evenmin heeft de uitvoering van de in deze artikelen bedoelde beleidsonderdelen gevolgen voor de procedures en de respectieve omvang van de bevoegdheden van de instellingen, waarin de Grondwet voorziet voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie op grond van dit hoofdstuk.

AFDELING 2[bewerken]

HET GEMEENSCHAPPELIJK VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID

Artikel III-309

1. De in artikel I-41, lid 1, bedoelde missies, waarbij de Unie civiele en militaire middelen kan inzetten, omvatten gezamenlijke ontwapeningsacties, humanitaire en reddingsmissies, advies en bijstand op militair gebied, conflictpreventie en vredeshandhaving, missies van strijdkrachten met het oog op crisisbeheersing, daaronder begrepen vredestichting, alsmede stabiliseringsoperaties na afloop van conflicten. Al deze taken kunnen bijdragen tot de strijd tegen het terrorisme, ook door middel van steun aan derde landen om het terrorisme op hun grondgebied te bestrijden. 275 140 2. De Raad regelt bij Europees besluit de in lid 1 bedoelde missies en stelt doel en draagwijdte ervan vast, alsmede de algemene voorschriften voor de uitvoering ervan. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie draagt onder gezag van de Raad en in nauw en voortdurend contact met het Politiek en Veiligheidscomité zorg voor de coördinatie van de civiele en militaire aspecten van deze missies.

Artikel III-310

1. In het kader van de overeenkomstig artikel III-309 vastgestelde Europese besluiten zijn vastgesteld, kan de Raad de uitvoering van een missie toevertrouwen aan een groep lidstaten die dat willen en die over de nodige vermogens voor een dergelijke missie beschikken. Deze lidstaten regelen in samenspraak met de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie onderling het beheer van de missie. 2. De lidstaten die aan de missie deelnemen, brengen de Raad regelmatig op eigen initiatief of op verzoek van een andere lidstaat op de hoogte van het verloop van de missie. De deelnemende lidstaten wenden zich onverwijld tot de Raad indien de uitvoering van de missie zwaarwegende gevolgen met zich meebrengt of een wijziging vereist van de doelstelling, de reikwijdte of de uitvoeringsbepalingen van de missie, zoals vastgesteld bij de in lid 1 bedoelde Europese besluiten. In dat geval stelt de Raad de nodige Europese besluiten vast.

Artikel III-311

1. Het op grond van artikel I-41, lid 3, opgerichte Agentschap op het gebied van de ontwikkeling van defensievermogens, onderzoek, aankopen en bewapening (Europees Defensieagentschap), dat onder het gezag van de Raad ressorteert, heeft tot taak: a. de na te streven militaire vermogens van de lidstaten te helpen bepalen en de nakoming van de door de lidstaten aangegane verbintenissen inzake vermogens te evalueren; b. het harmoniseren van de operationele behoeften en het hanteren van doelmatige en onderling verenigbare aankoopmethoden te bevorderen; c. multilaterale projecten voor te stellen die erop gericht zijn de doelstellingen met betrekking tot militaire vermogens te verwezenlijken, de door de lidstaten uit te voeren programma’s te coördineren en samenwerkingsprogramma’s te beheren; d. het onderzoek inzake defensietechnologie te ondersteunen, alsmede gezamenlijk onderzoek naar en studie van technische oplossingen die voldoen aan toekomstige operationele behoeften, te coördineren en te plannen; e. bij te dragen tot het bepalen en in voorkomend geval uitvoeren van alle nuttige maatregelen om de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken en de efficiëntie van de militaire uitgaven te verbeteren. 141 275 2. Het Europees Defensieagentschap staat open voor alle lidstaten die daarvan deel wensen uit te maken. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid een Europees besluit vast houdende vastlegging van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Agentschap. In dat besluit wordt rekening gehouden met de mate van werkelijke deelneming aan de activiteiten van het Agentschap. Binnen het Agentschap worden specifieke groepen lidstaten gevormd die gezamenlijke projecten uitvoeren. Het Agentschap vervult zijn taken voorzover nodig in overleg met de Commissie.

Artikel III-312

1. De lidstaten die wensen deel te nemen aan de in artikel I-41, lid 6, bedoelde permanente gestructureerde samenwerking, die voldoen aan de criteria en die de verbintenissen inzake militaire vermogens als vermeld in het Protocol betreffende permanente gestructureerde samenwerking willen aangaan, stellen de Raad en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie in kennis van hun voornemen. 2. Binnen drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving stelt de Raad een Europees besluit tot instelling van de permanente gestructureerde samenwerking en tot opstelling van de lijst van deelnemers vast. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na raadpleging van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie. 3. Iedere lidstaat die in een later stadium aan de permanente gestructureerde samenwerking wenst deel te nemen stelt de Raad en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie van zijn voornemen in kennis. De Raad stelt een Europees besluit vast houdende bevestiging van de deelneming van de betrokken lidstaat die aan de criteria voldoet en de verbintenissen onderschrijft als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende permanente gestructureerde samenwerking. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na raadpleging van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie. Aan de stemming wordt alleen deelgenomen door de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen. Onder gekwalificeerde meerderheid wordt verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van deze staten. Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal leden van de Raad bestaan die meer dan 35% uitmaken van de bevolking van de deelnemende lidstaten, plus een lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen. 275 142 4. Indien een deelnemende lidstaat niet langer aan de criteria voldoet of zich niet langer kan houden aan de verbintenissen als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende permanente gestructureerde samenwerking, kan de Raad een Europees besluit tot schorsing van de deelneming van deze lidstaat vaststellen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Aan de stemming wordt alleen deelgenomen door de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, met uitzondering van de betrokken lidstaat. Onder gekwalificeerde meerderheid wordt verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van deze staten. Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal leden van de Raad bestaan die meer dan 35% uitmaken van de bevolking van de deelnemende lidstaten, plus een lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen. 5. Indien een lidstaat zijn deelneming aan de permanente gestructureerde samenwerking wenst te beëindigen, geeft hij daarvan kennis aan de Raad, die er akte van neemt dat de deelneming van de betrokken lidstaat afloopt. 6. Andere dan de in de leden 2 tot en met 5 bedoelde Europese besluiten en aanbevelingen van de Raad in het kader van de gestructureerde samenwerking worden met eenparigheid van stemmen vastgesteld. Voor de toepassing van dit lid wordt eenparigheid van stemmen alleen door de stemmen van de vertegenwoordigers van de deelnemende lidstaten gevormd.

AFDELING 3[bewerken]

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel III-313

1. De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de uitvoering van dit hoofdstuk komen ten laste van de begroting van de Unie. 2. De beleidsuitgaven die uit de uitvoering van dit hoofdstuk voortvloeien, komen eveneens ten laste van de begroting van de Unie, behalve wanneer zij verband houden met operaties die consequenties hebben op militair of defensiegebied of met gevallen waarin de Raad anders besluit. Uitgaven die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, komen ten laste van de lidstaten volgens de verdeelsleutel die gebaseerd is op het bruto nationaal product, tenzij de Raad anders besluit. Lidstaten waarvan de vertegenwoordiger in de Raad een formele 143 275 verklaring krachtens artikel III-300, lid 1, tweede alinea, heeft afgelegd, zijn niet verplicht bij te dragen in de financiering van uitgaven welke verband houden met operaties die consequenties hebben op militair of defensiegebied. 3. De Raad stelt bij Europees besluit bijzondere procedures vast die waarborgen dat de op de begroting van de Unie opgevoerde kredieten voor de dringende financiering van initiatieven in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name voor de voorbereiding van de in artikel I-41, lid 1, en artikel III-309 bedoelde missies, snel beschikbaar komen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement. De voorbereiding van de in artikel I-41, lid 1, en artikel III-309 bedoelde missies die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, wordt gefinancierd uit een startfonds, gevormd door bijdragen van de lidstaten. De Raad regelt bij Europees besluit, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen: a. de instelling en vorming van het startfonds, met name ten aanzien van de in het fonds gestorte middelen en de wijze van terugbetaling daarvan; b. het beheer van het startfonds; c. de financiële controle. Wanneer een overeenkomstig artikel I-41, lid 1, en artikel III-309 voorgenomen missie niet ten laste van de begroting van de Unie kan worden gebracht, machtigt de Raad de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie om dit fonds te gebruiken. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie brengt de Raad verslag uit over de uitvoering van deze opdracht.

HOOFDSTUK III[bewerken]

DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK

Artikel III-314

Door de oprichting van een douane-unie, overeenkomstig artikel III- 151, levert de Unie in het gemeenschappelijk belang een bijdrage tot een harmonische ontwikkeling van de wereldhandel, tot de geleidelijke afschaffing van de beperkingen voor het internationale handelsverkeer en voor buitenlandse directe investeringen, en tot de vermindering van de douane- en andere belemmeringen.

Artikel III-315

1. De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gegrond op eenvormige beginselen, met name aangaande tariefwijzigingen, het sluiten van tarief- en handelsakkoorden betreffende handel in goederen en diensten, 275 144 en de handelsaspecten van intellectuele eigendom, de directe buitenlandse investeringen, het eenvormig maken van liberalisatiemaatregelen, de uitvoerpolitiek alsmede de handelspolitieke beschermingsmaatregelen, waaronder de te nemen maatregelen in geval van dumping en subsidies. De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie. 2. Bij Europese wet worden de maatregelen vastgesteld die het kader voor de uitvoering van de gemeenschappelijke handelspolitiek van de Unie bepalen. 3. Bij de onderhandelingen over en sluiting van akkoorden met een of meer derde landen of internationale organisaties, is artikel III-325 van toepassing, behoudens de bijzondere bepalingen van dit artikel. De Europese Commissie doet aanbevelingen aan de Raad, die haar machtigt de vereiste onderhandelingen te openen. De Raad en de Commissie zien erop toe dat die akkoorden verenigbaar zijn met het interne beleid en de interne voorschriften van de Unie. De Commissie voert de onderhandelingen in overleg met een speciaal comité dat door de Raad is aangewezen om haar daarin bij te staan, en binnen het bestek van de richtsnoeren welke de Raad haar kan verstrekken. De Commissie brengt aan het speciaal comité en het Europees Parlement regelmatig verslag uit over de stand van de onderhandelingen. 4. Ten aanzien van de onderhandelingen over en de sluiting van de in lid 3 bedoelde akkoorden besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Ten aanzien van de onderhandelingen over en de sluiting van akkoorden betreffende de handel in diensten en betreffende de handelsaspecten van intellectuele eigendom en betreffende buitenlandse directe investeringen besluit de Raad met eenparigheid van stemmen voorzover het akkoord bepalingen bevat die met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld wat interne voorschriften betreft. De Raad besluit ook met eenparigheid van stemmen ten aanzien van de onderhandelingen over en de sluiting van akkoorden betreffende: a. de handel in culturele en audiovisuele diensten, indien deze akkoorden afbreuk dreigen te doen aan de verscheidenheid aan cultuur en taal in de Unie; b. sociale, onderwijs- en gezondheidsdiensten wanneer het gevaar bestaat dat deze akkoorden de nationale organisatie van die diensten ernstig dreigen te verstoren en afbreuk dreigen te doen aan de verantwoordelijkheid van de lidstaten om die diensten te leveren. 5. Op de onderhandelingen over en de sluiting van internationale akkoorden betreffende vervoer zijn de bepalingen van titel III, hoofdstuk III, afdeling 7, alsmede artikel III-325, van toepassing. 6. De uitoefening van de bij dit artikel verleende bevoegdheden op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek laat de afbakening van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten onverlet en 145 275 leidt niet tot enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten voorzover de Grondwet een dergelijke harmonisatie uitsluit.

HOOFDSTUK IV[bewerken]

SAMENWERKING MET DERDE LANDEN EN HUMANITAIRE HULP

AFDELING 1[bewerken]

ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Artikel III-316

1. Het beleid van de Unie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking wordt gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie. Het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie en dat van de lidstaten completeren en versterken elkaar. Hoofddoel van het beleid van de Unie op dit gebied is de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen. De Unie houdt bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking. 2. De Unie en de lidstaten houden zich aan de verbintenissen en houden rekening met de doelstellingen die zij in het kader van de Verenigde Naties en andere bevoegde internationale organisaties hebben onderschreven.

Artikel III-317

1. De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid worden vastgesteld bij Europese wet of kaderwet en kunnen betrekking hebben op meerjarenprogramma’s voor samenwerking met ontwikkelingslanden of op thematische programma’s. 2. De Unie kan met derde landen en bevoegde internationale organisaties alle overeenkomsten sluiten die dienstig zijn ter verwezenlijking van de in de artikelen III-292 en III-316 genoemde doelstellingen. De eerste alinea laat de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te onderhandelen en overeenkomsten te sluiten, onverlet. 3. De Europese Investeringsbank draagt, onder de in haar statuut neergelegde voorwaarden, bij tot de uitvoering van de in lid 1 bedoelde maatregelen.

Artikel III-318

1. Om de complementariteit en de doeltreffendheid van hun optreden te bevorderen coördineren de Unie en de lidstaten hun ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en plegen zij overleg over hun hulpprogramma’s, 275 146 ook in internationale organisaties en tijdens internationale conferenties. Zij kunnen gezamenlijk optreden. De lidstaten dragen zo nodig bij tot de uitvoering van de hulpprogramma’s van de Unie. 2. De Commissie kan alle dienstige initiatieven nemen om de in lid 1 bedoelde coördinatie te bevorderen. 3. In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Unie en de lidstaten samen met derde landen en met de bevoegde internationale organisaties.

AFDELING 2[bewerken]

ECONOMISCHE, FINANCIËLE EN TECHNISCHE SAMENWERKING MET DERDE LANDEN

Artikel III-319

1. Onverminderd de overige bepalingen van dit verdrag, met name de artikelen III-316 tot en met III-318, onderneemt de Unie activiteiten voor economische, financiële en technische samenwerking, met inbegrip van bijstand op met name financieel gebied, met derde landen die geen ontwikkelingsland zijn. Deze activiteiten zijn coherent met het ontwikkelingsbeleid van de Unie en vinden plaats in het kader van de beginselen en doelstellingen van haar externe optreden. De activiteiten van de Unie en die van de lidstaten completeren en versterken elkaar. 2. De maatregelen ter uitvoering van lid 1, worden vastgesteld bij Europese wet of kaderwet. 3. In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Unie en de lidstaten samen met derde landen en met de bevoegde internationale organisaties. De samenwerking van de Unie kan nader worden geregeld in overeenkomsten tussen de Unie en de betrokken derde partijen. De eerste alinea laat de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te onderhandelen en overeenkomsten te sluiten, onverlet.

Artikel III-320

Wanneer er wegens de situatie in een derde land dringende financiële hulp van de Unie vereist is, stelt de Raad op voorstel van de Commissie de nodige Europese besluiten vast.

AFDELING 3[bewerken]

HUMANITAIRE HULP

Artikel III-321

1. De acties van de Unie op het gebied van humanitaire hulp vinden plaats in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie. Deze acties hebben tot doel aan de bevolking van 147 275 derde landen die het slachtoffer is van natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen, specifieke bijstand en hulp te bieden en haar te beschermen om de uit die situaties voortvloeiende humanitaire noden te lenigen. De acties van de Unie en die van de lidstaten completeren en versterken elkaar. 2. Humanitaire hulpacties worden uitgevoerd overeenkomstig de beginselen van het internationaal recht, en de beginselen van onpartijdigheid, neutraliteit en non-discriminatie. 3. De maatregelen die het kader voor de uitvoering van de humanitaire-hulpacties van de Unie vormen, worden vastgesteld bij Europese wet of kaderwet. 4. De Unie kan met derde landen en de bevoegde internationale organisaties alle overeenkomsten sluiten die dienstig zijn om de in lid 1 en in artikel III-292 genoemde doelstellingen te verwezenlijken. De eerste alinea laat de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te onderhandelen en overeenkomsten te sluiten, onverlet. 5. Er wordt een Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening opgericht, als kader voor gemeenschappelijke bijdragen van Europese jongeren aan humanitaire hulpacties van de Unie. Het statuut en de regels voor de activiteiten van het korps worden bij Europese wet vastgesteld. 6. De Commissie kan ieder initiatief nemen dat dienstig is om de coördinatie tussen de acties van de Unie en die van de lidstaten te bevorderen, en zodoende de doeltreffendheid en de complementariteit van de humanitaire hulpmiddelen van de Unie en van de lidstaten te verbeteren. 7. De Unie ziet erop toe dat haar humanitaire hulpacties gecoördineerd worden en coherent zijn met die van internationale organisaties en instanties, met name die welke tot het bestel van de Verenigde Naties behoren.

HOOFDSTUK V[bewerken]

BEPERKENDE MAATREGELEN

Artikel III-322

1. Wanneer een overeenkomstig hoofdstuk II vastgesteld Europees besluit, voorziet in verbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen, stelt de Raad, op gezamenlijk voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de nodige Europese verordeningen en besluiten vast. De Raad stelt het Europees Parlement daarvan in kennis. 275 148 2. Wanneer een overeenkomstig hoofdstuk II vastgesteld Europees besluit erin voorziet, kan de Raad volgens de in lid 1 bedoelde procedure jegens natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel niet-statelijke groepen of entiteiten beperkende maatregelen vaststellen. 3. De in dit artikel bedoelde handelingen bevatten de nodige bepalingen inzake juridische waarborgen.

HOOFDSTUK VI[bewerken]

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

Artikel III-323

1. De Unie kan een overeenkomst met een of meer derde landen of internationale organisaties sluiten wanneer de Grondwet daarin voorziet of wanneer het sluiten van een overeenkomst ofwel nodig is om, in het kader van het beleid van de Unie, een van de in de Grondwet bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, of wanneer daarin bij een juridisch bindende handeling van de Unie is voorzien of wanneer zulks gevolgen kan hebben voor gemeenschappelijke regels of de strekking daarvan kan wijzigen. 2. De door de Unie gesloten overeenkomsten zijn verbindend voor de instellingen van de Unie en voor de lidstaten.

Artikel III-324

De Unie kan met een of meer derde landen of internationale organisaties een associatieovereenkomst sluiten waarbij een associatie wordt ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijke optredens en bijzondere procedures.

Artikel III-325

1. Onverminderd de bijzondere bepalingen van artikel III-315 wordt bij het onderhandelen over en het sluiten van overeenkomsten tussen de Unie en derde landen of internationale organisaties de volgende procedure gevolgd. 2. De Raad verleent machtiging tot het openen van de onderhandelingen, stelt de onderhandelingsrichtsnoeren vast, verleent machtiging tot ondertekening en sluit de overeenkomsten. 3. De Commissie of, indien de voorgenomen overeenkomst uitsluitend of hoofdzakelijk betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie doet aanbevelingen aan de Raad, die een Europees besluit vaststelt houdende machtiging tot het openen van de onderhandelingen en waar- 149 275 bij, naar gelang van de inhoud van de voorgenomen overeenkomst, de onderhandelaar of het hoofd van het onderhandelingsteam van de Unie wordt aangewezen. 4. De Raad kan de onderhandelaar richtsnoeren geven en een bijzonder comité aanwijzen; de onderhandelingen moeten in overleg met dat comité worden gevoerd. 5. De Raad stelt op voorstel van de onderhandelaar een Europees besluit vast waarbij machtiging wordt verleend tot ondertekening van de overeenkomst en, in voorkomend geval, in afwachting van de inwerkingtreding, tot de voorlopige toepassing ervan. 6. De Raad stelt op voorstel van de onderhandelaar een Europees besluit houdende sluiting van de overeenkomst vast. Tenzij de overeenkomst uitsluitend betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, stelt de Raad het Europees besluit houdende sluiting van de overeenkomst vast: a. na goedkeuring door het Europees Parlement, in de volgende gevallen: i. associatieovereenkomsten; ii. toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; iii. overeenkomsten die door de instelling van samenwerkingsprocedures een specifiek institutioneel kader scheppen; iv. overeenkomsten die aanzienlijke gevolgen hebben voor de begroting van de Unie; v. overeenkomsten betreffende gebieden waarop de gewone wetgevingsprocedure, of, indien de goedkeuring van het Europees Parlement vereist is, de bijzondere wetgevingsprocedure van toepassing is. In dringende gevallen kunnen het Europees Parlement en de Raad een termijn voor het geven van de goedkeuring overeenkomen. b. na raadpleging van het Europees Parlement in de overige gevallen. Het Europees Parlement brengt advies uit binnen een termijn die de Raad naar gelang van de urgentie kan bepalen. Indien er binnen die termijn geen advies is uitgebracht, kan de Raad besluiten. 7. Bij de sluiting van een overeenkomst kan de Raad, in afwijking van de leden 5, 6 en 9, de onderhandelaar machtigen om de wijzigingen die krachtens de overeenkomst volgens een vereenvoudigde procedure of door een bij de overeenkomst opgericht orgaan worden aangenomen, namens de Unie goed te keuren. De Raad kan aan deze machtiging bijzondere voorwaarden verbinden. 8. Tijdens de gehele procedure besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. 275 150 De Raad besluit evenwel met eenparigheid van stemmen wanneer de overeenkomst een gebied betreft waarop handelingen van de Unie met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld, alsmede ten aanzien van de associatieovereenkomsten en de in artikel III-319 bedoelde overeenkomsten met de kandidaat-lidstaten. 9. De Raad stelt op voorstel van de Commissie of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie een Europees besluit vast tot schorsing van de toepassing van een overeenkomst en tot bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam dat handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord. 10. Het Europees Parlement wordt in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle geïnformeerd. 11. Een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie kan het advies inwinnen van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van een voorgenomen overeenkomst met de Grondwet. Indien het Hof van Justitie afwijzend adviseert, kan het voorgenomen akkoord niet in werking treden, behoudens in geval van wijziging daarvan of herziening van de Grondwet.

Artikel III-326

1. In afwijking van artikel III-325 kan de Raad hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank, hetzij op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, met het oog op een consensus die verenigbaar is met de doelstelling van prijsstabiliteit, formele overeenkomsten sluiten over een stelsel van wisselkoersen van de euro ten opzichte van valuta’s van derde staten. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen na raadpleging van het Europees Parlement en volgens de procedure van lid 3. De Raad kan hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank, hetzij op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, met het oog op een consensus die verenigbaar is met de doelstelling van prijsstabiliteit, de euro-spilkoersen binnen het wisselkoersstelsel invoeren, wijzigen of afschaffen. De voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement in kennis van de invoering, wijziging of afschaffing van de euro-spilkoers. 2. Indien het wisselkoersstelsel een lacune vertoont ten opzichte van één of meer valuta’s van derde staten in de zin van lid 1, kan de Raad hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank, hetzij op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, algemene oriëntaties voor het wisselkoersbeleid ten opzichte van deze valuta’s vaststellen. Deze algemene oriëntaties gelden onverminderd het hoofddoel van het Europees Stelsel van Centrale Banken, namelijk de handhaving van de prijsstabiliteit. 151 275 3. In afwijking van artikel III-325 treft de Raad, wanneer de Unie met één of meer derde staten of internationale organisaties moet onderhandelen over overeenkomsten inzake aangelegenheden betreffende het monetaire of wisselkoersstelsel, op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, regelingen voor de onderhandelingen over en de sluiting van die overeenkomsten. Deze regelingen staan er borg voor dat de Unie één standpunt inneemt. De Commissie wordt ten volle bij de onderhandelingen betrokken. 4. Onverminderd de bevoegdheden en de overeenkomsten van de Unie op het gebied van de economische en monetaire unie, kunnen de lidstaten onderhandelingen voeren in internationale organen en overeenkomsten sluiten.

HOOFDSTUK VII[bewerken]

BETREKKINGEN VAN DE UNIE MET INTERNATIONALE ORGANISATIES EN DERDE LANDEN EN DELEGATIES VAN DE UNIE

Artikel III-327

1. De Unie brengt iedere dienstige samenwerking tot stand met de organen en de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. De Unie onderhoudt voorts met andere internationale organisaties de betrekkingen die wenselijk worden geacht. 2. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de Commissie zijn belast met de uitvoering van het bepaalde in dit artikel.

Artikel III-328

1. De Unie wordt in derde landen en bij internationale organisaties vertegenwoordigd door de delegaties van Unie. 2. De delegaties van de Unie staan onder het gezag van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie. Zij handelen in nauwe samenspraak met de diplomatieke en consulaire missies van de lidstaten.

HOOFDSTUK VIII[bewerken]

TOEPASSING VAN DE SOLIDARITEITSCLAUSULE

Artikel III-329

1. Een lidstaat die getroffen wordt door een terroristische aanval, een natuurramp of een door de mens veroorzaakte ramp, wordt op verzoek van zijn politieke autoriteiten door de andere lidstaten bijstand verleend. De lidstaten coördineren daartoe hun optreden in het kader van de Raad. 275 152 2. De toepassing door de Unie van de in artikel I-43 bedoelde solidariteitsclausule wordt geregeld bij Europees besluit, dat door de Raad op gezamenlijk voorstel van de Commissie en van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie wordt vastgesteld. Indien dit besluit gevolgen heeft op defensiegebied, besluit de Raad overeenkomstig artikel III-300, lid 1. Het Europees Parlement wordt geïnformeerd. In het kader van dit lid en onverminderd artikel III-344 wordt de Raad bijgestaan door het Politiek en Veiligheidscomité met ondersteuning van de structuren die in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid zijn ontwikkeld, en door het comité van artikel III-261, welke comités hem in voorkomend geval gezamenlijke adviezen verstrekken. 3. Teneinde de Unie en haar lidstaten in staat te stellen doeltreffend op te treden, evalueert de Europese Raad regelmatig de dreigingen waarmee de Unie wordt geconfronteerd.

TITEL VI[bewerken]

WERKING VAN DE UNIE

HOOFDSTUK I[bewerken]

INSTITUTIONELE BEPALINGEN

AFDELING I[bewerken]

INSTELLINGEN Onderafdeling 1 Europees Parlement

Artikel III-330

1. Bij Europese wet of kaderwet van de Raad worden de maatregelen vastgesteld die nodig zijn om de leden van het Europees Parlement te laten verkiezen door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen op initiatief van het Europees Parlement, na goedkeuring door het Europees Parlement, dat zich bij meerderheid van stemmen van zijn leden uitspreekt. Deze wet of kaderwet treedt in werking nadat zij door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen is goedgekeurd. 2. Bij Europese wet van het Europees Parlement worden het statuut en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van de taken van zijn leden vastgesteld. Het Europees Parlement besluit op eigen initiatief, na 153 275 raadpleging van de Commissie en na goedkeuring door de Raad. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen over regels en voorwaarden betreffende de belastingregeling voor leden of voormalige leden.

Artikel III-331

Bij Europese wet worden het statuut, en in het bijzonder de regels inzake de financiering, van de in artikel I-46, lid 4, bedoelde Europese politieke partijen vastgesteld.

Artikel III-332

Het Europees Parlement kan bij meerderheid van zijn leden de Commissie verzoeken passende voorstellen in te dienen inzake aangelegenheden die naar het oordeel van het Europees Parlement een handeling van de Unie voor de uitvoering van de Grondwet vergen. Indien de Commissie geen voorstel indient, deelt zij de redenen daarvoor aan het Europees Parlement mee.

Artikel III-333

Het Europees Parlement kan in het kader van de vervulling van zijn taken op verzoek van eenvierde van zijn leden een tijdelijke enquêtecommissie instellen die, onverminderd de in de Grondwet aan andere instellingen of organen toegedeelde bevoegdheden, beweringen inzake inbreuken op het recht van de Unie of wanbeheer bij de toepassing van het recht van de Unie onderzoekt, behalve wanneer de beweerde feiten het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke procedure die nog niet is voltooid. De tijdelijke enquêtecommissie houdt op te bestaan wanneer zij haar verslag indient. Bij Europese wet van het Europees Parlement wordt de uitoefening van het enquêterecht nader geregeld. Het Europees Parlement besluit op eigen initiatief, na goedkeuring door de Raad en door de Commissie.

Artikel III-334

Iedere burger van de Unie, alsmede iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft, overeenkomstig artikel I-10, lid 2, onder d, het recht om individueel of samen met andere personen een verzoekschrift bij het Europees Parlement in te dienen betreffende een onderwerp dat tot het werkterrein van de Unie behoort en dat hem rechtstreeks aangaat.

Artikel III-335

1. Het Europees Parlement kiest de Europese ombudsman. Overeenkomstig artikel I-10, lid 2,onder d, en artikel I-49 is deze bevoegd kennis te nemen van klachten van burgers van de Unie of van natuurlijke 275 154 of rechtspersonen met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat, over gevallen van wanbeheer in het optreden van de instellingen, organen of instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak. Overeenkomstig zijn opdracht stelt de ombudsman, op eigen initiatief dan wel op basis van klachten die hem rechtstreeks of via een lid van het Europees Parlement zijn voorgelegd, de door hem gerechtvaardigd geachte onderzoeken in, behalve wanneer de beweerde feiten het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken of hebben uitgemaakt. Indien de ombudsman een geval van wanbeheer vaststelt, legt hij de zaak voor aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie, die hem binnen een termijn van drie maanden haar, respectievelijk zijn standpunt meedeelt. De ombudsman doet vervolgens een verslag aan het Europees Parlement en aan de instelling, het orgaan of de instantie toekomen. De klager wordt op de hoogte gebracht van het resultaat van de onderzoeken. De ombudsman brengt jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement over het resultaat van zijn onderzoeken. 2. De ombudsman wordt na iedere verkiezing van het Europees Parlement voor de zittingsduur ervan gekozen. Hij is herkiesbaar. De ombudsman kan op verzoek van het Europees Parlement door het Hof van Justitie uit zijn ambt worden ontzet, indien hij niet meer aan de eisen voor de uitoefening van het ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten. 3. De ombudsman oefent zijn ambt volkomen onafhankelijk uit. Bij de vervulling van zijn taken vraagt noch aanvaardt hij instructies van enige instelling, orgaan of instantie. Gedurende zijn ambtsperiode mag de ombudsman geen andere al dan niet bezoldigde beroepswerkzaamheden verrichten. 4. Bij Europese wet stelt het Europees Parlement het statuut van de ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van ombudsman vast. Het Europees Parlement besluit op eigen initiatief, na advies van de Commissie en na goedkeuring door de Raad.

Artikel III-336

Het Europees Parlement houdt jaarlijks een zitting. Het komt van rechtswege op de tweede dinsdag van maart bijeen. Het Europees Parlement kan op verzoek van de meerderheid van zijn leden, dan wel op verzoek van de Raad of van de Commissie in buitengewone vergaderperiode bijeenkomen.

Artikel III-337

1. De Europese Raad en de Raad worden door het Europees Parlement gehoord onder de voorwaarden waarin het reglement van orde van de Europese Raad en het reglement van orde van de Raad voorzien. 155 275 2. De Commissie kan alle vergaderingen van het Europees Parlement bijwonen en wordt op haar verzoek gehoord. De Commissie antwoordt mondeling of schriftelijk op de vragen die haar door het Europees Parlement of zijn leden worden gesteld. 3. Het Europees Parlement beraadslaagt in openbare zitting over het door de Commissie voorgelegde algemene jaarverslag.

Artikel III-338

Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, besluit het Europees Parlement bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Het quorum wordt bepaald in het reglement van orde.

Artikel III-339

Het Europees Parlement stelt zijn reglement van orde vast bij meerderheid van zijn leden. De handelingen van het Europees Parlement worden bekendgemaakt onder de voorwaarden waarin de Grondwet en het reglement van orde van het Europees Parlement voorzien.

Artikel III-340

Wanneer aan het Europees Parlement een motie van afkeuring betreffende het beleid van de Commissie wordt voorgelegd, kan het Parlement zich niet eerder dan drie dagen na de indiening ervan en slechts bij openbare stemming over deze motie uitspreken. Indien de motie van afkeuring wordt aangenomen met een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen, welke een meerderheid van de leden van het Europees Parlement vertegenwoordigt, moeten de leden van de Commissie collectief ontslag nemen en moet ook de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie zijn functie in de Commissie neerleggen. Zij blijven in functie en blijven de lopende zaken behartigen totdat overeenkomstig de artikelen I-26 en I-27 in hun vervanging is voorzien. In dat geval verstrijkt de ambtsperiode van de ter vervanging benoemde Commissieleden op de datum waarop de ambtstermijn van de collectief tot ontslag gedwongen Commissieleden zou zijn verstreken. Onderafdeling 2 Europese Raad

Artikel III-341

1. Ieder lid van de Europese Raad kan slechts door één ander lid worden gemachtigd om namens hem te stemmen. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde 275 156 leden vormt geen beletsel voor het vaststellen van beslissingen van de Europese Raad waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist. 2. De voorzitter van het Europees Parlement kan worden uitgenodigd om door de Europese Raad te worden gehoord. 3. De Europese Raad besluit met gewone meerderheid van stemmen over procedurekwesties en over de vaststelling van zijn reglement van orde. 4. De Europese Raad wordt bijgestaan door het secretariaat-generaal van de Raad. Onderafdeling 3 Raad van ministers

Artikel III-342

De Raad wordt door zijn voorzitter, op diens initiatief of op initiatief van een van zijn leden of van de Commissie, in vergadering bijeengeroepen.

Artikel III-343

1. Ieder lid van de Raad kan slechts door één ander lid worden gemachtigd om namens hem te stemmen. 2. Voor de beslissingen van de Raad waarvoor een gewone meerderheid vereist is, besluit de Raad bij meerderheid van zijn leden. 3. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor de vaststelling van beslissingen van de Raad waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist.

Artikel III-344

1. Een comité, bestaande uit de permanente vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad en voor de uitvoering van de door de Raad verstrekte opdrachten. Het comité kan in de in het reglement van orde van de Raad genoemde gevallen procedurebesluiten vaststellen. 2. De Raad wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder leiding van een secretaris-generaal, die door de Raad wordt benoemd. De Raad beslist met gewone meerderheid van stemmen over de organisatie van het secretariaat-generaal. 3. De Raad besluit bij gewone meerderheid van stemmen over procedurekwesties en over de vaststelling van zijn reglement van orde. 157 275

Artikel III-345

De Raad kan met gewone meerderheid van stemmen de Commissie verzoeken, alle studies die hij wenselijk acht ter verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen te verrichten en hem alle terzake dienende voorstellen voor te leggen. Indien de Commissie geen voorstellen doet, stelt zij de Raad in kennis van de redenen daarvoor.

Artikel III-346

De Raad stelt bij Europees besluit het statuut van de door de Grondwet ingestelde comités vast. Hij besluit met gewone meerderheid van stemmen, na raadpleging van de Commissie. Onderafdeling 4 Europese Commissie

Artikel III-347

De leden van de Commissie onthouden zich van iedere handeling die onverenigbaar is met hun ambt. De lidstaten eerbiedigen hun onafhankelijkheid en trachten niet hen te beïnvloeden bij de uitvoering van hun taak. De leden van de Commissie mogen gedurende hun ambtstermijn geen andere, al dan niet bezoldigde, beroepswerkzaamheden verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig ertoe, gedurende hun ambtstermijn en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, en in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten bij het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van hun ambtstermijn. Indien deze verplichtingen niet worden nagekomen, kan de Raad, met gewone meerderheid van stemmen, of de Commissie zich wenden tot het Hof van Justitie, dat, naargelang van het geval, ontslag ambtshalve overeenkomstig de in artikel III-349 bepaalde voorwaarden of verval van het recht op pensioen of van andere als zodanig geldende voordelen kan uitspreken.

Artikel III-348

1. Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden eindigt de ambtsvervulling van een lid van de Commissie door vrijwillig ontslag of ontslag ambtshalve. 2. In geval van vrijwillig ontslag, ontslag ambtshalve of overlijden, wordt het Commissielid voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen door een nieuw lid van dezelfde nationaliteit, dat overeenkomstig de criteria van artikel I-26, lid 4, in onderlinge overeenstemming met de voorzitter van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement door de Raad wordt benoemd. 275 158 De Raad kan, met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de voorzitter van de Commissie besluiten dat in een dergelijke vacature niet behoeft te worden voorzien, met name indien de resterende duur van de ambtstermijn van het lid kort is. 3. In geval van vrijwillig ontslag, ontslag ambtshalve of overlijden, wordt de voorzitter voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen overeenkomstig artikel I-27, lid 1. 4. In geval van vrijwillig ontslag, ontslag ambtshalve of overlijden, wordt de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen overeenkomstig artikel I-28, lid 1. 5. In geval van vrijwillig ontslag van alle leden van de Commissie blijven zij in functie en blijven zij de lopende zaken behartigen totdat in hun vervanging is voorzien, voor de verdere duur van hun ambtstermijn, overeenkomstig de artikelen I-26 en I-27.

Artikel III-349

Op verzoek van de Raad, die besluit bij gewone meerderheid van stemmen, of van de Commissie, kan een lid van de Commissie dat niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, door het Hof van Justitie uit zijn ambt worden ontzet.

Artikel III-350

Onverminderd artikel I-28, lid 4, worden de taken van de Commissie overeenkomstig artikel I-27, lid 3, door de voorzitter gestructureerd en over de leden van de Commissie verdeeld. De voorzitter kan de taakverdeling tijdens de ambtstermijn wijzigen. De leden van de Commissie oefenen de hun door de voorzitter toegewezen taak onder diens gezag uit.

Artikel III-351

De Commissie neemt haar besluiten met meerderheid van stemmen van haar leden. Het quorum wordt bepaald in het reglement van orde.

Artikel III-352

1. De Commissie stelt haar reglement van orde vast, teneinde haar eigen werkzaamheden en die van haar diensten te regelen. Zij draagt er zorg voor dat het reglement wordt bekendgemaakt. 2. De Commissie publiceert jaarlijks, ten minste een maand voordat de zitting van het Europees Parlement wordt geopend, een algemeen verslag over de activiteiten van de Unie. 159 275 Onderafdeling 5 Hof van Justitie van de Europese Unie

Artikel III-353

Het Hof van Justitie houdt zitting in kamers, als grote kamer of in voltallige zitting, overeenkomstig het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel III-354

Het Hof van Justitie wordt bijgestaan door acht advocaten-generaal. Indien het Hof van Justitie zulks verzoekt, kan de Raad met eenparigheid van stemmen een Europees besluit houdende verhoging van het aantal advocaten-generaal vaststellen. De advocaat-generaal heeft tot taak, in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies voor te leggen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is.

Artikel III-355

De rechters en de advocaten-generaal van het Hof van Justitie, die worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en die aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheiden landen de hoogste rechterlijke ambten te bekleden, of die bekend staan als kundige rechtsgeleerden, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten benoemd, na raadpleging van het comité van artikel III-357. Om de drie jaar vindt, op de wijze die in het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is bepaald, een gedeeltelijke vervanging van de rechters en de advocaten-generaal plaats. De rechters wijzen uit hun midden voor drie jaar de president van het Hof van Justitie aan. Hij is herbenoembaar. Het Hof van Justitie stelt zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement wordt ter goedkeuring aan de Raad voorgelegd.

Artikel III-356

Het aantal rechters van het Gerecht wordt vastgesteld bij het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het statuut kan bepalen dat het Gerecht wordt bijgestaan door advocaten-generaal. De leden van het Gerecht worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn hoge rechterlijke ambten te bekleden. Zij worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten benoemd, na raadpleging van het Comité van artikel III-357. 275 160 Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging van het Gerecht plaats. De rechters wijzen uit hun midden voor drie jaar de president van het Gerecht aan. Hij is herbenoembaar. Het Gerecht stelt in overeenstemming met het Hof van Justitie zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement wordt ter goedkeuring aan de Raad voorgelegd. Tenzij in het statuut anders is bepaald, zijn de bepalingen van de Grondwet betreffende het Hof van Justitie op het Gerecht van toepassing.

Artikel III-357

Er wordt een comité opgericht dat de lidstaten van advies dient over de geschiktheid van de kandidaten voor de uitoefening van de ambten van rechter en advocaat-generaal van het Hof van Justitie en van het Gerecht, voordat de regeringen van de lidstaten overgaan tot de benoemingen overeenkomstig de artikelen III-355 en III-356. Het comité bestaat uit zeven voormalige leden van het Hof van Justitie en van het Gerecht, personen die de hoogste nationale rechterlijke ambten bekleden en personen die bekend staan als kundige rechtsgeleerden, waarvan er één wordt voorgedragen door het Europees Parlement. De Raad stelt een Europees besluit vast houdende bepaling van de werkwijze van dit comité, alsmede een Europees besluit tot benoeming van de leden. De Raad besluit op initiatief van de president van het Hof van Justitie.

Artikel III-358

1. Het Gerecht is bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de in de artikelen III-365, III-367, III-370, III-372 en III-374 bedoelde beroepen, met uitzondering van de beroepen waarvan de kennisneming is toegedeeld aan een op grond van artikel III-359 ingestelde gespecialiseerde rechtbank, en die waarvan de kennisneming overeenkomstig het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan het Hof van Justitie is voorbehouden. Het statuut kan bepalen dat het Gerecht bevoegd is kennis te nemen van andere categorieën van beroepen. Tegen de beslissingen die het Gerecht op grond van dit lid geeft, kan bij het Hof van Justitie een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld, op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald. 2. Het Gerecht is bevoegd kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de gespecialiseerde rechtbanken. 161 275 De beslissingen die het Gerecht op grond van dit lid geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden bepaald, bij uitzondering door het Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast. 3. Het Gerecht is bevoegd kennis te nemen van prejudiciële vragen die worden voorgelegd krachtens artikel III-369, met betrekking tot specifieke, in het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalde aangelegenheden. Wanneer het Gerecht van oordeel is dat in een zaak een principiële beslissing moet worden genomen die van invloed kan zijn op de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie, kan het de zaak naar het Hof van Justitie verwijzen voor een uitspraak. De beslissingen die het Gerecht over prejudiciële vragen geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald, bij uitzondering door het Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.

Artikel III-359

1. Bij Europese wet kunnen gespecialiseerde rechtbanken worden ingesteld die worden toegevoegd aan het Gerecht, en die in eerste aanleg kennis nemen van bepaalde categorieën van beroepen in specifieke aangelegenheden. De wet wordt vastgesteld hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Hof van Justitie, hetzij op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van de Commissie. 2. In de Europese wet tot instelling van een gespecialiseerde rechtbank worden de regels voor de samenstelling van de rechtbanken vastgesteld en wordt de reikwijdte van de aan deze rechtbanken toegedeelde bevoegdheden bepaald. 3. Tegen de beslissingen van de gespecialiseerde rechtbanken kan bij het Gerecht een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld of, wanneer de Europese wet tot instelling van de gespecialiseerde rechtbank daarin voorziet, een beroep dat ook op feitelijke vragen betrekking heeft. 4. De leden van de gespecialiseerde rechtbanken worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn rechterlijke ambten te bekleden. Zij worden door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd. 5. De gespecialiseerde rechtbanken stellen in overeenstemming met het Hof van Justitie hun reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement wordt ter goedkeuring aan de Raad voorgelegd. 6. Tenzij in de Europese wet tot instelling van de gespecialiseerde rechtbank anders is bepaald, zijn de bepalingen van de Grondwet betref- 275 162 fende het Hof van Justitie van de Europese Unie en de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de gespecialiseerde rechtbanken van toepassing. Titel I van het statuut en artikel 64 daarvan zijn in ieder geval van toepassing op de gespecialiseerde rechtbanken.

Artikel III-360

Indien de Commissie van oordeel is dat een lidstaat een krachtens de Grondwet op hem rustende verplichting niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande een met redenen omkleed advies uit, na de lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken. Indien de betrokken staat het advies niet binnen de door de Commissie gestelde termijn opvolgt, kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel III-361

Een lidstaat die van mening is dat een andere lidstaat een krachtens de Grondwet op hem rustende verplichting niet is nagekomen, kan zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden. Voordat een lidstaat tegen een andere lidstaat een klacht indient wegens een beweerde schending van diens verplichtingen krachtens de Grondwet, legt hij deze klacht voor aan de Commissie. De Commissie brengt een met redenen omkleed advies uit, nadat de betrokken staten de gelegenheid is gegeven over en weer schriftelijk en mondeling opmerkingen te maken. Indien de Commissie binnen drie maanden na indiening van de klacht geen advies heeft uitgebracht, kan de klacht desalniettemin bij het Hof worden ingediend.

Artikel III-362

1. Indien het Hof van Justitie van de Europese Unie vaststelt dat een lidstaat een krachtens de Grondwet op hem rustende verplichting niet is nagekomen, is deze staat gehouden het nodige te doen om gevolg te geven aan het arrest van het Hof. 2. Indien de Commissie van oordeel is dat de betrokken lidstaat niet het nodige heeft gedaan om gevolg te geven aan het in lid 1 bedoelde arrest, kan zij, nadat zij deze staat de mogelijkheid heeft geboden zijn opmerkingen in te dienen, de zaak voor het Hof van Justitie van de Europese Unie brengen. De Commissie vermeldt het bedrag van de door de betrokken lidstaat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht. Indien het Hof vaststelt dat de betrokken lidstaat zich niet gevoegd heeft naar zijn arrest, kan het aan deze staat de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom opleggen. 163 275 Deze procedure geldt onverminderd het bepaalde in artikel III-361. 3. Wanneer de Commissie bij het Hof van Justitie van de Europese Unie beroep instelt op grond van artikel III-360 omdat zij van oordeel is dat de betrokken lidstaat zijn verplichting tot mededeling van voorschriften ter omzetting van een Europese kaderwet niet is nagekomen, kan de Commissie, indien zij dit passend acht, aangeven wat haars inziens gezien de omstandigheden een redelijke hoogte is voor de door deze lidstaat te betalen forfaitaire som of dwangsom. Indien het Hof de niet-nakoming vaststelt, kan het de betrokken lidstaat de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom opleggen die niet hoger is dan de Commissie heeft aangegeven. De verplichting tot betaling gaat in op de door het Hof in zijn arrest bepaalde datum.

Artikel III-363

De Europese wetten en de Europese verordeningen van de Raad kunnen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie volledige rechtsmacht verlenen ten aanzien van de sancties waarin zij voorzien.

Artikel III-364

Onverminderd de overige bepalingen van de Grondwet kan aan het Hof van Justitie van de Europese Unie bij Europese wet, in een in die wet te bepalen mate, de bevoegdheid worden verleend uitspraak te doen in geschillen die verband houden met de toepassing van krachtens de Grondwet vastgestelde handelingen waarbij Europese intellectueleeigendomsrechten worden ingesteld.

Artikel III-365

1. Het Hof van Justitie van de Europese Unie gaat de wettigheid na van de Europese wetten en kaderwetten, van de handelingen van de Raad, de Commissie en de Europese Centrale Bank, voorzover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, alsmede van de handelingen van het Europees Parlement en van de Europese Raad die beogen rechtsgevolgen tegenover derden te hebben. Het gaat ook de wettigheid na van de handelingen van de organen of instanties van de Unie waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van derden worden beoogd. 2. Voor de toepassing van lid 1 is het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd uitspraak te doen inzake ieder door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Grondwet of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid. 3. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is onder de in de leden 1 en 2 bepaalde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen over ieder door 275 164 de Rekenkamer, de Europese Centrale Bank of het Comité van de Regio’s ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht. 4. Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de leden 1 en 2 bepaalde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen. 5. De handelingen tot oprichting van organen en instanties van de Unie kunnen voorzien in bijzondere voorwaarden en bepalingen inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen handelingen van deze organen of instanties waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van hen worden beoogd. 6. Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden, naargelang van het geval te rekenen vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.

Artikel III-366

Indien het beroep gegrond is, wordt de betwiste handeling door het Hof van Justitie van de Europese Unie nietig verklaard. Het Hof van Justitie bepaalt evenwel, zo het dit nodig oordeelt, welke gevolgen van de vernietigde handeling als definitief moeten worden beschouwd.

Artikel III-367

Indien het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Commissie of de Europese Centrale Bank, in strijd met de Grondwet, nalaat te besluiten, kunnen de lidstaten en de overige instellingen van de Unie zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden om deze schending te doen vaststellen. Dit artikel is onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de organen en de instanties van de Unie die nalaten een besluit te nemen. Dit beroep is slechts ontvankelijk indien de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie vooraf is verzocht te handelen. Indien de instelling, het orgaan of de instantie niet binnen twee maanden, te rekenen vanaf het verzoek, een standpunt heeft bepaald, kan binnen een nieuwe termijn van twee maanden beroep worden ingesteld. Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan zich onder de in de eerste en de tweede alinea bepaalde voorwaarden tot het Hof wenden om bezwaar te maken tegen het feit dat een instelling, orgaan of instantie van de Unie heeft nagelaten tot hem een andere handeling te richten dan een aanbeveling of een advies. 165 275

Artikel III-368

De instelling, het orgaan of de instantie waarvan de handeling nietig is verklaard of waarvan de nalatigheid strijdig met de Grondwet is verklaard, is gehouden het nodige te doen om gevolg te geven aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze verplichting geldt onverminderd die welke uit de toepassing van artikel III-431, tweede alinea, kan voortvloeien.

Artikel III-369

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over: a. de uitlegging van de Grondwet; b. de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof te wenden. Indien een dergelijke vraag wordt opgeworpen in een bij een nationale rechterlijke instantie aanhangige zaak betreffende een gedetineerde persoon, doet het Hof zo spoedig mogelijk uitspraak.

Artikel III-370

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van de in artikel III-431, tweede en derde alinea, bedoelde schade.

Artikel III-371

Het Hof van Justitie kan uitsluitend op verzoek van de lidstaat ten aanzien waarvan de Europese Raad of de Raad een constatering heeft gedaan en uitsluitend wat de naleving van de procedurele bepalingen van artikel I-59 betreft uitspraak doen over de wettigheid van een handeling die door de Europese Raad of door de Raad krachtens artikel I-59 is vastgesteld. Dit verzoek moet binnen een maand na de constatering worden gedaan. Het Hof doet een uitspraak binnen een maand na de datum van het verzoek. 275 166

Artikel III-372

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de Unie en haar personeelsleden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut van de ambtenaren van de Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie.

Artikel III-373

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, binnen de hierna aangegeven grenzen, kennis te nemen van geschillen betreffende: a. de uitvoering van de verplichtingen der lidstaten voortvloeiende uit het statuut van de Europese Investeringsbank. De Raad van bewind van de Bank beschikt dienaangaande over de bevoegdheden die bij artikel III-360 aan de Commissie zijn toegekend; b. de beslissingen van de Raad van gouverneurs van de Europese Investeringsbank. Iedere lidstaat, de Commissie en de Raad van bewind van de Bank kunnen onder de in artikel III-365 gestelde voorwaarden beroep instellen tegen deze besluiten; c. de beslissingen van de Raad van bewind van de Europese Investeringsbank. Beroep tegen deze beslissingen kan onder de in artikel III-365 gestelde voorwaarden slechts worden ingesteld door de lidstaten of de Commissie, en alleen in geval van schending van de vormvoorschriften bedoeld in artikel 19, leden 2, 5, 6 en 7, van het statuut van de Bank; d. de uitvoering van de verplichtingen van de nationale centrale banken voortvloeiende uit deze Grondwet en uit het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank. De Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank beschikt dienaangaande ten aanzien van de nationale centrale banken over de bevoegdheden welke bij artikel III-360 aan de Commissie zijn toegekend ten aanzien van de lidstaten. Indien het Hof van Justitie van de Europese Unie vaststelt dat een nationale centrale bank een van de krachtens deze Grondwet op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, is deze bank gehouden die voorzieningen te treffen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof.

Artikel III-374

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Unie gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.

Artikel III-375

1. Behoudens de bevoegdheden die bij deze Grondwet aan het Hof van Justitie van de Europese Unie worden verleend, vallen de geschillen waarin de Unie partij is, niet uit dien hoofde buiten de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties. 167 275 2. De lidstaten verbinden zich ertoe een geschil betreffende de uitlegging of de toepassing van de Grondwet niet op andere wijze te doen beslechten dan in deze Grondwet is voorgeschreven. 3. Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen lidstaten dat met de materie van deze Grondwet verband houdt, indien dit geschil hem krachtens een compromis wordt voorgelegd.

Artikel III-376

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd ten aanzien van de artikelen I-40 en I-41 en van de bepalingen van titel V, hoofdstuk II, betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en artikel III-293 voorzover het betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Het Hof is evenwel bevoegd om toezicht te houden op de naleving van artikel III-308 en uitspraak te doen inzake beroepen die onder de in artikel III-365, lid 4, bepaalde voorwaarden worden ingesteld betreffende het toezicht op de wettigheid van Europese besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen, die door de Raad op grond van titel V, hoofdstuk II, zijn vastgesteld.

Artikel III-377

Bij de uitoefening van zijn taken in verband met de bepalingen in de afdelingen 4 en 5 van titel III, hoofdstuk IV betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht is het Hof van Justitie van de Europese Unie niet bevoegd de geldigheid of de evenredigheid na te gaan van operaties van de politie of van andere instanties van een lidstaat belast met wetshandhaving of de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid.

Artikel III-378

Iedere partij kan, ook na het verstrijken van de in artikel III-365, lid 6, bedoelde termijn, naar aanleiding van een geschil waarbij een door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie vastgestelde handeling van algemene strekking in het geding is, de in artikel III-365, lid 2, bedoelde middelen aanvoeren om voor het Hof van Justitie van de Europese Unie de niet-toepasselijkheid van deze handeling in te roepen.

Artikel III-379

1. Een bij het Hof van Justitie van de Europese Unie ingesteld beroep heeft geen schorsende werking. Het Hof kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de betwiste handeling gelasten. 275 168 2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie kan in bij hem aanhangig gemaakte zaken de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.

Artikel III-380

De arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn uitvoerbaar overeenkomstig het bepaalde in van artikel III-401.

Artikel III-381

Het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt vastgesteld bij een protocol. De bepalingen van het statuut kunnen bij Europese wet worden gewijzigd, met uitzondering van titel I en artikel 64 daarvan. De wet wordt vastgesteld hetzij op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van de Commissie, hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Hof van Justitie. Onderafdeling 6 Europese Centrale Bank

Artikel III-382

1. De Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank bestaat uit de leden van de directie van de Europese Centrale Bank en de presidenten van de nationale centrale banken van de lidstaten die niet onder een derogatie in de zin van artikel III-197 vallen. 2. De directie bestaat uit de president, de vice-president en vier andere leden. De president, de vice-president en de overige leden van de directie worden gekozen uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied. Zij worden met gekwalificeerde meerderheid van stemmen door de Europese Raad benoemd op aanbeveling van de Raad en na raadpleging van het Europees Parlement en de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank. Zij worden voor een periode van acht jaar benoemd en zijn niet herbenoembaar. Alleen de onderdanen van een van de lidstaten kunnen lid van de directie zijn.

Artikel III-383

1. De voorzitter van de Raad en een lid van de Commissie kunnen zonder stemrecht aan de vergaderingen van de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank deelnemen. De voorzitter van de Raad kan aan de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank een motie ter bespreking voorleggen. 169 275 2. De president van de Europese Centrale Bank wordt uitgenodigd om aan de vergaderingen van de Raad deel te nemen wanneer deze aangelegenheden bespreekt met betrekking tot de doelstellingen en de taken van het Europees Stelsel van Centrale Banken. 3. De Europese Centrale Bank stelt voor het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad en de Commissie een jaarverslag op over de werkzaamheden van het Europees Stelsel van Centrale Banken en over het monetair beleid in het afgelopen jaar en het lopende jaar. De president van de Europese Centrale Bank legt dit verslag voor aan het Europees Parlement, dat op die basis een algemeen debat kan houden, en aan de Raad. De president van de Europese Centrale Bank en de overige leden van de directie kunnen op verzoek van het Europees Parlement of op eigen initiatief worden gehoord door de bevoegde organen van het Parlement. Onderafdeling 7 Rekenkamer

Artikel III-384

1. De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie. Zij onderzoekt tevens de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van alle door de Unie ingestelde organen en instanties, voorzover de handeling tot instelling van het betrokken orgaan of de betrokken instantie dit onderzoek niet uitsluit. De Rekenkamer legt het Europees Parlement en de Raad een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, die in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt. Aan die verklaring kunnen specifieke beoordelingen worden toegevoegd voor ieder belangrijk werkterrein van de Unie. 2. De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en gaat tevens na of een goed financieel beheer wordt gevoerd. Hierbij brengt zij in het bijzonder verslag uit over onregelmatigheden. De controle van de ontvangsten geschiedt aan de hand van de als verschuldigd vastgestelde bedragen en van de stortingen van ontvangsten aan de Unie. De controle van de uitgaven geschiedt aan de hand van de betalingsverplichtingen en van de betalingen. Deze controles kunnen plaatsvinden vóór de afsluiting van de rekeningen van het betrokken begrotingsjaar. 3. De controle geschiedt aan de hand van stukken, en, zo nodig, ter plaatse bij de overige instellingen, alsook in de gebouwen van alle organen en instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Unie beheren, 275 170 en in de lidstaten, met inbegrip van de gebouwen van alle natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen. De controle in de lidstaten geschiedt in samenwerking met de nationale controleinstanties of, indien deze laatste niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samenwerking met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instanties van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid. Deze instanties en diensten delen aan de Rekenkamer mee of zij voornemens zijn aan de controle deel te nemen. De overige instellingen, de organen of instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Unie beheren, de natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen en de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, de bevoegde nationale diensten, zenden de Rekenkamer op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toe die nodig zijn voor de vervulling van haar taak. Ten aanzien van het beheer van de ontvangsten en uitgaven van de Unie door de Europese Investeringsbank wordt het recht van inzage van de Rekenkamer in informatie waarover de Bank beschikt, door een akkoord tussen de Rekenkamer, de Bank en de Commissie bepaald. Bij ontstentenis van een regeling heeft de Rekenkamer desalniettemin inzage in de informatie die nodig is voor de controle op de door de Bank beheerde ontvangsten en uitgaven van de Unie. 4. De Rekenkamer stelt na afsluiting van elk begrotingsjaar een jaarverslag op. Dit verslag wordt toegezonden aan de overige instellingen en tezamen met de antwoorden van deze instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd. De Rekenkamer kan voorts te allen tijde met betrekking tot bijzondere vraagstukken opmerkingen maken, met name in de vorm van speciale verslagen, en kan op verzoek van een van de overige instellingen adviezen uitbrengen. De Rekenkamer neemt haar jaarverslagen, speciale verslagen of adviezen aan met meerderheid van stemmen van haar leden. Zij kan echter uit haar midden kamers vormen voor het aannemen van bepaalde soorten van verslagen of adviezen overeenkomstig haar reglement van orde. De Rekenkamer staat het Europees Parlement en de Raad bij bij de controle op de uitvoering van de begroting. De Rekenkamer stelt haar reglement van orde vast, dat ter goedkeuring aan de Raad wordt voorgelegd. 171 275

Artikel III-385

1. De leden van de Rekenkamer worden gekozen uit personen die in hun eigen staat behoren of behoord hebben tot de externe controleinstanties of die voor deze functie bijzonder geschikt zijn. Zij moeten alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden. 2. De leden van de Rekenkamer worden voor zes jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. De Raad stelt een Europees besluit houdende de overeenkomstig de voordrachten van de onderscheiden lidstaten opgestelde lijst van leden vast. Hij besluit na raadpleging van het Europees Parlement. De leden van de Rekenkamer wijzen uit hun midden voor drie jaar een voorzitter aan. Hij is herbenoembaar. 3. Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden de leden van de Rekenkamer instructies van enige regering of enig lichaam. Zij onthouden zich van iedere handeling die onverenigbaar is met hun ambt. 4. De leden van de Rekenkamer mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere al dan niet bezoldigde beroepswerkzaamheden verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich er plechtig toe om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten bij het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode. 5. Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden, eindigt de ambtsvervulling van een lid van de Rekenkamer door vrijwillig ontslag of door ontslag ambtshalve ingevolge een uitspraak van het Hof van Justitie overeenkomstig lid 6. De betrokkene wordt vervangen voor de verdere duur van zijn ambtstermijn. Behoudens in geval van ontslag ambtshalve, blijven de leden van de Rekenkamer in functie totdat in hun vervanging is voorzien. 6. De leden van de Rekenkamer kunnen slechts van hun ambt worden ontheven of van hun recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen worden verklaard, indien het Hof van Justitie, op verzoek van de Rekenkamer, constateert dat zij niet langer aan de eisen voor de uitoefening van hun ambt of aan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen voldoen. 275 172

AFDELING 2[bewerken]

DE ADVIESORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE Onderafdeling 1 Het Comité van de Regio’s

Artikel III-386

Het aantal leden van het Comité van de Regio’s bedraagt ten hoogste 350. De Raad stelt op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vast waarbij de samenstelling van het Comité wordt bepaald. De leden van het Comité en een gelijk aantal plaatsvervangers worden voor vijf jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. Zij kunnen niet tegelijkertijd lid van het Europees Parlement zijn. De Raad stelt bij Europees besluit de overeenkomstig de voordrachten van de onderscheiden lidstaten opgestelde lijst van leden en plaatsvervangers vast. Bij het verstrijken van het in artikel I-32, lid 2, bedoelde mandaat uit hoofde waarvan zij zijn voorgedragen, eindigt de ambtstermijn van de leden van het Comité van rechtswege en worden zij volgens dezelfde procedure voor de verdere duur van de ambtstermijn vervangen.

Artikel III-387

Het Comité van de regio’s kiest, voor een periode van tweeënhalf jaar, uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau. Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van het Europees Parlement, van de Raad of van de Commissie. Het kan eveneens op eigen initiatief bijeenkomen. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel III-388

Het Comité van de Regio’s wordt door het Europees Parlement, door de Raad of door de Commissie geraadpleegd in de door de Grondwet bepaalde gevallen en in alle andere gevallen waarin een van deze instellingen zulks wenselijk acht, in het bijzonder die welke grensoverschrijdende samenwerking betreffen. Indien zulks noodzakelijk wordt geacht, stelt het Europees Parlement, de Raad of de Commissie aan het Comité een termijn voor het uitbrengen van het advies; deze termijn mag niet korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende mededeling aan de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn kan worden gehandeld zonder het advies af te wachten. 173 275 Wanneer het Economisch en Sociaal Comité wordt geraadpleegd, wordt het Comité van de regio’s door het Europees Parlement, de Raad of de Commissie in kennis gesteld van dat verzoek om advies. Het Comité van de Regio’s kan, wanneer het van mening is dat er specifieke regionale belangen op het spel staan, terzake eveneens advies uitbrengen. Het kan tevens op eigen initiatief een advies uitbrengen. Het advies van het Comité alsmede een verslag van zijn besprekingen worden aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Commissie gezonden. Onderafdeling 2 Het Economisch en Sociaal Comité

Artikel III-389

Het aantal leden van het Economisch en Sociaal Comité bedraagt ten hoogste 350. De Raad stelt op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vast waarbij de samenstelling van het Comité wordt bepaald.

Artikel III-390

De leden van het Economisch en Sociaal Comité worden voor vijf jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. De Raad stelt het Europees besluit vast met de lijst van leden die overeenkomstig de voordrachten van de onderscheiden lidstaten is opgesteld. De Raad besluit na raadpleging van de Commissie. Hij kan de mening vragen van de Europese organisaties die representatief zijn voor de verschillende economische en sociale sectoren, en van het maatschappelijk middenveld, welke betrokken zijn bij de activiteit van de Unie.

Artikel III-391

Het Economisch en Sociaal Comité kiest, voor de periode van tweeënhalf jaar, uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau. Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van het Europees Parlement, van de Raad of van de Commissie. Het kan tevens op eigen initiatief bijeenkomen. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel III-392

Het Economisch en Sociaal Comité wordt door het Europees Parlement, door de Raad of door de Commissie geraadpleegd in de door de Grondwet bepaalde gevallen. Het kan door deze instellingen worden geraadpleegd in alle gevallen waarin deze zulks wenselijk achten. Het Comité kan tevens op eigen initiatief advies uitbrengen. 275 174 Indien zulks noodzakelijk wordt geacht, stelt het Europees Parlement de Raad of de Commissie aan het Comité een termijn voor het uitbrengen van advies; deze termijn mag niet korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende mededeling aan de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn kan worden gehandeld zonder het advies af te wachten. Het advies van het Comité, alsmede een verslag van zijn besprekingen, worden aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezonden.

AFDELING 3[bewerken]

DE EUROPESE INVESTERINGSBANK

Artikel III-393

De Europese Investeringsbank bezit rechtspersoonlijkheid. De leden van de Bank zijn de lidstaten. Het statuut van de Europese Investeringsbank is opgenomen in een protocol. Het statuut van de Europese Investeringsbank kan worden gewijzigd bij Europese wet van de Raad. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, hetzij op verzoek van de Europese Investeringsbank en na raadpleging van het Europees Parlement en van de Commissie, hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en van de Europese Investeringsbank.

Artikel III-394

De Europese Investeringsbank heeft tot taak, met een beroep op de kapitaalmarkten en met gebruikmaking van haar eigen middelen bij te dragen tot een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt in het belang van de Unie. Te dien einde vergemakkelijkt zij, met name door zonder winstoogmerk leningen en waarborgen te verstrekken, de financiering van de volgende projecten in alle sectoren van het economisch leven: a. projecten tot ontwikkeling van minder-ontwikkelde gebieden; b. projecten tot modernisering of omschakeling van ondernemingen of voor het scheppen van nieuwe bedrijvigheid, voortvloeiende uit de totstandbrenging en werking van de interne markt, welke projecten door hun omvang of aard niet geheel kunnen worden gefinancierd uit de verschillende middelen welke in ieder van de lidstaten voorhanden zijn; c. projecten welke voor verscheidene lidstaten van gemeenschappelijk belang zijn en die door hun omvang of aard niet geheel kunnen worden gefinancierd uit de verschillende middelen welke in ieder van de lidstaten voorhanden zijn. Bij de vervulling van haar taak vergemakkelijkt de Europese 175 275 Investeringsbank de financiering van investeringsprogramma’s in samenhang met de bijstandsverlening van de fondsen met structurele strekking en van de andere financieringsinstrumenten van de Unie.

AFDELING 4[bewerken]

BEPALINGEN DIE DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE UNIE GEMEEN HEBBEN

Artikel III-395

1. Wanneer de Raad uit hoofde van de Grondwet op voorstel van de Commissie besluit, kan hij dat voorstel slechts met eenparigheid van stemmen wijzigen, behalve in de gevallen als bedoeld in de artikelen I-55 en I-56, artikel III-396, leden 10 en 13, artikel III-404 en artikel III- 405, lid 2. 2. Zolang de Raad niet heeft besloten, kan de Commissie te allen tijde gedurende de procedures die tot vaststelling van een handeling van de Unie leiden, haar voorstel wijzigen.

Artikel III-396

1. Wanneer Europese wetten of kaderwetten uit hoofde van de Grondwet volgens de gewone wetgevingsprocedure worden vastgesteld, zijn de onderstaande bepalingen van toepassing. 2. De Commissie dient een voorstel in bij het Europees Parlement en bij de Raad. Eerste lezing 3. Het Europees Parlement stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en deelt het mee aan de Raad. 4. Indien de Raad het standpunt van het Europees Parlement goedkeurt, wordt de betrokken handeling vastgesteld in de formulering die overeenstemt met het standpunt van het Europees Parlement. 5. Indien de Raad het standpunt van het Europees Parlement niet goedkeurt, stelt hij zijn standpunt in eerste lezing vast en deelt hij dit mee aan het Europees Parlement. 6. De Raad stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van de redenen die hem hebben geleid tot het vaststellen van zijn standpunt in eerste lezing. De Commissie stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van haar standpunt. Tweede lezing 7. Indien het Europees Parlement binnen een termijn van drie maanden na deze mededeling: 275 176 a. het standpunt van de Raad in eerste lezing goedkeurt of zich niet heeft uitgesproken, wordt de betrokken handeling geacht te zijn vastgesteld in de formulering die overeenstemt met het standpunt van de Raad; b. het standpunt van de Raad in eerste lezing met een meerderheid van zijn leden verwerpt, wordt de voorgestelde handeling geacht niet te zijn vastgesteld; c. met een meerderheid van zijn leden amendementen op het standpunt van de Raad in eerste lezing voorstelt, wordt de aldus geamendeerde tekst toegezonden aan de Raad en aan de Commissie, die advies over deze amendementen uitbrengt. 8. Indien de Raad binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van de amendementen van het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen: a. al deze amendementen goedkeurt, wordt de betrokken handeling geacht te zijn vastgesteld; b. niet alle amendementen goedkeurt, roept de voorzitter van de Raad, in overeenstemming met de voorzitter van het Europees Parlement, binnen zes weken het bemiddelingscomité bijeen. 9. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen over de amendementen waarover de Commissie negatief advies heeft uitgebracht. Bemiddeling 10. Het bemiddelingscomité bestaat uit de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en een gelijk aantal leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen, en heeft tot taak binnen een termijn van zes weken nadat het is bijeengeroepen, met een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en met een meerderheid van de leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke ontwerptekst op basis van de standpunten van het Europees Parlement en de Raad in tweede lezing. 11. De Commissie neemt aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité deel en stelt alles in het werk om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad nader tot elkaar te brengen. 12. Indien het bemiddelingscomité binnen een termijn van zes weken nadat het is bijeengeroepen, geen gemeenschappelijke ontwerptekst goedkeurt, wordt de voorgestelde handeling geacht niet te zijn vastgesteld. Derde lezing 13. Indien het bemiddelingscomité binnen die termijn een gemeenschappelijke ontwerptekst goedkeurt, beschikken het Europees Parlement en de Raad over een termijn van zes weken na deze goedkeuring 177 275 om de betrokken handeling overeenkomstig die ontwerptekst vast te stellen, waarbij het Europees Parlement besluit met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen, en de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Indien zulks niet geschiedt, wordt de handeling geacht niet te zijn vastgesteld. 14. De in dit artikel vermelde termijnen van drie maanden en zes weken worden, op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad, met ten hoogste één maand, respectievelijk twee weken verlengd. Bijzondere bepalingen 15. Wanneer in de bij de Grondwet bepaalde gevallen de gewone wetgevingsprocedure wordt gevolgd met betrekking tot een wet of een kaderwet, op initiatief van een groep van lidstaten, op aanbeveling van de Europese Centrale Bank of op verzoek van het Hof van Justitie of van de Europese Investeringbank, zijn lid 2, lid 6, tweede zin, en lid 9 niet van toepassing. In die gevallen zenden het Europees Parlement en de Raad de Commissie het ontwerp van handeling alsmede hun standpunten in eerste en tweede lezing toe. Het Europees Parlement of de Raad kan de Commissie in alle fasen van de procedure om advies verzoeken; de Commissie kan ook op eigen initiatief advies uitbrengen. Indien de Commissie dat nodig acht, kan zij overeenkomstig lid 11 ook deelnemen aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité.

Artikel III-397

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie raadplegen elkaar en bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop zij samenwerken. Daartoe kunnen zij, met inachtneming van de Grondwet, interinstitutionele akkoorden sluiten die een bindend karakter kunnen hebben.

Artikel III-398

1. Bij de vervulling van hun taken steunen de instellingen, organen en instanties van de Unie op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat. 2. Met inachtneming van het statuut en de regeling vastgesteld op grond van artikel III-427 worden bij Europese wet de bepalingen daartoe vastgesteld.

Artikel III-399

1. De instellingen, organen en instanties van de Unie verzekeren de transparantie van hun werkzaamheden en nemen krachtens artikel I-50 bepalingen inzake de inzage van het publiek in documenten op in hun 275 178 reglementen van orde. Ten aanzien van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Centrale Bank en de Europese Investeringsbank, gelden artikel I-50, lid 3, en het onderhavige artikel alleen voor de uitoefening van hun administratieve taken. 2. Het Europees Parlement en de Raad zorgen voor de openbaarmaking van de stukken betreffende de wetgevingsprocedures overeenkomstig de voorwaarden gesteld in de in artikel I-50, lid 4, bedoelde Europese wet.

Artikel III-400

De Raad stelt Europese verordeningen en besluiten vast houdende: a. de bezoldigingen, vergoedingen en pensioenen van de voorzitter van de Europese Raad, van de voorzitter van de Commissie, van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, van de leden van de Commissie, van de presidenten, de leden en de griffiers van het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsmede van de secretaris-generaal van de Raad; b. de arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder de bezoldigingen, vergoedingen en pensioenen van de voorzitter en de leden van de Rekenkamer; c. alle vergoedingen welke als beloning kunnen gelden van de onder a en b bedoelde personen. 2. De Raad stelt Europese verordeningen en besluiten vast houdende de vergoedingen van de leden van het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-401

De handelingen van de Raad, de Commissie of de Europese Centrale Bank welke ten laste van natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de lidstaten, een geldelijke verplichting inhouden, vormen executoriale titel. De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de echtheid van de titel, aangebracht door de nationale autoriteit die door de regering van iedere lidstaat daartoe wordt aangewezen. Van de aanwijzing stelt zij de Commissie en het Hof van Justitie van de Europese Unie in kennis. Nadat de bedoelde formaliteiten op verzoek van de belanghebbende zijn vervuld, kan deze de tenuitvoerlegging voortzetten door zich rechtstreeks te wenden tot de bevoegde autoriteit overeenkomstig de nationale wetgeving. De tenuitvoerlegging kan alleen worden geschorst krachtens een beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging behoort evenwel tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties. 179 275

HOOFDSTUK II[bewerken]

FINANCIËLE BEPALINGEN

AFDELING 1[bewerken]

MEERJARIG FINANCIEEL KADER

Artikel III-402

1. Het meerjarig financieel kader wordt vastgesteld voor een periode van ten minste vijf jaar, overeenkomstig artikel I-55. 2. In het financieel kader worden de jaarlijkse maximumbedragen aan kredieten voor vastleggingen per uitgavencategorie vastgesteld, alsmede het jaarlijkse maximumbedrag van de kredieten voor betalingen. De uitgavencategorieën, die gering in aantal zijn, corresponderen met de grote beleidsdomeinen van de Unie. 3. Het financieel kader omvat alle andere bepalingen die dienstig zijn voor het goede verloop van de jaarlijkse begrotingsprocedure. 4. Indien de Europese wet van de Raad tot bepaling van een nieuw financieel kader nog niet is vastgesteld wanneer het voorgaand financieel kader verstrijkt, blijven de maximumbedragen en de overige bepalingen betreffende het laatste jaar van het voorgaand financieel kader van toepassing totdat deze wet is vastgesteld. 5. Tijdens de gehele procedure die leidt tot vaststelling van het financieel kader, nemen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie alle maatregelen die nodig zijn om de procedure tot een goed einde te brengen.

AFDELING 2[bewerken]

DE JAARLIJKSE BEGROTING VAN DE UNIE

Artikel III-403

Het begrotingsjaar begint op 1 januari en verstrijkt op 31 december.

Artikel III-404

De jaarlijkse begroting van de Unie wordt bij Europese wet vastgesteld overeenkomstig de volgende bepalingen: 1. Iedere instelling maakt voor 1 juli een raming op van haar uitgaven voor het volgende begrotingsjaar. De Commissie voegt die ramingen samen in een ontwerpbegroting, die afwijkende ramingen mag inhouden. 275 180 Dit ontwerp omvat een raming van de uitgaven en een raming van de ontvangsten. 2. De Commissie dient uiterlijk op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar bij het Europees Parlement en bij de Raad een voorstel in dat de ontwerpbegroting bevat. De Commissie kan de ontwerpbegroting in de loop van de procedure wijzigen totdat het in punt 5 bedoelde bemiddelingscomité bijeen wordt geroepen. 3. De Raad stelt zijn standpunt over de ontwerpbegroting vast en deelt dit standpunt uiterlijk op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar aan het Europees Parlement mee. De Raad stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van de redenen die hem hebben geleid tot het vaststellen van zijn standpunt. 4. Indien het Europees Parlement binnen een termijn van tweeënveertig dagen na deze mededeling: a. het standpunt van de Raad goedkeurt, wordt de Europese wet houdende vaststelling van de begroting vastgesteld; b. geen besluit heeft genomen, wordt de Europese wet houdende vaststelling van de begroting geacht te zijn vastgesteld; c. met een meerderheid van zijn leden amendementen aanneemt, wordt het aldus geamendeerde ontwerp toegezonden aan de Raad en aan de Commissie. De voorzitter van het Europees Parlement roept in overleg met de voorzitter van de Raad onverwijld het bemiddelingscomité bijeen. Het bemiddelingscomité komt evenwel niet bijeen indien de Raad het Europees Parlement binnen een termijn van tien dagen na de toezending van het ontwerp meedeelt dat hij alle amendementen van het Parlement aanvaardt. 5. Het bemiddelingscomité bestaat uit de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en een gelijk aantal leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen en heeft tot taak om, op basis van de standpunten van het Europees Parlement en van de Raad, binnen een termijn van eenentwintig dagen nadat het is bijeengeroepen, met een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en met een meerderheid van de leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen, overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijk ontwerp. De Commissie neemt deel aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité en neemt alle initiatieven die nodig zijn om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad nader tot elkaar te brengen. 181 275 6. Indien het bemiddelingscomité binnen de in punt 5 bedoelde termijn van eenentwintig dagen overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijk ontwerp, beschikken het Europees Parlement en de Raad over een termijn van veertien dagen, te rekenen vanaf de datum van deze overeenstemming, om het gemeenschappelijk ontwerp goed te keuren. 7. Indien, binnen de in punt 6 genoemde termijn van veertien dagen: a. zowel het Europees Parlement als de Raad het gemeenschappelijk ontwerp goedkeurt of geen besluit neemt, of één van deze instellingen het gemeenschappelijk ontwerp goedkeurt terwijl de andere geen besluit neemt, wordt de Europese wet houdende vaststelling van de begroting geacht definitief te zijn vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk ontwerp, of b. zowel het Europees Parlement met een meerderheid van zijn leden, als de Raad het gemeenschappelijk ontwerp afwijst, of indien één van deze instellingen het gemeenschappelijk ontwerp afwijst en de andere geen besluit neemt, wordt door de Commissie een nieuwe ontwerp-begroting ingediend, of c. het Europees Parlement met een meerderheid van zijn leden het gemeenschappelijk ontwerp afwijst terwijl de Raad het goedkeurt, wordt door de Commissie een nieuwe ontwerpbegroting ingediend, of d. het Europees Parlement het gemeenschappelijk ontwerp goedkeurt, terwijl de Raad het afwijst, kan het Europees Parlement binnen veertien dagen na de afwijzing door de Raad met een meerderheid van zijn leden en van drievijfde van het aantal uitgebrachte stemmen besluiten alle of een aantal van de in punt 4, onder c, bedoelde amendementen te bevestigen. Indien een amendement van het Europees Parlement niet wordt bevestigd, wordt het in het bemiddelingscomité overeengekomen standpunt ten aanzien van de begrotingsonderdelen waarop het amendement betrekking heeft, ingenomen. De Europese wet houdende vaststelling van de begroting wordt geacht op deze basis definitief te zijn vastgesteld. 8. Indien het bemiddelingscomité niet binnen de in punt 5 genoemde termijn van eenentwintig dagen overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijk ontwerp, wordt door de Commissie een nieuwe ontwerp-begroting ingediend. 9. Wanneer de in dit artikel omschreven procedure is afgesloten, constateert de voorzitter van het Europees Parlement dat de Europese wet houdende vaststelling van de begroting definitief is vastgesteld. 10. Iedere instelling oefent de haar bij dit artikel toegekende bevoegdheden uit met inachtneming van de Grondwet en van de krachtens de Grondwet vastgestelde handelingen, in het bijzonder die welke betrekking hebben op de eigen middelen van de Unie en op het evenwicht tussen ontvangsten en uitgaven. 275 182

Artikel III-405

1. Indien aan het begin van een begrotingsjaar de Europese wet houdende vaststelling van de begroting niet definitief is vastgesteld, kunnen de uitgaven maandelijks per hoofdstuk, overeenkomstig de in artikel III- 412 bedoelde Europese wet, worden verricht, met een maximum van een twaalfde van de in hetzelfde hoofdstuk van de begroting van het vorige begrotingsjaar opgenomen kredieten, en zonder meer dan een twaalfde te mogen bedragen van de in hetzelfde hoofdstuk van de ontwerpbegroting opgenomen kredieten. 2. De Raad kan, op voorstel van de Commissie en met inachtneming van de overige in lid 1 gestelde voorwaarden, bij Europees besluit uitgaven van meer dan een twaalfde toestaan overeenkomstig de in artikel III-412 bedoelde Europese wet. De Raad zendt dit besluit onverwijld aan het Europees Parlement. Dit Europees besluit voorziet in de beschikbaarstelling van de nodige middelen voor de toepassing van dit artikel, met inachtneming van de in artikel I-54, leden 3 en 4, bedoelde Europese wetten. Het Europees besluit wordt van kracht op de dertigste dag volgende op de vaststelling ervan indien het Europees Parlement binnen die termijn niet bij meerderheid van zijn leden besluit die uitgaven te verminderen.

Artikel III-406

Onder de voorwaarden bepaald bij de in artikel III-412 bedoelde Europese wet, kunnen de niet op personeelsuitgaven betrekking hebbende kredieten welke aan het einde van het begrotingsjaar ongebruikt zijn gebleven, worden overgedragen, evenwel uitsluitend naar het eerstvolgende begrotingsjaar. De kredieten worden ingedeeld in hoofdstukken, waarin de uitgaven worden gegroepeerd naar hun aard en bestemming en onderverdeeld overeenkomstig de in artikel III-412 bedoelde Europese wet. De uitgaven: – van het Europees Parlement, – van de Europese Raad en van de Raad, – van de Commissie, en – van het Hof van Justitie van de Europese Unie, worden als afzonderlijke afdelingen in de begroting opgenomen, onverminderd een speciale regeling voor bepaalde gemeenschappelijke uitgaven. 183 275

AFDELING 3[bewerken]

DE UITVOERING VAN DE BEGROTING EN DE KWIJTING

Artikel III-407

De Commissie voert overeenkomstig de in artikel III-412 bedoelde Europese wet onder eigen verantwoordelijkheid de begroting uit in samenwerking met de lidstaten, binnen de grenzen der toegekende kredieten en in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens datzelfde beginsel worden gebruikt. Bij de in artikel III-412 bedoelde Europese wet worden de met de uitvoering van de begroting verbandhoudende controle- en auditverplichtingen van de lidstaten en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden vastgesteld en worden de verantwoordelijkheden en de nadere bepalingen betreffende de inbreng van iedere instelling bij de uitvoering van haar eigen uitgaven, vastgesteld. Binnen de begroting kan de Commissie, binnen de grenzen en onder de voorwaarden als bepaald bij de in artikel III-412 bedoelde Europese wet, kredieten overschrijven hetzij van het ene hoofdstuk naar het andere, hetzij van de ene onderafdeling naar de andere.

Artikel III-408

De Commissie legt elk jaar aan het Europees Parlement en aan de Raad de rekeningen over het afgelopen begrotingsjaar voor welke betrekking hebben op de uitvoering van de begroting. Bovendien doet zij hun een financiële balans van de activa en passiva van de Unie toekomen. De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad ook een evaluatieverslag over de financiën van de Unie in, waarin de bereikte resultaten worden getoetst aan de door het Europees Parlement en de Raad krachtens artikel III-409 verstrekte aanwijzingen.

Artikel III-409

1. Op aanbeveling van de Raad verleent het Europees Parlement aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Te dien einde onderzoekt het, na de Raad, de rekeningen, de financiële balans en het evaluatieverslag genoemd in artikel III-408, het jaarverslag van de Rekenkamer tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, de in artikel III-384, lid 1, tweede alinea, genoemde verklaring, alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer. 2. Alvorens kwijting te verlenen aan de Commissie of voor enig ander doel in verband met de uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie inzake de uitvoering van de begroting, kan het Europees Par- 275 184 lement de Commissie verzoeken verantwoording af te leggen ter zake van de uitvoering van de uitgaven of de werking van de financiële controlestelsels. De Commissie verstrekt het Europees Parlement desgevraagd alle nodige inlichtingen. 3. De Commissie stelt alles in het werk om gevolg te geven aan de opmerkingen in de kwijtingsbesluiten en aan andere opmerkingen van het Europees Parlement over de uitvoering van de uitgaven, alsook aan de opmerkingen waarvan de door de Raad aangenomen aanbevelingen tot kwijting vergezeld gaan. 4. Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad brengt de Commissie verslag uit over de maatregelen die naar aanleiding van deze opmerkingen zijn genomen, met name over de instructies die zijn gegeven aan de diensten die met de uitvoering van de begroting zijn belast. Deze verslagen worden ook aan de Rekenkamer toegezonden.

AFDELING 4[bewerken]

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel III-410

Het meerjarig financieel kader en de jaarlijkse begroting luiden in euro.

Artikel III-411

De Commissie kan, onder voorbehoud dat zij daarvan de bevoegde instanties van de betrokken lidstaten in kennis stelt, de saldi welke zij in de valuta van een van de lidstaten in haar bezit heeft, overmaken in de valuta van een andere lidstaat, voorzover die saldi gebruikt moeten worden voor de doeleinden die in de Grondwet zijn bepaald. De Commissie vermijdt dergelijke overmakingen zoveel mogelijk, indien zij saldi beschikbaar heeft of beschikbaar kan maken in de valuta waaraan zij behoefte heeft. De Commissie onderhoudt de betrekkingen met iedere van de betrokken lidstaten door tussenkomst van de door deze aangewezen autoriteit. Voor de uitvoering van financiële verrichtingen heeft zij toegang tot de centrale bank van de betrokken lidstaat of tot een andere door deze lidstaat gemachtigde financiële instelling.

Artikel III-412

1. Bij Europese wet a. worden de financiële regels vastgesteld, met name betreffende de wijze waarop de begroting wordt opgesteld en uitgevoerd, alsmede de wijze waarop rekening en verantwoording wordt gedaan en de rekeningen worden nagezien; 185 275 b. worden de regels vastgesteld betreffende de controle van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren, met name van ordonnateurs en rekenplichtigen. De Europese wet wordt vastgesteld na raadpleging van de Rekenkamer. 2. De Raad stelt op voorstel van de Commissie bij Europese verordening de regels en de procedure vast volgens welke de budgettaire ontvangsten waarin het stelsel der eigen middelen van de Unie voorziet, ter beschikking van de Commissie worden gesteld, alsmede de maatregelen welke moeten worden toegepast om, in voorkomend geval, te voorzien in de behoefte aan kasmiddelen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement en de Rekenkamer. 3. De Raad besluit tot 31 december 2006 met eenparigheid van stemmen in alle in dit artikel bedoelde gevallen.

Artikel III-413

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zien erop toe dat de Unie beschikt over de financiële middelen waarmee de Unie haar juridische verplichtingen jegens derden kan voldoen.

Artikel III-414

In het kader van de in dit hoofdstuk bedoelde begrotingsprocedures roept de Commissie regelmatig de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie bijeen. De voorzitters nemen alle maatregelen die nodig zijn om het overleg te bevorderen en de standpunten van hun respectieve instellingen dichter bij elkaar te brengen, om de uitvoering van dit hoofdstuk te vergemakkelijken.

AFDELING 5[bewerken]

FRAUDEBESTRIJDING

Artikel III-415

1. De Unie en de lidstaten bestrijden fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, met maatregelen die overeenkomstig dit artikel worden vastgesteld. Deze maatregelen werken afschrikkend en bieden in de lidstaten, alsook in de instellingen, organen en instanties van de Unie een effectieve bescherming. 2. Ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, nemen de lidstaten dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad. 275 186 3. Onverminderd de andere bepalingen van de Grondwet coördineren de lidstaten hun optreden om de financiële belangen van de Unie tegen fraude te beschermen. Zij organiseren daartoe samen met de Commissie een nauwe en geregelde samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten. 4. Bij Europese wet of kaderwet worden de nodige maatregelen vastgesteld op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, om in de lidstaten alsook in de instellingen, organen en instanties van de Unie een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden. Deze wetten of kaderwetten worden vastgesteld na raadpleging van de Rekenkamer. 5. De Commissie brengt in samenwerking met de lidstaten jaarlijks aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de maatregelen die ter uitvoering van dit artikel zijn genomen.

HOOFDSTUK III[bewerken]

NAUWERE SAMENWERKING

Artikel III-416

Bij nauwere samenwerking worden de Grondwet en het recht van de Unie geëerbiedigd. Nauwere samenwerking mag geen afbreuk doen aan de interne markt, noch aan de economische, sociale en territoriale samenhang. Zij mag geen belemmering of discriminatie in de handel tussen de lidstaten vormen, en zij mag de mededinging tussen de lidstaten niet verstoren.

Artikel III-417

Bij nauwere samenwerking worden de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van de lidstaten die er niet aan deelnemen, geëerbiedigd. De niet-deelnemende lidstaten belemmeren niet de uitvoering ervan door de deelnemende lidstaten.

Artikel III-418

1. Nauwere samenwerking staat open voor alle lidstaten op het moment waarop zij wordt aangegaan, mits de deelnemingsvoorwaarden worden nageleefd die eventueel zijn vastgesteld bij het Europese besluit waarbij toestemming wordt verleend. Deelneming op een later tijdstip blijft steeds te allen tijde mogelijk, mits, naast de bovengenoemde eventuele voorwaarden, de in dit kader reeds vastgestelde handelingen worden nageleefd. De Commissie en de aan een nauwere samenwerking deelnemende lidstaten, zien erop toe dat de deelneming van zoveel mogelijk lidstaten wordt bevorderd. 187 275 2. De Commissie en in voorkomend geval de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie stellen het Europees Parlement en de Raad regelmatig op de hoogte van het verloop van de nauwere samenwerking.

Artikel III-419

1. De lidstaten die onderling een nauwere samenwerking wensen aan te gaan op een van de gebieden die onder de Grondwet vallen, met uitzondering van de gebieden van exclusieve bevoegdheid en het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, richten een verzoek tot de Commissie, met opgave van het toepassingsgebied en de met de voorgenomen nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen. De Commissie kan bij de Raad een voorstel in die zin indienen. Indien de Commissie geen voorstel indient, deelt zij de redenen daarvoor mee aan de betrokken lidstaten. De toestemming om een nauwere samenwerking aan te gaan, wordt verleend bij een Europees besluit van de Raad, die besluit op voorstel van de Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement. 2. De lidstaten die onderling een nauwere samenwerking wensen aan te gaan in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, richten een verzoek tot de Raad. Het verzoek wordt doorgezonden aan de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, die advies uitbrengt over de samenhang van de voorgenomen nauwere samenwerking met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie, alsmede aan de Commissie, die advies uitbrengt over met name de samenhang van de voorgenomen nauwere samenwerking met het beleid van de Unie op andere gebieden. Het verzoek wordt ter informatie ook toegezonden aan het Europees Parlement. De toestemming om een nauwere samenwerking aan te gaan, wordt verleend bij een Europees besluit van de Raad, die met eenparigheid van stemmen besluit.

Artikel III-420

1. Een lidstaat die wil deelnemen aan een bestaande nauwere samenwerking op een van de in artikel III-419, lid 1, bedoelde gebieden, stelt de Raad en de Commissie van zijn voornemen in kennis. Binnen vier maanden na ontvangst van de kennisgeving bevestigt de Commissie de deelneming van de betrokken lidstaat. Zij constateert, in voorkomend geval, dat aan de voorwaarden voor deelneming is voldaan en stelt de nodige overgangsmaatregelen vast voor de toepassing van de reeds in het kader van de nauwere samenwerking vastgestelde handelingen. Is de Commissie evenwel van mening dat aan de voorwaarden voor deelneming niet is voldaan, dan geeft zij aanwijzingen omtrent de te nemen maatregelen opdat aan deze voorwaarden wel wordt voldaan, en stelt zij een termijn vast waarbinnen zij het verzoek opnieuw in overwe- 275 188 ging zal nemen. Bij het verstrijken van die termijn neemt zij het verzoek opnieuw in overweging overeenkomstig de in de tweede alinea omschreven procedure. Indien de Commissie van mening is dat aan de voorwaarden voor deelneming nog steeds niet is voldaan, kan de betrokken lidstaat de kwestie voorleggen aan de Raad, die zich uitspreekt over het verzoek. De Raad besluit overeenkomstig artikel I-44, lid 3. Hij kan ook, op voorstel van de Commissie, de in de tweede alinea bedoelde overgangsmaatregelen vaststellen. 2. Een lidstaat die wil deelnemen aan een bestaande nauwere samenwerking in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, stelt de Raad, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de Commissie van zijn voornemen in kennis. De Raad bevestigt de deelneming van de betrokken lidstaat, na de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie te hebben geraadpleegd en na in voorkomend geval te hebben geconstateerd dat aan de voorwaarden voor deelneming is voldaan. De Raad kan op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie ook de nodige overgangsbepalingen vaststellen voor de toepassing van de handelingen die al zijn vastgesteld in het kader van de nauwere samenwerking. Is de Raad evenwel van mening dat aan de voorwaarden voor deelneming niet is voldaan, dan geeft hij aanwijzingen omtrent de te nemen maatregelen opdat aan deze voorwaarden wel wordt voldaan, en stelt hij een termijn vast waarbinnen hij het verzoek tot deelneming opnieuw in overweging zal nemen. Voor de toepassing van dit lid besluit de Raad met eenparigheid van stemmen en overeenkomstig artikel I-44, lid 3.

Artikel III-421

De uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van een nauwere samenwerking, met uitzondering van de administratieve kosten voor de instellingen, komen ten laste van de deelnemende lidstaten, tenzij de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen van al zijn leden anders besluit.

Artikel III-422

1. Indien een bepaling van de Grondwet die in het kader van een nauwere samenwerking kan worden toegepast, bepaalt dat de Raad met eenparigheid van stemmen besluit, kan de Raad met eenparigheid van stemmen overeenkomstig het bepaalde in artikel I-44, lid 3, een Europees besluit vaststellen waarin wordt bepaald dat hij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen zal besluiten. 2. Indien een bepaling van de Grondwet die in het kader van een nauwere samenwerking kan worden toegepast, bepaalt dat de Raad Europese wetten of kaderwetten volgens een bijzondere wetgevingsprocedure 189 275 vaststelt, kan de Raad met eenparigheid van stemmen overeenkomstig het bepaalde in artikel I-44, lid 3, een Europees besluit vaststellen waarin wordt bepaald dat hij volgens de gewone wetgevingsprocedure zal besluiten. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op besluiten die gevolgen hebben op militair of defensiegebied.

Artikel III-423

De Raad en de Commissie zorgen voor de samenhang van ieder optreden in het kader van een nauwere samenwerking, zowel onderling als met het beleid van de Unie, en werken daartoe samen.

TITEL VII[bewerken]

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel III-424

Gezien de structurele economische en sociale situatie van Guadeloupe, Frans Guyana, Martinique, Réunion, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden, die wordt bemoeilijkt door de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid van een gering aantal producten, welke factoren door hun blijvende en cumulatieve karakter de ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, Europese wetten, kaderwetten, verordeningen en besluiten vast die er met name op gericht zijn de voorwaarden voor de toepassing van de Grondwet, met inbegrip van gemeenschappelijk beleid, op deze gebieden vast te stellen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement. De in de eerste alinea bedoelde handelingen hebben met name betrekking op het douane- en handelsbeleid, het fiscaal beleid, vrijhandelszones, het landbouw- en visserijbeleid, voorwaarden voor de voorziening met grondstoffen en essentiële consumptiegoederen, staatssteun en de voorwaarden voor toegang tot de fondsen met structurele strekking en tot horizontale programma’s van de Unie. De Raad stelt de in de eerste alinea bedoelde handelingen vast, rekening houdend met de bijzondere kenmerken en beperkingen van de ultraperifere gebieden en zonder afbreuk te doen aan de integriteit en de samenhang van de rechtsorde van de Unie, waaronder de interne markt en het gemeenschappelijk beleid.

Artikel III-425

De Grondwet laat de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten geheel onverlet. 275 190

Artikel III-426

In elk van de lidstaten heeft de Unie de ruimste handelingsbevoegdheid die door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend. Zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. Te dien einde wordt zij door de Commissie vertegenwoordigd. De Unie wordt evenwel door elk van de instellingen vertegenwoordigd, uit hoofde van hun administratieve autonomie, voor de aangelegenheden die verband houden met hun respectieve werking.

Artikel III-427

Het statuut van de ambtenaren van de Unie, alsmede de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie, worden bij Europese wet vastgesteld. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van de betrokken instellingen.

Artikel III-428

Voor de vervulling van de haar opgedragen taken kan de Commissie alle gegevens verzamelen en alle noodzakelijke verificaties verrichten, binnen de grenzen en onder de voorwaarden waarin wordt voorzien bij een door de Raad met gewone meerderheid van stemmen vastgestelde Europese verordening of Europees besluit.

Artikel III-429

1. Onverminderd artikel 5 van het Protocol tot vaststelling van het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank worden de maatregelen voor de opstelling van statistieken, wanneer zulks voor de vervulling van de taken van de Unie nodig is, vastgesteld bij Europese wet of kaderwet. 2. De opstelling van statistieken geschiedt op basis van onpartijdigheid, betrouwbaarheid, objectiviteit, wetenschappelijke onafhankelijkheid, kosteneffectiviteit en statistische geheimhouding. Zij mag geen buitensporige lasten voor de economische actoren met zich mee brengen.

Artikel III-430

De leden van de instellingen van de Unie, de leden van de comités, alsmede de ambtenaren en personeelsleden van de Unie zijn gehouden, zelfs na neerlegging van hun functie, de inlichtingen die naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen, met name de inlichtingen betreffende de ondernemingen en hun handelsbetrekkingen of de bestanddelen van hun kostprijzen, niet openbaar te maken. 191 275

Artikel III-431

De contractuele aansprakelijkheid van de Unie wordt beheerst door het recht dat op het betrokken contract van toepassing is. Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Unie overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functie is veroorzaakt. In afwijking van de tweede alinea moet de Europese Centrale Bank overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar zelf of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functie is veroorzaakt. De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens de Unie wordt geregeld bij de bepalingen tot vaststelling van hun statuut of de op hen toepasselijke regeling.

Artikel III-432

De zetel van de instellingen van de Unie wordt in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten vastgesteld.

Artikel III-433

De Raad stelt met eenparigheid van stemmen een Europese verordening vast houdende regeling van het taalgebruik door de instellingen van de Unie, onverminderd het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel III-434

De Unie geniet, onder de voorwaarden van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten die nodig zijn ter vervulling van haar taak.

Artikel III-435

De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten die vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding zijn gesloten tussen een of meer lidstaten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, worden door de Grondwet onverlet gelaten. Voorzover die overeenkomsten niet verenigbaar zijn met de Grondwet maken de betrokken lidstaat of lidstaten gebruik van alle passende middelen om de vastgestelde punten van onverenigbaarheid op te heffen. Indien nodig verlenen de lidstaten elkaar bijstand teneinde dat doel te bereiken en volgen zij in voorkomende gevallen een gemeenschappelijke gedragslijn. 275 192 Wanneer de lidstaten de in de eerste alinea bedoelde overeenkomsten toepassen, houden zij rekening met het feit dat de door iedere lidstaat in de Grondwet toegestane voordelen een wezenlijk bestanddeel uitmaken van de Unie en dientengevolge onverbrekelijk verbonden zijn met de oprichting van instellingen waaraan bij de Grondwet bevoegdheden zijn toegedeeld, en met het toekennen van identieke voordelen door alle overige lidstaten.

Artikel III-436

1. De Grondwet vormt geen beletsel voor de volgende regels: a. geen enkele lidstaat is gehouden inlichtingen te verstrekken waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig zou zijn met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid; b. iedere lidstaat kan de maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal; die maatregelen mogen de mededingingsverhoudingen op de interne markt niet wijzigen voor producten die niet bestemd zijn voor specifiek militaire doeleinden. 2. Op voorstel van de Commissie kan de Raad met eenparigheid van stemmen bij Europees besluit wijzigingen aanbrengen in de lijst van 15 april 1958 van producten waarop de bepalingen van lid 1, onder b, van toepassing zijn.

Flag of Europe.svg   Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa   Flag of Europe.svg
Preambule
Deel I - Definitie en Doelstellingen van de Unie
Deel II - Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
Deel III - Beleid en Werking van de Unie
Deel IV - Algemene en Slotbepalingen:
Slotbepalingen - Protocollen - Bijlagen I en II - Slotakte - Verklaringen