Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa - Deel IV - Protocollen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Flag of Europe.svg   Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa   Flag of Europe.svg
Preambule
Deel I - Definitie en Doelstellingen van de Unie
Deel II - Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
Deel III - Beleid en Werking van de Unie
Deel IV - Algemene en Slotbepalingen:
Slotbepalingen - Protocollen - Bijlagen I en II - Slotakte - Verklaringen
Notice
Niet alle protocollen zijn toegevoegd, omdat deze te groot zal worden. Zie voor alle protocollen de website van de Europese Gemeenschappen.

Inhoud

A. PROTOCOLLEN GEHECHT AAN HET VERDRAG TOT VASTSTELLING VAN EEN GRONDWET VOOR EUROPA[bewerken]

1. PROTOCOL BETREFFENDE DE ROL VAN DE NATIONALE PARLEMENTEN IN DE EUROPESE UNIE[bewerken]

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

ERAAN HERINNEREND dat de wijze waarop de nationale parlementen de controle uitoefenen op hun regering met betrekking tot de activiteiten van de Unie, valt onder de eigen constitutionele inrichting en praktijk van de lidstaten;

GELEID DOOR DE WENS om een grotere betrokkenheid van de nationale parlementen bij de activiteiten van de Europese Unie te stimuleren en hun betere mogelijkheden te bieden om uiting te geven aan hun zienswijze op de ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen en andere aangelegenheden die voor hen van bijzonder belang kunnen zijn,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

TITEL I INFORMATIE VOOR DE NATIONALE PARLEMENTEN[bewerken]

Artikel 1[bewerken]

Discussiedocumenten van de Commissie (groenboeken, witboeken en mededelingen) worden bij publicatie door de Commissie rechtstreeks aan de nationale parlementen toegezonden. De Commissie zendt de nationale parlementen ook het jaarlijkse wetgevingsprogramma en alle andere instrumenten voor wetgevingsprogrammering en beleidsstrategie, op hetzelfde tijdstip als aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 2[bewerken]

De tot het Europees Parlement en de Raad gerichte ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen worden aan de nationale parlementen toegezonden.

Voor de toepassing van dit protocol worden onder „ontwerp van een Europese wetgevingshandeling” verstaan, de voorstellen van de Commissie, de initiatieven van een groep lidstaten, de initiatieven van het Europees Parlement, de verzoeken van het Hof van Justitie, de aanbevelingen van de Europese Centrale Bank en de verzoeken van de Europese Investeringsbank met het oog op de vaststelling van een Europese wetgevingshandeling.

De Commissie zendt haar ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen rechtstreeks toe aan de nationale parlementen op hetzelfde tijdstip als aan het Europees Parlement en de Raad.

Het Europees Parlement zendt zijn ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen rechtstreeks toe aan de nationale parlementen.

De ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen die uitgaan van een groep lidstaten, het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank worden door de Raad aan de nationale parlementen toegezonden.

Artikel 3[bewerken]

De nationale parlementen kunnen de voorzitter van het Europees Parlement, van de Raad en van de Commissie een met redenen omkleed advies toezenden betreffende de overeenstemming van een ontwerp van een Europese wetgevingshandeling met het subsidiariteitsbeginsel, volgens de procedure van het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

Indien het ontwerp van een Europese wetgevingshandeling uitgaat van een groep lidstaten zendt de voorzitter van de Raad het/de met redenen omklede advies/adviezen toe aan de regeringen van deze lidstaten.

Indien het ontwerp van een Europese wetgevingshandeling uitgaat van het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank zendt de voorzitter van de Raad het/de met redenen omklede advies/adviezen toe aan de/het betrokken instelling of orgaan.

Artikel 4[bewerken]

Er dient een periode van zes weken te verstrijken tussen het tijdstip waarop een ontwerp van een Europese wetgevingshandeling aan de nationale parlementen in de officiële talen van de Unie beschikbaar wordt gesteld, en de datum waarop het met het oog op de vaststelling ervan of op de vaststelling van een standpunt in het kader van een wetgevingsprocedure op de voorlopige agenda van de Raad wordt geplaatst. Uitzonderingen zijn mogelijk in spoedeisende gevallen, waarvoor de redenen in de handeling of het standpunt van de Raad worden aangegeven. Behalve in naar behoren gemotiveerde dringende gevallen kan tijdens deze zes weken niet worden geconstateerd dat er over een ontwerp van een Europese wetgevingshandeling een akkoord bestaat. Behalve in naar behoren gemotiveerde dringende gevallen moeten tussen de plaatsing van een ontwerp van een Europese wetgevingshandeling op de voorlopige agenda van de Raad en de vaststelling van een standpunt tien dagen verstrijken.

Artikel 5[bewerken]

De agenda's en de resultaten van de Raadszittingen, waaronder begrepen de notulen van de Raadszittingen waarin over ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen is beraadslaagd, worden rechtstreeks naar de nationale parlementen gezonden, op hetzelfde tijdstip als aan de regeringen van de lidstaten.

Artikel 6[bewerken]

Indien de Europese Raad artikel IV-444, lid 1 of lid 2, van de Grondwet wil toepassen, worden de nationale parlementen tenminste zes maanden voordat een Europees besluit wordt vastgesteld op de hoogte gebracht van het initiatief van de Europese Raad.

Artikel 7[bewerken]

De Rekenkamer zendt haar jaarverslag ter informatie toe aan de nationale parlementen, op hetzelfde tijdstip als aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 8[bewerken]

Wanneer het nationale parlementaire stelsel geen eenkamerstelsel is, gelden de artikelen 1 tot en met 7 voor de kamers waaruit het bestaat.

TITEL II SAMENWERKING TUSSEN DE PARLEMENTEN[bewerken]

Artikel 9[bewerken]

Het Europees Parlement en de nationale parlementen bepalen samen hoe binnen de Unie een efficiënte en regelmatige samenwerking tussen de verschillende parlementen kan worden georganiseerd en gestimuleerd.

Artikel 10[bewerken]

Een conferentie van de organen van de parlementen die gespecialiseerd zijn in de aangelegenheden van de Unie kan iedere door haar passend geachte bijdrage ter attentie van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie leveren. Deze conferentie bevordert voorts de uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement, alsook tussen hun respectieve gespecialiseerde commissies. Zij kan ook interparlementaire conferenties over specifieke onderwerpen organiseren, met name om vraagstukken op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, waaronder het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, te bespreken. De bijdragen van de conferentie binden de nationale parlementen niet en laten hun standpunt onverlet.

2. PROTOCOL BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN DE BEGINSELEN VAN SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID[bewerken]

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

GELEID DOOR DE WENS ervoor te zorgen dat besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers van de Unie worden genomen;

VASTBESLOTEN de voorwaarden vast te stellen voor de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid van artikel I-11 van de Grondwet en een systeem in te stellen voor toezicht op de toepassing van deze beginselen,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1[bewerken]

Iedere instelling draagt er voortdurend zorg voor dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid van artikel I-11 van de Grondwet in acht worden genomen.

Artikel 2[bewerken]

Alvorens een Europese wetgevingshandeling voor te stellen, houdt de Commissie brede raadplegingen. Daarbij wordt, in voorkomend geval, rekening gehouden met de regionale en de lokale dimensie van het beoogde optreden. In buitengewoon dringende gevallen houdt de Commissie geen raadplegingen. Zij motiveert haar beslissing in haar voorstel.

Artikel 3[bewerken]

Voor de toepassing van dit protocol worden onder „ontwerp van Europese wetgevingshandeling” verstaan de voorstellen van de Commissie, de initiatieven van een groep lidstaten, de initiatieven van het Europees Parlement, de verzoeken van het Hof van Justitie, de aanbevelingen van de Europese Centrale Bank en de verzoeken van de Europese Investeringsbank met het oog op de vaststelling van een Europese wetgevingshandeling.

Artikel 4[bewerken]

De Commissie zendt haar ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen en gewijzigde ontwerpen gelijktijdig toe aan de nationale parlementen en aan de wetgever van de Unie.

Het Europees Parlement zendt zijn ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen en gewijzigde ontwerpen toe aan de nationale parlementen.

De Raad zendt de ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen en gewijzigde ontwerpen die uitgaan van een groep lidstaten, het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank toe aan de nationale parlementen.

De wetgevingsresoluties van het Europees Parlement en de standpunten van de Raad worden, zodra zij zijn aangenomen respectievelijk vastgesteld, door de betrokken instelling aan de nationale parlementen toegezonden.

Artikel 5[bewerken]

De ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen worden gemotiveerd in het licht van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. Ieder ontwerp van Europese wetgevingshandeling bevat een subsidiariteits- en evenredigheidsmemorandum, met een uitgebreide toelichting van de elementen op basis waarvan de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid kan worden beoordeeld. Dat memorandum moet elementen bevatten waarmee de financiële gevolgen van het ontwerp kunnen worden beoordeeld, alsook — in het geval van een Europese kaderwet — het effect ervan op de door de lidstaten vast te stellen regelgeving, inclusief — waar toepasselijk — de regionale regelgeving. De redenen voor de conclusie dat een doelstelling van de Unie beter bereikt kan worden door de Unie, worden met kwalitatieve en, zo mogelijk, kwantitatieve indicatoren gestaafd. In de ontwerpen van Europese wetgevingshandelingen wordt er rekening mee gehouden dat alle, financiële of administratieve, lasten voor de Unie, de nationale regeringen, de regionale of lokale overheden, het bedrijfsleven en de burgers tot een minimum moeten worden beperkt en in verhouding moeten staan tot het te bereiken doel.

Artikel 6[bewerken]

Ieder nationaal parlement en iedere kamer van een van die parlementen kan binnen een termijn van zes weken vanaf de datum van toezending van een ontwerp van Europese wetgevingshandeling aan de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie een gemotiveerd advies toezenden waarin wordt uiteengezet waarom het betrokken ontwerp zijns inziens niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel. Ieder nationaal parlement of iedere kamer van een nationaal parlement raadpleegt, in voorkomend geval, de regionale parlementen met wetgevingsbevoegdheid.

Indien het ontwerp van Europese wetgevingshandeling uitgaat van een groep lidstaten zendt de voorzitter van de Raad het advies toe aan de regeringen van die lidstaten.

Indien het ontwerp van Europese wetgevingshandeling afkomstig is van het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank zendt de voorzitter van de Raad het advies toe aan de betrokken instelling of het betrokken orgaan.

Artikel 7[bewerken]

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, alsmede in voorkomend geval, de groep lidstaten, het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank houden, indien het ontwerp van wetgevingshandeling van hen uitgaat, rekening met de gemotiveerde adviezen die de nationale parlementen of een kamer van een van deze parlementen tot hen richten.

Ieder nationaal parlement heeft twee stemmen, die worden toegewezen op grond van het nationale parlementaire stelsel. In een nationaal parlementair stelsel met twee kamers heeft elk van de twee kamers een stem.

Indien gemotiveerde adviezen waarin wordt gesteld dat een ontwerp van Europese wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, ten minste eenderde vertegenwoordigen van alle stemmen die aan de nationale parlementen zijn toegedeeld overeenkomstig de tweede alinea, moet het ontwerp opnieuw in overweging worden genomen. Deze drempel bedraagt eenvierde indien het een ontwerp van Europese wetgevingshandeling betreft dat is ingediend op grond van artikel III-264 van de Grondwet, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

Op grond van de heroverweging kan de Commissie of, in voorkomend geval, de groep lidstaten, het Europees Parlement, het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank, indien het ontwerp van Europese wetgevingshandeling van hen uitgaat, besluiten het ontwerp te handhaven, te wijzigen of in te trekken. Dit besluit moet worden gemotiveerd.

Artikel 8[bewerken]

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen inzake ieder beroep wegens schending door een Europese wetgevingshandeling van het subsidiariteitsbeginsel, dat op de wijze als bepaald in artikel III-365 van de Grondwet wordt ingesteld door een lidstaat, of door een lidstaat overeenkomstig zijn rechtsorde wordt toegezonden namens zijn nationaal parlement of een kamer van dat parlement.

Op de wijze als bepaald in datzelfde artikel kan ook het Comité van de Regio's een dergelijk beroep instellen tegen Europese wetgevingshandelingen voor de vaststelling waarvan het volgens de Grondwet moet worden geraadpleegd.

Artikel 9[bewerken]

De Commissie brengt jaarlijks aan de Europese Raad, aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de nationale parlementen verslag uit over de toepassing van artikel I-11 van de Grondwet. Dit jaarverslag wordt ook aan het Comité van de Regio's en aan het Economisch en Sociaal Comité toegezonden.

3. PROTOCOL TOT VASTSTELLING VAN HET STATUUT VAN HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE UNIE[bewerken]

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

WENSENDE, het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, bedoeld in artikel III-381van de Grondwet, vast te stellen,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

Artikel 1[bewerken]

Het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt samengesteld en oefent zijn functies uit overeenkomstig de Grondwet, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EGA-Verdrag) en dit statuut.

TITEL I STATUS VAN DE RECHTERS EN VAN DE ADVOCATEN-GENERAAL[bewerken]

Artikel 2[bewerken]

Alvorens zijn ambt te aanvaarden, moet iedere rechter voor het Hof van Justitie in openbare zitting bijeen, de eed afleggen, dat hij zijn functie zal uitoefenen in volkomen onpartijdigheid en geheel overeenkomstig zijn geweten en dat hij niets van het geheim der beraadslagingen openbaar zal maken.

Artikel 3[bewerken]

De rechters zijn vrijgesteld van rechtsvervolging. Met betrekking tot hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, blijven zij deze immuniteit genieten ook nadat zij hun ambt hebben neergelegd.

Het Hof van Justitie kan, in voltallige zitting, de immuniteit opheffen. Wanneer de beslissing betrekking heeft op een lid van het Gerecht of van een gespecialiseerde rechtbank, beslist het Hof na raadpleging van het betrokken rechtscollege.

Ingeval tegen een rechter wiens immuniteit is opgeheven, een strafvervolging wordt ingesteld, kan hij in elk der lidstaten slechts worden berecht door de instantie die bevoegd is tot berechting van de leden van het hoogste nationale rechterlijke college.

De artikelen 11 tot en met 14 en artikel 17 van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Unie zijn van toepassing op de rechters, de advocaten-generaal, de griffiers en de toegevoegde rapporteurs van het Hof van Justitie van de Europese Unie, onverminderd de bepalingen van de eerste, de tweede en de derde alinea van dit artikel nopens de vrijstelling van rechtsvervolging van de rechters.

Artikel 4[bewerken]

De rechters mogen geen politieke functie of bestuursambt uitoefenen.

Zij mogen geen al dan niet bezoldigde beroepswerkzaamheid verrichten, tenzij van deze bepaling krachtens een bij gewone meerderheid vastgesteld Europees besluit van de Raad bij uitzondering afwijking is toegestaan.

Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode.

In geval van twijfel beslist het Hof van Justitie. Wanneer de beslissing betrekking heeft op een lid van het Gerecht of van een gespecialiseerde rechtbank, beslist het Hof na raadpleging van het betrokken rechtscollege.

Artikel 5[bewerken]

Behalve door periodieke vervanging of door overlijden eindigt de ambtsuitoefening van een rechter door ontslag.

Ingeval een rechter om ontslag verzoekt, richt hij daartoe tot de president van het Hof van Justitie een brief, die aan de voorzitter van de Raad wordt doorgezonden. Door laatstbedoelde kennisgeving ontstaat een vacature.

Met uitzondering van de gevallen waarin artikel 6 van toepassing is, blijft elke rechter zitting hebben totdat zijn opvolger in functie treedt.

Artikel 6[bewerken]

Een rechter kan slechts van zijn ambt worden ontheven of van zijn recht op pensioen of van andere als zodanig geldende gunsten vervallen worden verklaard, wanneer hij, naar het eenstemmig oordeel van de rechters van en de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie, heeft opgehouden aan de gestelde voorwaarden of aan de uit zijn ambt voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De betrokkene neemt niet aan die beraadslagingen deel. Wanneer de betrokkene lid is van het Gerecht of van een gespecialiseerde rechtbank, beslist het Hof na raadpleging van het betrokken rechtscollege.

De griffier deelt de beslissing van het Hof mede aan de voorzitters van het Europees Parlement en van de Commissie en geeft van die beslissing kennis aan de voorzitter van de Raad.

In geval van een beslissing waarbij een rechter van zijn ambt wordt ontheven, ontstaat door laatstbedoelde kennisgeving een vacature.

Artikel 7[bewerken]

De rechters wier ambtsuitoefening vóór het verstrijken van hun mandaat eindigt, worden voor de verdere duur van het mandaat vervangen.

Artikel 8[bewerken]

De bepalingen van de artikelen 2 tot en met 7 zijn van toepassing op de advocaten-generaal.

TITEL II ORGANISATIE VAN HET HOF VAN JUSTITIE[bewerken]

Artikel 9[bewerken]

De gedeeltelijke vervanging van de rechters, die om de drie jaar plaatsvindt, heeft beurtelings betrekking op dertien en op twaalf rechters.

De gedeeltelijke vervanging van de advocaten-generaal, die om de drie jaar plaatsvindt, heeft telkens betrekking op vier advocaten-generaal.

Artikel 10[bewerken]

De griffier legt voor het Hof van Justitie de eed af dat hij zijn functie zal uitoefenen in volkomen onpartijdigheid en geheel overeenkomstig zijn geweten en dat hij niets van het geheim der beraadslagingen openbaar zal maken.

Artikel 11[bewerken]

Het Hof van Justitie regelt de vervanging van de griffier, voor het geval dat deze verhinderd is.

Artikel 12[bewerken]

In het belang van de dienst worden aan het Hof van Justitie ambtenaren en andere personeelsleden verbonden. Zij ressorteren onder de griffier, onder het gezag van de president.

Artikel 13[bewerken]

Bij Europese wet kan worden voorzien in de benoeming van toegevoegde rapporteurs en kan hun statuut worden bepaald. Deze wet wordt vastgesteld op verzoek van het Hof van Justitie. De toegevoegde rapporteurs kunnen overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen worden geroepen om deel te nemen aan het onderzoek van de bij het Hof aanhangige zaken en om de rechter-rapporteur bij te staan.

De toegevoegde rapporteurs, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en de nodige bewijzen van juridische bekwaamheid bezitten, worden bij een met gewone meerderheid vastgesteld Europees besluit van de Raad benoemd. Zij leggen voor het Hof de eed af dat zij hun ambt zullen uitoefenen in volkomen onpartijdigheid en geheel overeenkomstig hun geweten en dat zij niets van het geheim der beraadslagingen openbaar zullen maken.

Artikel 14[bewerken]

De rechters, de advocaten-generaal en de griffier zijn verplicht verblijf te houden in de plaats waar het Hof van Justitie is gevestigd.

Artikel 15[bewerken]

Het Hof van Justitie is permanent in functie. De rechterlijke vakanties worden door het Hof met inachtneming van de eisen van de dienst vastgesteld.

Artikel 16[bewerken]

Het Hof van Justitie vormt uit zijn midden kamers van drie en vijf rechters. De rechters kiezen uit hun midden de presidenten van de kamers. De presidenten van de kamers van vijf rechters worden voor drie jaar gekozen. Zij zijn eenmaal herbenoembaar.

De grote kamer bestaat uit dertien rechters. Zij wordt voorgezeten door de president van het Hof. Voorts maken van de grote kamer deel uit de presidenten van de kamers van vijf rechters, alsmede andere rechters die worden aangewezen overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen.

Het Hof houdt zitting in grote kamer, wanneer een lidstaat of een instelling van de Unie die partij is bij het geding daarom verzoekt.

Het Hof komt in voltallige zitting bijeen wanneer een zaak aanhangig is gemaakt op grond van artikel III-335, lid 2, artikel III-347, tweede alinea, artikel III-349 of artikel III-385, lid 6, van de Grondwet.

Verder kan het Hof, wanneer het van oordeel is dat een aanhangige zaak van uitzonderlijk belang is, nadat de advocaat-generaal is gehoord, besluiten deze zaak naar de voltallige zitting te verwijzen.

Artikel 17[bewerken]

Het Hof van Justitie kan slechts in oneven getal op geldige wijze beslissen.

De beslissingen van de uit drie of vijf rechters bestaande kamers zijn geldig, wanneer zij door drie rechters zijn genomen.

De beslissingen van de grote kamer zijn geldig, wanneer negen rechters tegenwoordig zijn.

De in voltallige zitting genomen beslissingen van het Hof zijn geldig, wanneer vijftien rechters tegenwoordig zijn.

In geval van verhindering van één der rechters van een kamer kan, overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen een beroep worden gedaan op een rechter die deel uitmaakt van een andere kamer.

Artikel 18[bewerken]

De rechters en de advocaten-generaal mogen niet deelnemen aan de berechting van enige zaak, waarin zij vroeger zijn opgetreden als gemachtigde, raadsman of advocaat van één van beide partijen, of waarover zij geroepen zijn geweest zich uit te spreken als lid van een rechtbank, van een commissie van onderzoek of in enige andere hoedanigheid.

Wanneer een rechter of advocaat-generaal om een bijzondere reden meent niet te kunnen deelnemen aan de berechting of het onderzoek van een bepaalde zaak, deelt hij dit aan de president mede. Ingeval de president van oordeel is, dat een rechter of een advocaat-generaal om een bijzondere reden niet over een bepaalde zaak dient te zitten of te concluderen, stelt hij de betrokkene hiervan in kennis.

In geval van moeilijkheden nopens de toepassing van dit artikel beslist het Hof van Justitie.

Partijen kunnen geen wijziging in de samenstelling van het Hof of van een van zijn kamers verlangen met een beroep op de nationaliteit van een rechter, of op het feit, dat in het Hof of in een van zijn kamers een rechter van hun nationaliteit ontbreekt.

TITEL III PROCEDURE VOOR HET HOF VAN JUSTITIE[bewerken]

Artikel 19[bewerken]

De lidstaten zowel als de instellingen van de Unie worden voor het Hof van Justitie vertegenwoordigd door een voor elke zaak benoemde gemachtigde. De gemachtigde kan door een raadsman of door een advocaat worden bijgestaan.

De staten — niet zijnde lidstaten — die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, alsmede de in die Overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) worden op gelijke wijze vertegenwoordigd.

De andere partijen moeten door een advocaat worden vertegenwoordigd.

Alleen een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, kan een partij voor het Hof vertegenwoordigen of bijstaan.

De gemachtigden, raadslieden en advocaten, die voor het Hof verschijnen, genieten de voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies nodige rechten en waarborgen, overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen.

Ten aanzien van de raadslieden en advocaten die voor het Hof optreden, geniet het Hof dezelfde bevoegdheden als op dit gebied in de regel zijn toegekend aan gerechtshoven en rechtbanken, overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen.

Hoogleraren die onderdaan zijn van een lidstaat waarvan de wetgeving hun het recht toekent te pleiten, genieten voor het Hof de rechten die in dit artikel aan de advocaten zijn toegekend.

Artikel 20[bewerken]

De procedure voor het Hof van Justitie bestaat uit twee gedeelten: de schriftelijke en de mondelinge behandeling.

De schriftelijke behandeling omvat het toezenden aan partijen en aan de instellingen, organen of instanties van de Unie waarvan de handelingen in het geding zijn, van de verzoekschriften, memories, verweerschriften en opmerkingen en, eventueel, replieken, alsmede van alle stukken en documenten welke ter ondersteuning in het geding worden gebracht of van hun voor eensluidend gewaarmerkte afschriften.

De toezending geschiedt door tussenkomst van de griffier in de volgorde en binnen de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde termijnen.

De mondelinge behandeling omvat de voorlezing van het rapport van de rechter-rapporteur, alsmede het horen door het Hof van de gemachtigden, raadslieden en advocaten, en van de advocaat-generaal in zijn conclusie, benevens, zo nodig, het horen van getuigen en deskundigen.

Wanneer het Hof van oordeel is dat in de zaak geen nieuwe rechtsvraag aan de orde is, kan het Hof, de advocaat-generaal gehoord, beslissen dat de zaak zonder conclusie van de advocaat-generaal zal worden berecht.

Artikel 21[bewerken]

Een zaak wordt bij het Hof van Justitie aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift, dat aan de griffier wordt toegezonden. Het verzoekschrift moet inhouden de naam en woonplaats van de verzoeker en de hoedanigheid van de ondertekenaar, de aanduiding van de partij of partijen tegen wie het verzoekschrift is gericht, het onderwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen.

Het moet, indien daartoe aanleiding bestaat, vergezeld gaan van de handeling waarvan nietigverkla-ring wordt gevraagd, of, in het geval bedoeld in artikel III-367 van de Grondwet, van een bewijsstuk van de datum van de in dit artikel bedoelde uitnodiging. Indien deze stukken niet bij het verzoekschrift zijn gevoegd, nodigt de griffier de betrokkene uit deze alsnog binnen een redelijke termijn over te leggen; verval van het recht tot beroep kan niet worden tegengeworpen, indien het verzuim eerst is hersteld na het verstrijken van de termijn van beroep.

Artikel 22[bewerken]

In de in artikel 18 van het EGA-Verdrag bedoelde gevallen wordt bij het Hof van Justitie beroep ingesteld door middel van een verzoekschrift, dat aan de griffier wordt toegezonden. Het verzoekschrift moet inhouden de naam en woonplaats van de verzoeker en de hoedanigheid van de ondertekenaar, de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld, de tegenpartijen, het onderwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen.

Het moet vergezeld gaan van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de betwiste beslissing van de arbitragecommissie.

Indien het Hof het beroep verwerpt, wordt de beslissing van de arbitragecommissie onherroepelijk.

Indien het Hof de beslissing van de arbitragecommissie vernietigt, kan de procedure, wanneer daartoe grond bestaat, op initiatief van een der partijen in het geding voor de arbitragecommissie worden hervat. Deze is aan de door het Hof besliste rechtsvragen gebonden.

Artikel 23[bewerken]

In de in artikel III-369 van de Grondwet bedoelde gevallen wordt van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie die de procedure schorst en een beroep doet op het Hof van Justitie, aan het Hof kennis gegeven op initiatief van die instantie. De griffier van het Hof geeft van deze beslissing vervolgens kennis aan de betrokken partijen, de lidstaten en de Commissie, alsmede aan de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie die de handeling waarvan de geldigheid of de uitlegging wordt betwist, heeft vastgesteld.

Binnen twee maanden na deze laatste kennisgeving hebben de partijen, de lidstaten, de Commissie en, in voorkomend geval, de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie die de handeling waarvan de geldigheid of de uitlegging wordt betwist, heeft vastgesteld, het recht bij het Hof memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen.

Van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie wordt door de griffier van het Hof voorts kennis gegeven aan de staten — niet zijnde lidstaten — die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte alsmede aan de in die overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, die binnen twee maanden na de kennisgeving bij het Hof memories of schriftelijke opmerkingen kunnen indienen wanneer de beslissing een van de toepassingsgebieden van de overeenkomst betreft. Deze alinea is niet van toepassing op aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van het EGA-Verdrag vallen.

Indien in een door de Raad met een of meer derde landen op een bepaald gebied gesloten overeenkomst is bepaald, dat deze landen het recht hebben memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen ingeval een rechterlijke instantie van een lidstaat het Hof een prejudiciële vraag stelt die op het toepassingsgebied van de overeenkomst betrekking heeft, wordt van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie waarin een dergelijke vraag is gesteld, eveneens kennis gegeven aan de betrokken derde landen, die binnen een termijn van twee maanden na deze kennisgeving memories of schriftelijke opmerkingen kunnen indienen bij het Hof.

Artikel 24[bewerken]

Het Hof van Justitie kan partijen verzoeken alle stukken over te leggen en alle inlichtingen te verstrekken, die het nuttig acht. In geval van weigering neemt het Hof hiervan akte.

Het Hof kan eveneens aan de lidstaten en aan de instellingen, organen of instanties van de Unie die geen partij in het proces zijn, verzoeken alle inlichtingen te verstrekken die het voor het proces nodig acht.

Artikel 25[bewerken]

Het Hof van Justitie kan te allen tijde een deskundigenonderzoek opdragen aan personen, lichamen, bureaus, commissies of organen te zijner keuze.

Artikel 26[bewerken]

Getuigen kunnen worden gehoord overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen.

Artikel 27[bewerken]

Ten aanzien van gebrekkige getuigen geniet het Hof van Justitie dezelfde bevoegdheden als op dit gebied in de regel zijn toegekend aan gerechtshoven en rechtbanken, en kan het geldboeten opleggen, een en ander overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen.

Artikel 28[bewerken]

Getuigen en deskundigen kunnen onder ede worden gehoord volgens de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde formule of op de wijze, die in de nationale wetgeving van de getuige of de deskundige is voorgeschreven.

Artikel 29[bewerken]

Het Hof van Justitie kan bevelen, dat een getuige of deskundige door de rechterlijke instantie van zijn woonplaats wordt gehoord.

Dit bevel wordt ter uitvoering gericht tot de bevoegde rechterlijke instantie overeenkomstig de bepalingen van het reglement voor de procesvoering. De stukken ter uitvoering van de moratoire commissie worden op dezelfde wijze aan het Hof teruggezonden.

Het Hof draagt de kosten, doch kan deze eventueel ten laste van partijen brengen.

Artikel 30[bewerken]

Elke lidstaat beschouwt iedere schending van de eed der getuigen en deskundigen als het overeenkomstige strafbare feit bedreven voor een nationale rechtbank die in burgerlijke zaken uitspraak doet. Op aangifte van het Hof van Justitie vervolgt hij de daders van dit strafbare feit voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie.

Artikel 31[bewerken]

De zittingen zijn openbaar, tenzij het Hof van Justitie ambtshalve of op verzoek van partijen om gewichtige redenen anders beslist.

Artikel 32[bewerken]

Tijdens de mondelinge behandeling kan het Hof van Justitie de deskundigen, de getuigen alsook de partijen zelf, horen. Deze laatsten kunnen evenwel slechts pleiten bij monde van hun vertegenwoordiger.

Artikel 33[bewerken]

Van iedere zitting wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de president en de griffier wordt ondertekend.

Artikel 34[bewerken]

De rol der terechtzittingen wordt door de president vastgesteld.

Artikel 35[bewerken]

De beraadslagingen van het Hof van Justitie zijn en blijven geheim.

Artikel 36[bewerken]

De arresten zijn met redenen omkleed. Zij vermelden de namen van de rechters die hebben beslist.

Artikel 37[bewerken]

De arresten worden ondertekend door de president en de griffier. Zij worden in openbare zitting uitgesproken.

Artikel 38[bewerken]

Het Hof van Justitie geeft een beslissing ten aanzien van de proceskosten.

Artikel 39[bewerken]

De president van het Hof van Justitie kan volgens een summiere procedure, die voorzover nodig afwijkt van sommige regels van dit statuut en die wordt vastgesteld bij het reglement voor de procesvoering, uitspraak doen op conclusies, strekkende ofwel tot verkrijging van de in artikel III-379, lid 1, van de Grondwet en artikel 157 van het EGA-Verdrag bedoelde opschorting, ofwel tot toepassing van voorlopige maatregelen krachtens artikel III-379, lid 2, van de Grondwet, ofwel tot schorsing van de gedwongen tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel III-401, vierde alinea, van de Grondwet of artikel 164, derde alinea, van het EGA-Verdrag.

Bij verhindering van de president wordt deze door een andere rechter vervangen overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen.

De door de president of zijn plaatsvervanger gegeven beschikking heeft slechts een voorlopig karakter en prejudicieert niet op de beslissing van het Hof ten principale.

Artikel 40[bewerken]

De lidstaten en de instellingen van de Unie kunnen zich voegen in een voor het Hof van Justitie aanhangig rechtsgeding.

Hetzelfde recht komt toe aan de organen en instanties van de Unie en elke andere persoon indien zij aannemelijk kunnen maken belang te hebben bij de beslissing van het voor het Hof aanhangige rechtsgeding. Natuurlijke of rechtspersonen kunnen zich niet voegen in rechtsgedingen tussen lidstaten, tussen instellingen van de Unie, of tussen lidstaten enerzijds en instellingen van de Unie anderzijds.

Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea kunnen de staten — niet zijnde lidstaten — die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, alsmede de in die overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, zich voegen in een voor het Hof aanhangig rechtsgeding, wanneer dit een der toepassingsgebieden van die overeenkomst betreft.

De conclusies van het verzoek tot voeging kunnen slechts strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen.

Artikel 41[bewerken]

Wanneer de verwerende partij, ofschoon regelmatig in het geding geroepen, nalaat schriftelijk conclusies in te dienen, wordt het arrest tegen haar bij verstek gewezen. Het arrest is vatbaar voor verzet binnen een maand na zijn betekening. Tenzij het Hof van Justitie anders bepaalt, schorst het verzet de tenuitvoerlegging van het bij verstek gewezen arrest niet.

Artikel 42[bewerken]

De lidstaten, de instellingen, organen en bureaus van de Unie en alle andere natuurlijke of rechtspersonen kunnen, in de gevallen en overeenkomstig de bepalingen die worden vastgesteld in het reglement voor de procesvoering, derdenverzet instellen tegen de arresten gewezen in rechtsgedingen waarin zij niet geroepen zijn geweest, indien hun rechten door deze arresten worden geschaad.

Artikel 43[bewerken]

In geval van moeilijkheden aangaande de betekenis en de strekking van een arrest, legt het Hof van Justitie dit uit, op verzoek van een der partijen of van een instelling van de Unie die haar belang terzake aannemelijk maakt.

Artikel 44[bewerken]

Het Hof van Justitie kan slechts om herziening van een arrest worden verzocht op grond van de ontdekking van een feit dat van beslissende invloed kan zijn en dat vóór de uitspraak van het arrest onbekend was aan het Hof en aan de partij die om herziening verzoekt.

De herzieningsprocedure begint met een arrest waarbij het Hof uitdrukkelijk het bestaan van een nieuw feit vaststelt, oordeelt dat het grond tot herziening oplevert en uit dien hoofde het verzoek ontvankelijk verklaart.

Om herziening kan niet meer worden verzocht na verloop van tien jaar te rekenen van de dagtekening van het arrest.

Artikel 45[bewerken]

In het reglement voor de procesvoering worden termijnen wegens afstand vastgesteld.

Verval van instantie wegens het verstrijken van een procestermijn kan niet worden tegengeworpen, wanneer de betrokkene toeval of overmacht aantoont.

Artikel 46[bewerken]

De vorderingen tegen de Unie inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven. De verjaring wordt gestuit, hetzij door een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, dat de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Unie. In het laatste geval moet het beroep worden ingesteld binnen de termijn van twee maanden, bepaald in artikel III-365 van de Grondwet. Artikel III-367, tweede alinea, van de Grondwet is van toepassing.

Dit artikel is tevens van toepassing op vorderingen tegen de Europese Centrale Bank inzake nietcontractuele aansprakelijkheid.

TITEL IV HET GERECHT[bewerken]

Artikel 47[bewerken]

Artikel 9, eerste alinea, en de artikelen 14 en 15, artikel 17, eerste, tweede, vierde en vijfde alinea, en artikel 18 zijn van toepassing op het Gerecht en op zijn leden.

De artikelen 10, 11 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op de griffier van het Gerecht.

Artikel 48[bewerken]

Het Gerecht bestaat uit vijfentwintig rechters.

Artikel 49[bewerken]

De leden van het Gerecht kunnen worden aangewezen om de functie van advocaat-generaal te bekleden.

De advocaat-generaal heeft tot taak in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken die aan het Gerecht zijn voorgelegd, teneinde dit ter zijde te staan bij de vervulling van zijn taak.

De criteria voor de selectie van de zaken en de wijze waarop de advocaten-generaal worden aangewezen, worden vastgesteld in het reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

Een lid van het Gerecht dat is aangewezen om in een zaak de functie van advocaat-generaal te bekleden, mag niet deelnemen aan de berechting van die zaak.

Artikel 50[bewerken]

Het Gerecht houdt zitting in kamers bestaande uit drie of vijf rechters. De rechters kiezen uit hun midden de kamerpresident. De presidenten van de kamers van vijf rechters worden voor drie jaar gekozen. Zij zijn eenmaal herbenoembaar.

Het reglement voor de procesvoering regelt de samenstelling van de kamers en bepaalt van welke zaken zij kennis nemen. In sommige, door het reglement voor de procesvoering vastgestelde gevallen, kan het Gerecht voltallig of in enkelvoudige kamer zitting houden.

Het reglement voor de procesvoering kan ook bepalen dat, in de gevallen en onder de voorwaarden die daarin worden vastgesteld, het Gerecht in grote kamer zitting houdt.

Artikel 51[bewerken]

In afwijking van het bepaalde in artikel III-358, lid 1, van de Grondwet zijn aan het Hof van Justitie voorbehouden de in de artikelen III-365 en III-367 van de Grondwet bedoelde beroepen die door een lidstaat worden ingesteld tegen

a) een handeling of een nalaten te besluiten van het Europees Parlement of de Raad, of van beide instellingen tezamen, met uitzondering van:

— de Europese besluiten van de Raad op grond van artikel III-168, lid 2, derde alinea, van de Grondwet;

— de handelingen van de Raad op grond van een handeling van de Raad betreffende de handelspolitieke beschermingsmaatregelen in de zin van artikel III-315 van de Grondwet;

— de handelingen van de Raad waarbij deze uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig artikel I-37, lid 2, van de Grondwet uitoefent;

b) een handeling of een nalaten te besluiten van de Commissie op grond van artikel III-420, lid 1, van de Grondwet.

Eveneens aan het Hof van Justitie voorbehouden zijn de in voornoemde artikelen bedoelde beroepen die door een instelling van de Unie worden ingesteld tegen een handeling of een nalaten te besluiten van het Europees Parlement, de Raad, deze beide instellingen tezamen of de Commissie, en door een instelling tegen een handeling of een nalaten te besluiten van de Europese Centrale Bank.

Artikel 52[bewerken]

De president van het Hof van Justitie en de president van het Gerecht bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop ambtenaren en andere personeelsleden bij het Hof in het belang van de dienst hun diensten aan het Gerecht verlenen. Bepaalde ambtenaren of andere personeelsleden ressorteren onder de griffier van het Gerecht, onder het gezag van de president van het Gerecht.

Artikel 53[bewerken]

De procedure voor het Gerecht wordt geregeld in titel III.

De procedure voor het Gerecht wordt, voorzover nodig, gepreciseerd en aangevuld door het reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Het reglement voor de procesvoering kan afwijken van artikel 40, vierde alinea, en van artikel 41, wanneer dat wegens de bijzonderheden van de geschillen op het gebied van de intellectuele eigendom noodzakelijk is.

In afwijking van artikel 20, vierde alinea, kan de advocaat-generaal zijn met redenen omklede conclusie schriftelijk nemen.

Artikel 54[bewerken]

Wanneer een tot het Gerecht gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Hof van Justitie, wordt het door hem onverwijld doorgezonden naar de griffier van het Gerecht. Evenzo, wanneer een tot het Hof gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Gerecht, wordt het door hem onverwijld doorgezonden naar de griffier van het Hof.

Wanneer het Gerecht vaststelt dat het niet bevoegd is kennis te nemen van een beroep ten aanzien waarvan het Hof bevoegd is, verwijst het de zaak naar het Hof. Evenzo, wanneer het Hof vaststelt dat een beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, verwijst het de zaak naar het Gerecht dat zich dan niet onbevoegd kan verklaren.

Wanneer bij het Hof en het Gerecht zaken aanhangig worden gemaakt die hetzelfde voorwerp hebben of die dezelfde vraag van uitlegging dan wel de geldigheid van dezelfde handeling betreffen, kan het Gerecht, de partijen gehoord, de behandeling schorsen totdat het Hof arrest heeft gewezen, dan wel, als het beroepen op grond van artikel III-365 van de Grondwet of artikel 146 van het EGAVerdrag betreft, zich onbevoegd verklaren opdat het Hof uitspraak kan doen op die beroepen. Onder dezelfde voorwaarden kan ook het Hof besluiten zijn behandeling te schorsen. De procedure voor het Gerecht vindt dan doorgang.

Wanneer een lidstaat en een instelling eenzelfde handeling betwisten, verklaart het Gerecht zich onbevoegd opdat het Hof uitspraak kan doen op die beroepen.

Artikel 55[bewerken]

Van eindbeslissingen van het Gerecht, beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident terzake van onbevoegdheid of nietontvankelijkheid, geeft de griffier van het Gerecht kennis aan alle partijen, alsook aan alle lidstaten en aan de instellingen van de Unie, zelfs indien deze zich niet in de zaak voor het Gerecht hebben gevoegd.

Artikel 56[bewerken]

Uiterlijk binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de bestreden beslissing kan bij het Hof van Justitie een verzoek om hogere voorziening worden ingediend tegen eindbeslissingen van het Gerecht, alsmede tegen beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident terzake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid.

Hogere voorziening staat open voor iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Voor andere interveniërende partijen dan lidstaten en instellingen van de Unie staat hogere voorziening evenwel slechts open, wanneer de beslissing van het Gerecht hun situatie rechtstreeks aantast.

Met uitzondering van zaken betreffende geschillen tussen de Unie en hun personeelsleden, staat hogere voorziening eveneens open voor de lidstaten en de instellingen van de Unie die zich niet in het geding voor het Gerecht hebben gevoegd. In dit geval verschilt de positie van die lidstaten en instellingen niet van de positie van lidstaten of instellingen die in eerste aanleg zouden zijn geïntervenieerd.

Artikel 57[bewerken]

Hogere voorziening bij het Hof van Justitie staat open tegen beslissingen van het Gerecht waarbij een verzoek tot interventie wordt afgewezen. Het verzoek om hogere voorziening moet door degene wiens verzoek is afgewezen, worden ingediend binnen twee weken, te rekenen vanaf de betekening van de afwijzende beslissing.

Tegen iedere beslissing die door het Gerecht krachtens artikel III-379, leden 1 en 2 of artikel III-401, vierde alinea, van de Grondwet dan wel krachtens artikel 157 of artikel 164, derde alinea, van het EGA-Verdrag wordt genomen, staat voor de partijen in het geding hogere voorziening open gedurende twee maanden vanaf de betekening ervan.

Over de in de eerste en tweede alinea bedoelde hogere voorziening wordt beslist volgens de in artikel 39 bedoelde procedure.

Artikel 58[bewerken]

Het verzoek aan het Hof van Justitie om hogere voorziening kan alleen rechtsvragen betreffen. Het kan gebaseerd zijn op middelen, ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, op onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, of op schending van het recht van de Unie door het Gerecht.

Het verzoek om hogere voorziening kan niet uitsluitend betrekking hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten.

Artikel 59[bewerken]

In geval van hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht omvat de procedure voor het Hof van Justitie een schriftelijk en een mondeling gedeelte. Onder de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde voorwaarden kan het Hof, de advocaat-generaal en de partijen gehoord, zonder mondelinge behandeling beslissen.

Artikel 60[bewerken]

Onverminderd artikel III-379, leden 1 en 2, van de Grondwet dan wel artikel 157 van het EGA-Verdrag, heeft het verzoek om hogere voorziening geen opschortende werking.

In afwijking van artikel III-380 van de Grondwet treden beslissingen van het Gerecht houdende nietigverklaring van een Europese wet of een Europese verordening die verbindend is in al haar onderdelen en die rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat, eerst in werking na afloop van de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van dit statuut, of, indien binnen deze termijn een verzoek om hogere voorziening is ingediend, nadat dit verzoek is verworpen, onverminderd het feit dat een partij het Hof van Justitie krachtens artikel III-379, leden 1 en 2, van de Grondwet dan wel artikel 157 van het EGA-Verdrag kan verzoeken om opschorting van de werking van de nietig verklaarde Europese wet of Europese verordening of om enige andere voorlopige maatregel.

Artikel 61[bewerken]

In geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening vernietigt het Hof van Justitie de beslissing van het Gerecht. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.

Indien de zaak wordt verwezen, is het Gerecht gebonden aan de beslissing van het Hof over de rechtsvragen.

In geval van gegrondheid van een verzoek om hogere voorziening van een lidstaat of een instelling van de Unie die zich niet in de zaak voor het Gerecht heeft gevoegd, kan het Hof, indien het zulks noodzakelijk acht, verklaren welke gevolgen van de vernietigde beslissing van het Gerecht als definitief worden beschouwd ten aanzien van de andere partijen in het geschil.

Artikel 62[bewerken]

In de in artikel III-358, leden 2 en 3, van de Grondwet bedoelde gevallen kan de eerste advocaatgeneraal het Hof van Justitie voorstellen, de beslissing van het Gerecht te heroverwegen, wanneer hij van oordeel is dat er een ernstig risico bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.

Het voorstel moet binnen een maand na de uitspraak van het Gerecht gedaan worden. Het Hof beslist binnen een maand na het door de eerste advocaat-generaal gedane voorstel of heroverweging van de uitspraak noodzakelijk is.

TITEL V SLOTBEPALINGEN[bewerken]

Artikel 63[bewerken]

Het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie en van het Gerecht bevat alle bepalingen die nodig zijn voor de toepassing en, voorzover nodig, de aanvulling van dit statuut.

Artikel 64[bewerken]

De bepalingen inzake de talenregeling die van toepassing is op het Hof van Justitie van de Europese Unie worden door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld bij Europese verordening. Die verordening wordt vastgesteld op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van de Commissie en het Europees Parlement, of op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Hof van Justitie en het Europees Parlement.

Zolang die bepalingen niet zijn vastgesteld, zijn de bepalingen van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie en die van het reglement voor de procesvoering van het Gerecht inzake de talenregeling van toepassing. In afwijking van het bepaalde in de artikelen III-355 en III 356 van de Grondwet, moet iedere wijziging of intrekking van die bepalingen door de Raad met eenparigheid van stemmen worden goedgekeurd.

Artikel 65[bewerken]

1. In afwijking van artikel IV-437 van de Grondwet blijven wijzigingen van het protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en aan het EGA-Verdrag, die na de ondertekening en voor de inwerking treding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden vastgesteld, van kracht.

2. De in lid 1 bedoelde wijzigingen worden in het corpus van dit statuut opgenomen door een officiële codificatie door middel van een Europese wet van de Raad, die op verzoek van het Hof van Justitie wordt vastgesteld. Wanneer die Europese wet houdende codificatie in werking treedt, vervalt dit artikel.

4. PROTOCOL TOT VASTSTELLING VAN HET STATUUT VAN HET EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN EN VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK[bewerken]

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

GELEID DOOR DE WENS het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, bedoeld in de artikelen I-30 en III-187, lid 2, van de Grondwet, vast te stellen,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

HOOFDSTUK I EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN[bewerken]

Artikel 1 Europees Stelsel van Centrale Banken[bewerken]

1. Overeenkomstig artikel I-30, lid 1, van de Grondwet vormen de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken het Europees Stelsel van Centrale Banken. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben, vormen het Eurostelsel.

2. Het Europees Stelsel van Centrale Banken en de Europese Centrale Bank voeren hun taken en werkzaamheden uit overeenkomstig de Grondwet en dit statuut.

HOOFDSTUK II DOELSTELLINGEN EN TAKEN VAN HET EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN[bewerken]

Artikel 2 Doelstellingen[bewerken]

Overeenkomstig artikel I-30, lid 2, en artikel III-185, lid 1, van de Grondwet is het hoofddoel van het Europees Stelsel van Centrale Banken het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd dit doel ondersteunt het Europees Stelsel van Centrale Banken het algemene economische beleid in de Unie teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel I-3 van de Grondwet omschreven doelstellingen van de Unie. Het Europees Stelsel van Centrale Banken handelt in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel III-177 van de Grondwet.

Artikel 3 Taken[bewerken]

1. Overeenkomstig artikel III-185, lid 2, van de Grondwet zijn de via het Europees Stelsel van Centrale Banken uit te voeren fundamentele taken:

a) het bepalen en uitvoeren van het monetair beleid van de Unie;

b) het verrichten van valutamarktoperaties overeenkomstig met artikel III-326 van de Grondwet;

c) het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves van de lidstaten;

d) het bevorderen van een goede werking van het betalingsverkeer.

2. Overeenkomstig artikel III-185, lid 3, van de Grondwet laat lid 1, onder punt c), van dit artikel het aanhouden en beheren van werksaldi in buitenlandse valuta's door de regeringen van de lidstaten onverlet.

3. Overeenkomstig artikel III-185, lid 5, van de Grondwet draagt het Europees Stelsel van Centrale Banken bij tot een goede beleidsvoering van de bevoegde autoriteiten ten aanzien van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel.

Artikel 4 Adviesfuncties[bewerken]

Overeenkomstig artikel III-185, lid 4, van de Grondwet wordt de Europese Centrale Bank geraadpleegd:

a) over elk voorstel voor een handeling van de Unie op de gebieden die onder haar verantwoordelijkheid vallen;

b) door de nationale autoriteiten over ieder ontwerp van regelgeving op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, doch binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Raad volgens de procedure van artikel 41 vaststelt.

De Europese Centrale Bank kan advies uitbrengen aan de instellingen, organen of instanties van de Unie of aan nationale autoriteiten omtrent aangelegenheden op de gebieden die onder haar verantwoordelijkheid vallen.

Artikel 5 Verzamelen van statistische gegevens[bewerken]

1. Teneinde de taken van het Europees Stelsel van Centrale Banken te kunnen vervullen, verzamelt de Europese Centrale Bank, bijgestaan door de nationale centrale banken, de benodigde statistische gegevens, hetzij bij de bevoegde nationale autoriteiten hetzij rechtstreeks bij de economische subjecten. Hiertoe werkt zij samen met de instellingen, organen of instanties van de Unie en met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of van derde landen en met internationale organisaties.

2. De nationale centrale banken voeren, voorzover mogelijk, de in lid 1 bedoelde taken uit.

3. De Europese Centrale Bank draagt waar nodig bij tot de harmonisatie van de regels en werkwijzen voor het verzamelen, opmaken en verspreiden van statistieken betreffende de gebieden die onder haar verantwoordelijkheid vallen.

4. De Raad bepaalt volgens de procedure van artikel 41 welke natuurlijke en rechtspersonen onderworpen zijn aan rapportageverplichtingen, hoe de geheimhoudingsplicht wordt geregeld, en hoe wordt voorzien in passende handhavingsbepalingen.

Artikel 6 Internationale samenwerking[bewerken]

1. Op het terrein van de internationale samenwerking met betrekking tot de aan het Europees Stelsel van Centrale Banken opgedragen taken besluit de Europese Centrale Bank hoe het Europees Stelsel van Centrale Banken wordt vertegenwoordigd.

2. De Europese Centrale Bank en, met haar toestemming, de nationale centrale banken kunnen participeren in internationale monetaire instellingen.

3. Lid 1 en lid 2 laten artikel III-196 van de Grondwet onverlet.

HOOFDSTUK III ORGANISATIE VAN HET EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN[bewerken]

Artikel 7 Onafhankelijkheid[bewerken]

Overeenkomstig artikel III-188 van de Grondwet is het de Europese Centrale Bank, noch een nationale centrale bank noch enig lid van hun besluitvormende organen toegestaan bij de uitoefening van de bevoegdheden en het vervullen van de taken en plichten die bij de Grondwet en dit statuut aan hen zijn opgedragen, instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden van instellingen, organen of instanties van de Unie, van regeringen van lidstaten of van enig ander orgaan. De instellingen, organen of instanties van de Unie alsmede de regeringen van de lidstaten verplichten zich ertoe dit beginsel te eerbiedigen en niet te trachten de leden van de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank of van de nationale centrale banken bij de uitvoering van hun taken te beïnvloeden.

Artikel 8 Algemene grondslag[bewerken]

Het Europees Stelsel van Centrale Banken wordt bestuurd door de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank.

Artikel 9 Europese Centrale Bank[bewerken]

1. De Europese Centrale Bank, die overeenkomstig artikel I-30, lid 3, van de Grondwet rechtspersoonlijkheid bezit, heeft in elk van de lidstaten de ruimste handelingsbevoegdheid die door de wetgeving van de betrokken lidstaat aan rechtspersonen wordt toegekend. De Europese Centrale Bank kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden.

2. De Europese Centrale Bank heeft tot taak erop toe te zien dat de bij artikel III-185, leden 2, 3 en 5, van de Grondwet aan het Europees Stelsel van Centrale Banken opgedragen taken worden uitgevoerd, hetzij door eigen werkzaamheden overeenkomstig dit statuut hetzij via de nationale centrale banken, overeenkomstig artikel 12, lid 1, en artikel 14.

3. Overeenkomstig artikel III-187, lid 1, van de Grondwet zijn de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank de Raad van bestuur en de directie.

Artikel 10 Raad van bestuur[bewerken]

1. Overeenkomstig artikel III-382, lid 1, van de Grondwet bestaat de Raad van bestuur uit de leden van de directie en de presidenten van de nationale centrale banken van de lidstaten die vallen onder een derogatie in de zin van artikel III-197 van de Grondwet.

2. Ieder lid van de Raad van bestuur heeft één stem. Met ingang van de datum waarop het aantal leden van de Raad van bestuur meer dan eenentwintig bedraagt, heeft ieder lid van de directie één stem en hebben vijftien presidenten stemrecht. De toewijzing en de roulatie van deze stemrechten geschieden als volgt:

a) met ingang van de datum waarop het aantal presidenten hoger is dan vijftien, en totdat het tweeëntwintig bedraagt, worden de presidenten in twee groepen gesplitst volgens de rangorde van de omvang van het aandeel van de lidstaat van de betrokken nationale centrale bank in het totale bruto binnenlands product tegen marktprijzen en in de totale geaggregeerde balans van de monetaire financiële instellingen van de lidstaten die de euro als munt hebben. Het aandeel in het totale bruto binnenlands product tegen marktprijzen en in de totale geaggregeerde balans van de monetaire financiële instellingen krijgt een gewicht van respectievelijk 5/6 en 1/6. De eerste groep bestaat uit vijf presidenten en de tweede groep uit de overige presidenten. De frequentie van de stemrechten van de bij de eerste groep ingedeelde presidenten is niet lager dan voor de presidenten van de tweede groep. Onder voorbehoud van de vorige zin, krijgt de eerste groep vier stemrechten toegewezen en de tweede groep elf stemrechten;

b) met ingang van de datum waarop het aantal presidenten tweeëntwintig bedraagt, worden de presidenten volgens een op basis van de onder a) genoemde criteria vastgestelde rangorde in drie groepen gesplitst. De eerste groep bestaat uit vijf presidenten en krijgt vier stemrechten toegewezen. De tweede groep bestaat uit de helft van het totale aantal presidenten, waarbij iedere fractie naar boven wordt afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, en krijgt acht stemrechten toegewezen. De derde groep bestaat uit de overige presidenten en krijgt drie stemrechten toegewezen;

c) binnen elke groep hebben de presidenten het stemrecht gedurende eenzelfde periode;

d) op de berekening van het aandeel in het totale bruto binnenlands product tegen marktprijzen is artikel 29, lid 2, van toepassing. De totale geaggregeerde balans van de monetaire financiële instellingen wordt berekend overeenkomstig het ten tijde van de berekening in de Unie toepasselijke statistische kader;

e) telkens wanneer het geaggregeerde bruto binnenlands product tegen marktprijzen overeenkomstig artikel 29, lid 3, wordt aangepast, dan wel telkens wanneer het aantal presidenten toeneemt, wordt overeenkomstig de in deze alinea bedoelde beginselen de omvang en/of de samenstelling van de groepen aangepast;

f) met tweederde meerderheid van de leden, die al dan niet stemrecht hebben, neemt de Raad van bestuur alle voor de toepassing van de in deze alinea bedoelde beginselen noodzakelijke maatregelen en kan hij besluiten de invoering van het roulatiesysteem uit te stellen totdat het aantal presidenten meer dan achttien bedraagt.

Slechts persoonlijk aanwezige leden hebben stemrecht. In afwijking van deze regel kan in het in artikel 12, lid 3, bedoelde reglement van orde worden bepaald dat leden van de Raad van bestuur hun stem via een teleconferentie kunnen uitbrengen. Dat reglement van orde bepaalt tevens dat een lid van de Raad van bestuur dat langdurig verhinderd is de vergaderingen van de Raad van bestuur bij te wonen, een plaatsvervanger kan aanwijzen als lid van de Raad van bestuur.

De eerste en de tweede alinea laten de stemrechten van alle leden van de Raad van bestuur, al dan niet met stemrecht, krachtens lid 3 en artikel 40, leden 2 en 3, onverlet. Tenzij in dit statuut anders is bepaald, besluit de Raad van bestuur met gewone meerderheid van de leden met stemrecht. Bij staking van stemmen is de stem van de president beslissend.

De Raad van bestuur kan alleen tot stemming overgaan, indien een quorum van tweederde van de leden met stemrecht aanwezig is. Indien het quorum niet aanwezig is, kan de president een buitengewone vergadering bijeenroepen waarin besluiten kunnen worden genomen zonder inachtneming van het quorum.

3. Voor alle besluiten die op grond van de artikelen 28, 29, 30, 32, 33 en 49 dienen te worden genomen, worden de stemmen van de leden van de Raad van bestuur gewogen overeenkomstig de verdeling van het geplaatste kapitaal van de Europese Centrale Bank onder de nationale centrale banken. Aan de stemmen van de directieleden wordt een gewicht van nul toegekend. Een besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt geacht te zijn aangenomen wanneer de stemmen voor het besluit ten minste tweederde van het geplaatste kapitaal van de Europese Centrale Bank en ten minste de helft van de aandeelhouders vertegenwoordigen. Indien een president verhinderd is, mag hij een plaatsvervanger aanwijzen om zijn gewogen stem uit te brengen.

4. De besprekingen van de vergaderingen zijn vertrouwelijk. De Raad van bestuur kan besluiten het resultaat van zijn beraadslagingen openbaar te maken.

5. De Raad van bestuur vergadert ten minste tienmaal per jaar.

Artikel 11 Directie[bewerken]

1. Overeenkomstig artikel III-382, lid 2, eerste alinea, van de Grondwet bestaat de directie uit de president, de vice-president en vier andere leden.

De leden vervullen hun taken voltijds. Geen lid mag een al dan niet bezoldigde beroepswerkzaamheid verrichten, tenzij door de Raad van bestuur bij uitzondering afwijking van deze bepaling is toegestaan.

2. Overeenkomstig artikel III-382, lid 2, van de Grondwet worden de president, de vice-president en de overige leden van de directie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen door de Europese Raad benoemd op aanbeveling van de Raad en na raadpleging van het Europees Parlement en de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank; zij worden gekozen uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied.

Zij worden voor een periode van acht jaar benoemd en zijn niet herbenoembaar.

Alleen zij die de nationaliteit van één van de lidstaten bezitten, kunnen lid van de directie zijn.

3. De arbeidsvoorwaarden van de leden van de directie, in het bijzonder hun salarissen, pensioenen en overige socialezekerheidsvoorzieningen, worden geregeld in overeenkomsten met de Europese Centrale Bank en worden vastgesteld door de Raad van bestuur op voorstel van een commissie bestaande uit drie door de Raad van bestuur benoemde leden en drie door de Raad benoemde leden. De leden van de directie hebben geen stemrecht ten aanzien van de in dit lid bedoelde aangelegenheden.

4. Indien een lid van de directie niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, kan het Hof van Justitie hem op verzoek van de Raad van bestuur of van de directie ambtshalve ontslaan.

5. Ieder lid van de directie dat persoonlijk aanwezig is, heeft stemrecht en bezit daartoe één stem. Tenzij anders is bepaald, besluit de directie met gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de president beslissend. De stemprocedures worden vastgelegd in het in artikel 12, lid 3, bedoelde reglement van orde.

6. De directie draagt de verantwoordelijkheid voor de lopende zaken van de Europese Centrale Bank.

7. In elke vacature bij de directie wordt voorzien door de benoeming van een nieuw lid overeenkomstig lid 2.

Artikel 12 Verantwoordelijkheden van de besluitvormende organen[bewerken]

1. De Raad van bestuur stelt de richtsnoeren vast en neemt de besluiten die nodig zijn voor het vervullen van de bij de Grondwet en dit statuut aan het Europees Stelsel van Centrale Banken opgedragen taken. De Raad van bestuur formuleert het monetair beleid van de Unie, in voorkomend geval met inbegrip van besluiten met betrekking tot intermediaire monetaire doelstellingen, de belangrijkste rentetarieven en de liquiditeitsvoorziening in het Europees Stelsel van Centrale Banken, en stelt de nodige richtsnoeren op voor de uitvoering ervan.

De directie voert het monetair beleid uit overeenkomstig de richtsnoeren en besluiten van de Raad van bestuur. In dat kader geeft de directie de nodige instructies aan de nationale centrale banken. Tevens kunnen aan de directie bij besluit van de Raad van bestuur bepaalde bevoegdheden worden gedelegeerd.

De Europese Centrale Bank doet, voorzover zulks mogelijk en passend wordt geacht en onverminderd dit artikel, een beroep op de nationale centrale banken voor de uitvoering van tot de taken van het Europees Stelsel van Centrale Banken behorende operaties.

2. De directie is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van de Raad van bestuur.

3. De Raad van bestuur neemt een reglement van orde aan waarin de interne organisatie van de Europese Centrale Bank en haar besluitvormende organen wordt geregeld.

4. De Raad van bestuur oefent de in artikel 4 bedoelde adviesfuncties uit.

5. De Raad van bestuur neemt de in artikel 6 bedoelde besluiten.

Artikel 13 President[bewerken]

1. De president of, bij diens afwezigheid, de vice-president zit de vergaderingen van de Raad van bestuur en van de directie van de Europese Centrale Bank voor.

2. Onverminderd artikel 38 vertegenwoordigt de president of de door hem aangewezen persoon de Europese Centrale Bank naar buiten toe.

Artikel 14 Nationale centrale banken[bewerken]

1. Overeenkomstig artikel III-189 van de Grondwet waarborgt iedere lidstaat dat zijn nationale wetgeving, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank, verenigbaar is met de Grondwet en dit statuut.

2. De statuten van de nationale centrale banken bepalen in het bijzonder dat de ambtstermijn van een president van een nationale centrale bank minimaal vijf jaar is.

Een president kan slechts van zijn ambt worden ontheven indien hij niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten. Tegen een besluit daartoe kan de betrokken president of de Raad van bestuur beroep instellen bij het Hof van Justitie wegens schending van de Grondwet of van bepalingen ter uitvoering daarvan. Het beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van het besluit, vanaf de dag van kennisgeving ervan aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gekregen.

3. De nationale centrale banken maken een integrerend deel uit van het Europees Stelsel van Centrale Banken en handelen in overeenstemming met de richtsnoeren en instructies van de Europese Centrale Bank. De Raad van bestuur neemt de nodige maatregelen teneinde te verzekeren dat aan de richtsnoeren en instructies van de Europese Centrale Bank wordt voldaan, en eist dat hem alle benodigde informatie wordt verstrekt.

4. De nationale centrale banken mogen andere functies vervullen dan die omschreven in dit statuut, tenzij de Raad van bestuur met een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen vaststelt dat deze functies de doelstellingen en taken van het Europees Stelsel van Centrale Banken doorkruisen. Bedoelde functies worden onder verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de nationale centrale banken vervuld en worden niet geacht deel uit te maken van de functies van het Europees Stelsel van Centrale Banken.

Artikel 15 Rapportageplicht[bewerken]

1. De Europese Centrale Bank stelt, ten minste elk kwartaal, verslagen op over de werkzaamheden van het Europees Stelsel van Centrale Banken en maakt deze openbaar.

2. Wekelijks wordt een geconsolideerd financieel overzicht van het Europees Stelsel van Centrale Banken openbaar gemaakt.

3. Overeenkomstig artikel III-383, lid 3, van de Grondwet stelt de Europese Centrale Bank voor het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad en de Commissie een jaarverslag op over de werkzaamheden van het Europees Stelsel van Centrale Banken en over het monetair beleid in het afgelopen jaar en het lopende jaar.

4. De in dit artikel bedoelde verslagen en overzichten worden aan belangstellenden gratis ter beschikking gesteld.

Artikel 16 Bankbiljetten[bewerken]

Overeenkomstig artikel III-186, lid 1, van de Grondwet heeft de Raad van bestuur het alleenrecht machtiging te geven tot de uitgifte van eurobankbiljetten binnen de Unie. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken mogen dergelijke bankbiljetten uitgeven. De door de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken uitgegeven bankbiljetten zijn de enige bankbiljetten die binnen de Unie de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben.

De Europese Centrale Bank eerbiedigt zoveel mogelijk de bestaande gebruiken inzake de uitgifte en het ontwerp van bankbiljetten.

HOOFDSTUK IV MONETAIRE FUNCTIES EN WERKZAAMHEDEN VAN HET EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN[bewerken]

Artikel 17 Rekeningen aangehouden bij de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken[bewerken]

Teneinde hun werkzaamheden te kunnen verrichten, zijn de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken gerechtigd rekeningen te openen ten behoeve van kredietinstellingen, openbare lichamen en andere marktpartijen, en activa, waaronder girale effecten, in onderpand te aanvaarden.

Artikel 18 Openmarkt- en krediettransacties[bewerken]

1. Om de doelstellingen van het Europees Stelsel van Centrale Banken te kunnen verwezenlijken en de taken ervan te kunnen vervullen, mogen de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken:

a) op de financiële markten opereren door aan- en verkoop, hetzij onvoorwaardelijk (contant en op termijn) hetzij onder beding van wederverkoop, respectievelijk wederaankoop, door het in lening geven of nemen van vorderingen en verhandelbaar papier, luidende in euro of andere valuta's, evenals van edele metalen;

b) krediettransacties verrichten met kredietinstellingen en andere marktpartijen, waarbij de verleende kredieten worden gedekt door toereikend onderpand.

2. De Europese Centrale Bank stelt de algemene grondslagen vast voor door haarzelf of de nationale centrale banken uit te voeren openmarkt- en krediettransacties, waaronder mede begrepen die voor de aankondiging van de voorwaarden waaronder zij bereid zijn dergelijke transacties aan te gaan.

Artikel 19 Minimumreserves[bewerken]

1. Behoudens artikel 2 kan de Europese Centrale Bank eisen dat in de lidstaten gevestigde kredietinstellingen, met het oog op de doelstellingen van het monetair beleid, bij de Europese Centrale Bank en nationale centrale banken bepaalde minimumreserves aanhouden. De Raad van bestuur kan voorschriften omtrent de berekening en vaststelling van het vereiste bedrag vaststellen. Indien aan deze voorschriften niet wordt voldaan, is de Europese Centrale Bank gerechtigd boeterente te heffen en andere sancties met een vergelijkbaar effect op te leggen.

2. Voor de toepassing van dit artikel stelt de Raad volgens de procedure van artikel 41 de grondslag voor de minimumreserves en de maximaal toelaatbare ratio's tussen die reserves en hun grondslag vast, alsook passende sancties bij niet-naleving.

Artikel 20 Andere instrumenten van monetair beleid[bewerken]

De Raad van bestuur kan, bij meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen, met inachtneming van artikel 2 besluiten tot het gebruik van alle andere door hem passend geachte instrumenten van monetair beleid.

Indien die instrumenten verplichtingen voor derden meebrengen, stelt de Raad, volgens de procedure van artikel 41, de reikwijdte ervan vast.

Artikel 21 Transacties met openbare lichamen[bewerken]

1. Overeenkomstig artikel III-181 van de Grondwet is het de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken verboden voorschotten in rekening-courant of andere kredietfaciliteiten te verlenen aan instellingen, organen of instanties van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, overheidsinstanties, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten. Ook het rechtstreeks van hen kopen van schuldbewijzen door de Europese Centrale Bank of de nationale centrale banken is verboden.

2. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken mogen optreden als „fiscal agent” voor de in lid 1 bedoelde lichamen.

3. Dit artikel is niet van toepassing op kredietinstellingen die in handen van de overheid zijn en waaraan in het kader van de liquiditeitsvoorziening door de centrale banken dezelfde behandeling door de nationale centrale banken en de Europese Centrale Bank wordt gegeven als aan particuliere kredietinstellingen.

Artikel 22 Verrekenings- en betalingssystemen[bewerken]

De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken zijn gerechtigd faciliteiten ter beschikking te stellen en de Europese Centrale Bank kan verordeningen vaststellen ter verzekering van doelmatige en deugdelijke verrekenings- en betalingssystemen binnen de Unie en met derde landen.

Artikel 23 Externe werkzaamheden[bewerken]

De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken mogen:

a) betrekkingen aangaan met centrale banken en financiële instellingen in andere landen en, waar passend, met internationale organisaties;

b) zowel contant als op termijn alle soorten deviezen en edele metalen kopen en verkopen. Het begrip „deviezen” omvat effecten en alle overige activa luidende in de valuta van enig land of in rekeneenheden, ongeacht de vorm waarin zij worden aangehouden;

c) de in dit artikel bedoelde activa aanhouden en beheren;

d) alle soorten bancaire transacties verrichten met derde landen en internationale organisaties, waaronder mede begrepen het verstrekken en opnemen van leningen.

Artikel 24 Overige werkzaamheden[bewerken]

Naast de uit hun taken voortvloeiende werkzaamheden mogen de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken werkzaamheden verrichten voor eigen administratieve doeleinden en ten behoeve van hun personeel.

HOOFDSTUK V BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT[bewerken]

Artikel 25 Bedrijfseconomisch toezicht[bewerken]

1. De Europese Centrale Bank kan adviezen uitbrengen aan en worden geraadpleegd door de Raad, de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten omtrent de reikwijdte en de uitvoering van de juridisch bindende handelingen van de Unie met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel.

2. Overeenkomstig een Europese wet krachtens artikel III-185, lid 6, van de Grondwet kan de Europese Centrale Bank specifieke taken vervullen betreffende het beleid op het gebied van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en andere financiële instellingen, met uitzondering van verzekeringsondernemingen.

HOOFDSTUK VI FINANCIËLE BEPALINGEN BETREFFENDE HET EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN[bewerken]

Artikel 26 Financiële rekeningen[bewerken]

1. Het boekjaar van de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken begint op de eerste dag van januari en eindigt op de laatste dag van december.

2. De jaarrekening van de Europese Centrale Bank wordt door de directie opgesteld in overeenstemming met de door de Raad van bestuur vastgelegde grondslagen. De jaarrekening wordt door de Raad van bestuur vastgesteld en vervolgens gepubliceerd.

3. Voor analytische en operationele doeleinden stelt de directie een geconsolideerde balans van het Europees Stelsel van Centrale Banken op, die de van het Europees Stelsel van Centrale Banken deel uitmakende activa en passiva van de nationale centrale banken omvat.

4. Voor de toepassing van dit artikel stelt de Raad van bestuur de nodige regels vast ter standaardisatie van de financiële administratie en verslaglegging van de door de nationale centrale banken uitgevoerde werkzaamheden.

Artikel 27 Accountantscontrole[bewerken]

1. De rekeningen van de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken worden gecontroleerd door onafhankelijke externe accountants die op aanbeveling van de Raad van bestuur zijn aanvaard door de Raad. De accountants zijn zonder voorbehoud bevoegd alle boeken en rekeningen van de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken te onderzoeken en volledig te worden geïnformeerd over hun verrichtingen.

2. Artikel III-384 van de Grondwet is uitsluitend van toepassing op een doelmatigheidscontrole van de Europese Centrale Bank.

Artikel 28 Kapitaal van de Europese Centrale Bank[bewerken]

1. Het kapitaal van de Europese Centrale Bank bedraagt 5 miljard euro. Het kapitaal kan in voorkomend geval worden verhoogd bij Europees besluit van de Raad van bestuur, die besluit met de gekwalificeerde meerderheid van stemmen die is voorgeschreven in artikel 10, lid 3, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die door de Raad volgens de procedure van artikel 41 worden vastgesteld.

2. Alleen de nationale centrale banken zijn gerechtigd op het kapitaal van de Europese Centrale Bank in te schrijven en aandeelhouder van de Europese Centrale Bank te zijn. De inschrijving op het kapitaal geschiedt volgens de overeenkomstig artikel 29 vastgestelde verdeelsleutel.

3. De Raad van bestuur bepaalt met de in artikel 10, lid 3, voorgeschreven gekwalificeerde meerderheid van stemmen in hoeverre en in welke vorm het kapitaal moet worden gestort.

4. Onder voorbehoud van lid 5, mogen de aandelen van de nationale centrale banken in het geplaatste kapitaal van de Europese Centrale Bank niet worden overgedragen, verpand of in beslag genomen.

5. Indien de in artikel 29 genoemde verdeelsleutel wordt aangepast, dragen de nationale centrale banken onderling aandelen in het kapitaal over in die mate dat de verdeling van de aandelen overeenkomt met de aangepaste sleutel. De Raad van bestuur stelt de modaliteiten en voorwaarden voor een dergelijke overdracht vast.

Artikel 29 Verdeelsleutel voor de inschrijving op het kapitaal[bewerken]

1. De verdeelsleutel voor de inschrijving op het kapitaal van de Europese Centrale Bank, die voor het eerst is vastgesteld in 1998, bij de oprichting van het Europees Stelsel van Centrale Banken, wordt vastgesteld door aan elke nationale centrale bank een weging in deze sleutel toe te kennen die gelijk is aan de som van:

— 50 % van het aandeel van de bevolking van de lidstaat in kwestie in de bevolking van de Unie tijdens het voorlaatste jaar voorafgaand aan de oprichting van het Europees Stelsel van Centrale Banken;

— 50 % van het aandeel van het bruto binnenlands product van de lidstaat in kwestie in het bruto binnenlands product van de Unie tegen marktprijzen, als vastgesteld tijdens de vijf jaar voorafgaande aan het voorlaatste jaar vóór de oprichting van het Europees Stelsel van Centrale Banken.

De percentages worden naar onder of naar boven afgerond op het kleinste veelvoud van 0,0001 % .

2. De voor de toepassing van dit artikel benodigde statistieken worden door de Commissie verstrekt, overeenkomstig de door de Raad volgens de procedure van artikel 41 vastgestelde regels.

3. De aan de nationale centrale banken toegekende wegingen worden na de oprichting van het Europees Stelsel van Centrale Banken om de vijf jaar aangepast, naar analogie van lid 1. De aangepaste sleutel geldt met ingang van de eerste dag van het daaropvolgende jaar.

4. De Raad van bestuur treft alle andere maatregelen die voor de toepassing van dit artikel nodig zijn.

Artikel 30 Overdracht van externe reserves aan de Europese Centrale Bank[bewerken]

1. Onverminderd artikel 28 wordt de Europese Centrale Bank door de nationale centrale banken tot een bedrag van 50 miljard euro gedoteerd met externe reserves, uitgezonderd valuta's van de lidstaten, euro's, reserveposities in het Internationaal Monetair Fonds en bijzondere trekkingsrechten. De Raad van bestuur besluit omtrent de door de Europese Centrale Bank op te roepen delen. De Europese Centrale Bank is ten volle gerechtigd om de aan haar overgedragen externe reserves aan te houden en te beheren en voor de in dit statuut omschreven doeleinden te gebruiken.

2. De bijdragen van iedere nationale centrale bank worden vastgesteld in verhouding tot haar aandeel in het geplaatste kapitaal van de Europese Centrale Bank.

3. Aan iedere nationale centrale bank wordt door de Europese Centrale Bank een vordering toegekend ter grootte van haar bijdrage. De Raad van bestuur bepaalt de denominatie en de rentevergoeding van dergelijke vorderingen.

4. Verdere stortingen van externe reserves boven de in lid 1 gestelde grens kunnen, overeenkomstig lid 2, door de Europese Centrale Bank worden opgeroepen, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die door de Raad volgens de procedure van artikel 41 worden vastgesteld.

5. De Europese Centrale Bank is gerechtigd reserveposities in het Internationaal Monetair Fonds en bijzondere trekkingsrechten aan te houden en te beheren, en te voorzien in het poolen van deze activa.

6. De Raad van bestuur treft alle andere maatregelen die voor de toepassing van dit artikel nodig zijn.

Artikel 31 Door nationale centrale banken aangehouden externe reserves[bewerken]

1. Het is de nationale centrale banken toegestaan transacties te verrichten ter voldoening aan hun verplichtingen jegens internationale organisaties overeenkomstig artikel 23.

2. Alle overige transacties in externe reserves die nog door de nationale centrale banken worden aangehouden na de overdrachten bedoeld in artikel 30, en transacties van lidstaten met hun werksaldi in buitenlandse valuta's behoeven, boven een in het kader van lid 3 vast te stellen grens, de goedkeuring van de Europese Centrale Bank teneinde overeenstemming met het wisselkoersbeleid en het monetair beleid van de Unie te verzekeren.

3. De Raad van bestuur vaardigt richtsnoeren uit teneinde dergelijke transacties te vergemakkelijken.

Artikel 32 Toedeling van monetaire inkomsten van de nationale centrale banken[bewerken]

1. De inkomsten die de nationale centrale banken bij de uitoefening van de monetaire beleidstaken van het Europees Stelsel van Centrale Banken verkrijgen (hierna „monetaire inkomsten” te noemen), worden aan het einde van elk boekjaar volgens de onderstaande bepalingen toegedeeld.

2. De monetaire inkomsten van elke nationale centrale bank zijn gelijk aan de jaarinkomsten die zij verkrijgt uit de activa die worden aangehouden als tegenwaarde voor de in omloop zijnde bankbiljetten en de verplichtingen jegens kredietinstellingen uit hoofde van deposito's. Deze activa worden door de nationale centrale banken geoormerkt volgens door de Raad van bestuur vast te stellen richtsnoeren.

3. Indien de Raad van bestuur na de aanvang van de derde fase van oordeel is dat de balansindeling van de nationale centrale banken de toepassing van lid 2 niet mogelijk maakt, kan hij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten dat de monetaire inkomsten, in afwijking van lid 2, gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar volgens een alternatieve methode worden bepaald.

4. Op het bedrag van de monetaire inkomsten van elke nationale centrale bank worden de rentelasten in mindering gebracht die door de betrokken centrale bank zijn betaald over de verplichtingen jegens kredietinstellingen uit hoofde van deposito's overeenkomstig artikel 19.

De Raad van bestuur kan besluiten dat de nationale centrale banken worden vergoed voor de in verband met de uitgifte van bankbiljetten gemaakte kosten of, in uitzonderlijke omstandigheden, voor specifieke verliezen in verband met de monetaire beleidsoperaties die voor het Europees Stelsel van Centrale Banken zijn verricht. De vergoeding geschiedt in een door de Raad van bestuur passend geachte vorm. Deze bedragen kunnen met de monetaire inkomsten van de nationale centrale banken worden verrekend.

5. De som van de monetaire inkomsten van de nationale centrale banken wordt aan de nationale centrale banken toegedeeld naar rato van hun gestorte aandeel in het kapitaal van de Europese Centrale Bank, behoudens een eventueel besluit van de Raad van bestuur overeenkomstig artikel 33, lid 2.

6. De verrekening en de afwikkeling van de saldi afkomstig van de toedeling van de monetaire inkomsten worden door de Europese Centrale Bank verricht overeenkomstig de door de Raad van bestuur vastgestelde richtsnoeren.

7. De Raad van bestuur treft alle andere maatregelen die voor de toepassing van dit artikel nodig zijn.

Artikel 33 Toedeling van nettowinst en -verlies van de Europese Centrale Bank[bewerken]

1. De nettowinst van de Europese Centrale Bank wordt in de onderstaande volgorde overgedragen:

a) een door de Raad van bestuur vast te stellen bedrag, dat niet meer dan 20 % van de nettowinst mag bedragen, wordt naar het algemeen reservefonds overgedragen tot een maximum van 100 % van het kapitaal;

b) de resterende nettowinst wordt onder de aandeelhouders van de Europese Centrale Bank verdeeld naar rato van hun gestorte aandelen.

2. In geval van een verlies van de Europese Centrale Bank wordt het tekort gedekt uit het algemeen reservefonds van de Europese Centrale Bank en, indien nodig, bij besluit van de Raad van bestuur, door de monetaire inkomsten van het betrokken boekjaar, naar rato van en tot ten hoogste de bedragen die overeenkomstig artikel 32, lid 5, aan de nationale centrale banken zijn toegedeeld.

HOOFDSTUK VII ALGEMENE BEPALINGEN[bewerken]

Artikel 34 Rechtshandelingen[bewerken]

1. Overeenkomstig artikel III-190 van de Grondwet stelt de Europese Centrale Bank vast:

a) Europese verordeningen voorzover nodig voor de uitvoering van de taken omschreven in artikel 3, lid 1, onder a), artikel 19, lid 1, artikel 22 of artikel 25, lid 2, van dit statuut alsmede in de gevallen die worden bepaald in de in artikel 41 bedoelde Europese verordeningen en besluiten;

b) de Europese besluiten die nodig zijn voor de uitvoering van de bij de Grondwet en dit statuut aan het Europees Stelsel van Centrale Banken opgedragen taken;

c) aanbevelingen en adviezen.

2. De Europese Centrale Bank kan besluiten haar Europese besluiten, aanbevelingen en adviezen te publiceren.

3. Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die door de Raad volgens de procedure van artikel 41 worden vastgesteld, is de Europese Centrale Bank gerechtigd om ondernemingen boeten en dwangsommen op te leggen bij niet-naleving van haar Europese verordeningen en besluiten.

Artikel 35 Toetsing door de rechter en aanverwante aangelegenheden[bewerken]

1. De handelingen en nalatigheden van de Europese Centrale Bank zijn onderworpen aan toetsing en uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in de Grondwet. De Europese Centrale Bank kan gerechtelijke procedures aanspannen in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in de Grondwet.

2. Geschillen tussen de Europese Centrale Bank, enerzijds, en haar crediteuren, debiteuren of andere personen, anderzijds, worden beslecht door de bevoegde nationale rechters, tenzij het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is uitspraak te doen.

3. De Europese Centrale Bank is onderworpen aan de in artikel III-431 van de Grondwet omschreven aansprakelijkheidsregeling. De nationale centrale banken zijn aansprakelijk volgens hun onderscheiden nationale wetgevingen.

4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Europese Centrale Bank gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.

5. Het besluit van de Europese Centrale Bank om een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in te stellen, wordt door de Raad van bestuur genomen.

6. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen in geschillen betreffende de nakoming door de nationale centrale banken van de verplichtingen die voor hen uit de Grondwet en uit dit statuut voortvloeien. Indien de Europese Centrale Bank van oordeel is dat een nationale centrale bank een van de krachtens de Grondwet of dit statuut op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande een met redenen omkleed advies uit na de betrokken nationale centrale bank in de gelegenheid te hebben gesteld haar opmerkingen te maken. Indien de betrokken nationale centrale bank dit advies niet binnen de door de Europese Centrale Bank gestelde termijn opvolgt, kan de Europese Centrale Bank de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel 36 Personeel[bewerken]

1. De Raad van bestuur stelt op voorstel van de directie de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de Europese Centrale Bank vast.

2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de arbeidsvoorwaarden, bevoegd ter zake van geschillen tussen de Europese Centrale Bank en haar personeelsleden.

Artikel 37 Beroepsgeheim[bewerken]

1. Leden van de bestuursorganen en personeelsleden van de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken zijn gehouden, ook na beëindiging van hun taken, inlichtingen die naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen, niet openbaar te maken.

2. Personen die toegang hebben tot gegevens die vallen onder een juridisch bindende handeling van de Unie waarbij een geheimhoudingsplicht wordt opgelegd, zijn aan die plicht onderworpen.

Artikel 38 Tekenbevoegdheid[bewerken]

De Europese Centrale Bank wordt tegenover derden in rechte gebonden door de president of door twee leden van de directie of door de handtekeningen van twee personeelsleden van de Europese Centrale Bank die door de president naar behoren zijn gemachtigd om namens de Europese Centrale Bank te tekenen.

Artikel 39 Voorrechten en immuniteiten[bewerken]

De Europese Centrale Bank geniet op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten die nodig zijn voor de vervulling van haar taken, overeenkomstig de bepalingen van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie.

HOOFDSTUK VIII WIJZIGING VAN HET STATUUT EN AANVULLENDE REGELGEVING[bewerken]

Artikel 40 Vereenvoudigde wijzigingsprocedures[bewerken]

1. Overeenkomstig artikel III-187, lid 3, van de Grondwet kunnen artikel 5, leden 1, 2 en 3, de artikelen 17 en 18, artikel 19, lid 1, de artikelen 22, 23, 24 en 26, artikel 32, leden 2, 3, 4 en 6, artikel 33, lid 1, onder a), en artikel 36 van dit statuut bij Europese wet worden herzien:

a) hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank;

b) hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank en na raadpleging van de Commissie.

2. Artikel 10, lid 2, kan bij Europees besluit van de Europese Raad, hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie, hetzij op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank, met eenparigheid van stemmen worden gewijzigd. De wijzigingen treden pas in werking nadat zij door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen zijn goedgekeurd.

3. Tot een aanbeveling van de Europese Centrale Bank uit hoofde van dit artikel wordt in de Raad van bestuur met eenparigheid van stemmen besloten.

Artikel 41 Aanvullende regelgeving[bewerken]

Overeenkomstig artikel III-187, lid 4, van de Grondwet stelt de Raad de Europese verordeningen en besluiten vast betreffende de maatregelen bedoeld in artikel 4, artikel 5, lid 4, artikel 19, lid 2, artikel 20, artikel 28, lid 1, artikel 29, lid 2, artikel 30, lid 4, en artikel 34, lid 3, van dit statuut. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement:

a) hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank;

b) hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank en na raadpleging van de Commissie.

HOOFDSTUK IX OVERGANGSBEPALINGEN EN ANDERE BEPALINGEN BETREFFENDE HET EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN[bewerken]

Artikel 42 Algemene bepalingen[bewerken]

1. Een derogatie als bedoeld in artikel III-197, lid 1, van de Grondwet brengt mee dat voor de betrokken lidstaat uit de volgende artikelen van dit statuut geen rechten of verplichtingen voortvloeien: artikelen 3 en 6, artikel 9, lid 2, artikel 12, lid 1, artikel 14, lid 3, artikelen 16, 18, 19, 20, 22 en 23, artikel 26, lid 2, artikelen 27, 30, 31, 32, 33, 34 en 50.

2. De centrale banken van de lidstaten die vallen onder een derogatie als bedoeld in artikel III-197, lid 1, van de Grondwet behouden hun bevoegdheden op het gebied van het monetair beleid overeenkomstig de nationale wetgeving.

3. Overeenkomstig artikel III-197, lid 2, tweede alinea, van de Grondwet wordt „lidstaten” in artikel 3, artikel 11, lid 2, en artikel 19 van dit statuut gelezen als „lidstaten die de euro als munt hebben”.

4. „Nationale centrale banken” wordt gelezen als „centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben” in artikel 9, lid 2, artikel 10, leden 2 en 3, artikel 12, lid 1, artikelen 16, 17, 18, 22, 23, 27, 30, 31, 32, artikel 33, lid 2, en artikel 50 van dit statuut.

5. „Aandeelhouders” wordt gelezen als „nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben” in artikel 10, lid 3, en artikel 33, lid 1.

6. „Het geplaatste kapitaal van de Europese Centrale Bank” wordt gelezen als „het kapitaal van de Europese Centrale Bank dat is geplaatst bij de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben” in artikel 10, lid 3, en artikel 30, lid 2.

Artikel 43 Overgangstaken van de Europese Centrale Bank[bewerken]

De Europese Centrale Bank neemt de in artikel III-199, lid 2, van de Grondwet bedoelde vroegere functies van het Europees Monetair Instituut over die na de invoering van de euro wegens de derogaties van een of meer lidstaten nog moeten worden vervuld.

De Europese Centrale Bank verstrekt advies bij de voorbereiding van het intrekken van de derogaties bedoeld in artikel III-198 van de Grondwet.

Artikel 44 Algemene Raad van de Europese Centrale Bank[bewerken]

1. Onverminderd artikel III-187, lid 1, van de Grondwet, wordt de Algemene Raad opgericht als derde besluitvormend orgaan van de Europese Centrale Bank.

2. De Algemene Raad bestaat uit de president en de vice-president van de Europese Centrale Bank en de presidenten van de nationale centrale banken. De overige leden van de directie mogen zonder stemrecht deelnemen aan de vergaderingen van de Algemene Raad.

3. De verantwoordelijkheden van de Algemene Raad zijn volledig opgesomd in artikel 46.

Artikel 45 Werking van de Algemene Raad[bewerken]

1. De president of, bij zijn afwezigheid, de vice-president van de Europese Centrale Bank zit de vergaderingen van de Algemene Raad van de Europese Centrale Bank voor.

2. De voorzitter van de Raad en een lid van de Commissie mogen zonder stemrecht deelnemen aan vergaderingen van de Algemene Raad.

3. De president bereidt de vergaderingen van de Algemene Raad voor.

4. In afwijking van artikel 12, lid 3, neemt de Algemene Raad zijn reglement van orde aan.

5. Het secretariaat van de Algemene Raad wordt verzorgd door de Europese Centrale Bank.

Artikel 46 Verantwoordelijkheden van de Algemene Raad[bewerken]

1. De Algemene Raad

a) voert de in artikel 43 bedoelde taken uit;

b) verleent medewerking aan de adviesfuncties bedoeld in artikel 4 en artikel 25, lid 1.

2. De Algemene Raad verleent medewerking aan:

a) het verzamelen van statistische gegevens als bedoeld in artikel 5;

b) de in artikel 15 bedoelde rapportageactiviteiten van de Europese Centrale Bank;

c) het opstellen van de in artikel 26, lid 4, bedoelde regels die nodig zijn voor de toepassing van artikel 26;

d) het treffen van alle andere in artikel 29, lid 4, bedoelde maatregelen die nodig zijn voor de toepassing van artikel 29;

e) het vaststellen van de in artikel 36 bedoelde arbeidsvoorwaarden van het personeel van de Europese Centrale Bank.

3. De Algemene Raad verleent medewerking aan de nodige voorbereidingen voor het onherroepelijk vaststellen van de wisselkoersen van de valuta's van de lidstaten die vallen onder een derogatie ten opzichte van de euro, als bedoeld in artikel III-198, lid 3, van de Grondwet.

4. De Algemene Raad wordt door de president van de Europese Centrale Bank in kennis gesteld van de besluiten van de Raad van bestuur.

Artikel 47 Overgangsbepalingen voor het kapitaal van de Europese Centrale Bank[bewerken]

Overeenkomstig artikel 29 wordt aan elke nationale centrale bank een weging toegekend in de verdeelsleutel voor inschrijving op het kapitaal van de Europese Centrale Bank. In afwijking van artikel 28, lid 3, storten de centrale banken van de lidstaten die vallen onder een derogatie het kapitaal waarop zij hebben ingeschreven niet, tenzij de Algemene Raad met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen die ten minste tweederde van het geplaatste kapitaal van de Europese Centrale Bank en ten minste de helft van de aandeelhouders vertegenwoordigt, besluit dat een minimumpercentage moet worden gestort als bijdrage aan de bedrijfskosten van de Europese Centrale Bank.

Artikel 48 Latere storting van kapitaal, reserves en voorzieningen van de Europese Centrale Bank[bewerken]

1. De centrale bank van een lidstaat waarvan de derogatie is ingetrokken, stort haar aandeel in het kapitaal van de Europese Centrale Bank ten belope van hetzelfde percentage als de andere centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben en draagt overeenkomstig artikel 30, lid 1, haar externe reserves aan de Europese Centrale Bank over. Het over te dragen bedrag wordt bepaald door de euro-waarde tegen lopende wisselkoersen van de reeds overeenkomstig artikel 30, lid 1, aan de Europese Centrale Bank overgedragen externe reserves te vermenigvuldigen met de ratio tussen het aantal aandelen waarop de betrokken nationale centrale bank heeft ingeschreven en het aantal aandelen dat de andere nationale centrale banken al hebben volgestort.

2. Behalve de storting die overeenkomstig lid 1, moet worden verricht, draagt de betrokken nationale centrale bank bij tot de reserves van de Europese Centrale Bank, tot de met reserves gelijkgestelde voorzieningen, en tot het bedrag dat nog moet worden toegerekend aan de reserves en voorzieningen overeenkomstig het saldo van de winst-en-verliesrekening per 31 december van het jaar voorafgaand aan de intrekking van de derogatie. De verschuldigde bijdrage wordt bepaald door het bedrag van de reserves, als hierboven omschreven en als voorkomend op de goedgekeurde balans van de Europese Centrale Bank, te vermenigvuldigen met de ratio tussen het aantal aandelen waarop de betrokken centrale bank heeft ingeschreven en het aantal aandelen dat de andere centrale banken al hebben volgestort.

3. Zodra één of meer landen lid van de Unie worden en hun respectieve nationale centrale banken deel gaan uitmaken van het Europees Stelsel van Centrale Banken, worden het geplaatste kapitaal van de Europese Centrale Bank en het plafond voor de externe reserves die aan de Europese Centrale Bank mogen worden overgedragen, automatisch verhoogd. De verhoging wordt bepaald door de op dat ogenblik geldende bedragen te vermenigvuldigen met de ratio tussen de weging, in het kader van de verdeelsleutel voor de inschrijving op het uitgebreide kapitaal, van de toetredende nationale centrale banken enerzijds, en de weging van de nationale centrale banken die reeds deel uitmaken van het Europees Stelsel van Centrale Banken anderzijds. De weging van elke nationale centrale bank in de verdeelsleutel wordt berekend naar analogie van artikel 29, lid 1, en in overeenstemming met artikel 29, lid 2. De referentieperioden voor de statistische gegevens zijn dezelfde als die welke zijn toegepast voor de laatste vijfjaarlijkse aanpassing van de wegingen krachtens artikel 29, lid 3.

Artikel 49 Afwijking van artikel 32[bewerken]

1. Wanneer de Raad van bestuur na de aanvang van de derde fase besluit dat de toepassing van artikel 32 resulteert in aanzienlijke wijzigingen in de relatieve inkomensposities van de nationale centrale banken, wordt het bedrag aan inkomsten dat ingevolge artikel 32 moet worden toegedeeld, verminderd met een uniform percentage, dat in het eerste boekjaar na de aanvang van de derde fase niet meer dan 60 mag bedragen, en dat in elk volgend boekjaar met ten minste 12 procentpunten afneemt.

2. Lid 1, is niet langer van toepassing dan vijf boekjaren na de aanvang van de derde fase.

Artikel 50 Inwisseling van bankbiljetten in de valuta's van de lidstaten[bewerken]

Na de onherroepelijke vaststelling van de wisselkoersen overeenkomstig artikel III-198, lid 3, van de Grondwet treft de Raad van bestuur de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat bankbiljetten luidende in valuta's van de lidstaten met onherroepelijk vastgestelde wisselkoersen door de nationale centrale banken worden ingewisseld tegen hun respectieve pari-waarden.

Artikel 51 Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen[bewerken]

Indien en zolang er lidstaten zijn die onder een derogatie vallen, zijn de artikelen 42 tot en met 47 van toepassing.

5. PROTOCOL TOT VASTSTELLING VAN HET STATUUT VAN DE EUROPESE INVESTERINGSBANK[bewerken]

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

WENSENDE, het in artikel III-393 van de Grondwet bedoelde statuut van de Europese Investeringsbank vast te stellen,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1[bewerken]

De in artikel III-393 van de Grondwet bedoelde Europese Investeringsbank, hierna te noemen ,„de Bank”, wordt opgericht en oefent haar functies en werkzaamheden uit overeenkomstig de Grondwet en dit statuut.

Artikel 2[bewerken]

De taak van de Bank is in artikel III-394 van de Grondwet omschreven.

Artikel 3[bewerken]

Overeenkomstig artikel III-393 van de Grondwet zijn de lidstaten de leden van de Bank.

Artikel 4[bewerken]

1. Het kapitaal van de Bank bedraagt 163 653 737 000 euro, waarin door de lidstaten voor de volgende bedragen wordt deelgenomen:

Duitsland

26 649 532 500

Frankrijk

26 649 532 500

Italië

26 649 532 500

Verenigd Koninkrijk

26 649 532 500

Spanje

15 989 719 500

België

7 387 065 000

Nederland

7 387 065 000

Zweden

4 900 585 500

Denemarken

3 740 283 000

Oostenrijk

3 666 973 500

Polen

3 411 263 500

Finland

2 106 816 000

Griekenland

2 003 725 500

Portugal

1 291 287 000

Tsjechische Republiek

1 258 785 500

Hongarije

1 190 868 500

Ierland

935 070 000

Slowakije

428 490 500

Slovenië

397 815 000

Litouwen

249 617 500

Luxemburg

187 015 500

Cyprus

183 382 000

Letland

152 335 000

Estland

117 640 000

Malta

69 804 000

De lidstaten zijn ten hoogste aansprakelijk tot het nog niet gestorte bedrag van hun aandeel in het geplaatste kapitaal.

2. De toelating van een nieuw lid brengt verhoging van het geplaatste kapitaal mede, overeenkomende met de inbreng van het nieuwe lid.

3. De Raad van gouverneurs kan met eenparigheid van stemmen tot een verhoging van het geplaatste kapitaal besluiten.

4. Het aandeel der leden in het geplaatste kapitaal kan gecedeerd noch verpand worden en is niet vatbaar voor beslag.

Artikel 5[bewerken]

1. Het geplaatste kapitaal wordt door de lidstaten gestort ten belope van gemiddeld 5 % van de in artikel 4, lid 1, vastgestelde bedragen.

2. In geval van verhoging van het geplaatste kapitaal, stelt de Raad van gouverneurs met eenparigheid van stemmen het percentage vast dat moet worden gestort alsmede de wijze van storting. Storting in contanten geschiedt uitsluitend in euro.

3. De Raad van bewind kan de storting van het resterende deel van het geplaatste kapitaal verlangen, voorzover dit noodzakelijk is om aan de verplichtingen van de Bank te voldoen.

Storting geschiedt door elke lidstaat in verhouding tot zijn aandeel in het geplaatste kapitaal.

Artikel 6[bewerken]

De Bank wordt bestuurd en beheerd door een Raad van gouverneurs, een Raad van bewind en een directie.

Artikel 7[bewerken]

1. De Raad van gouverneurs bestaat uit de door de lidstaten aangewezen ministers.

2. De Raad van gouverneurs stelt de algemene richtlijnen vast met betrekking tot de kredietpolitiek van de Bank, overeenkomstig de doelstellingen van de Unie.

Hij ziet erop toe dat deze richtlijnen worden opgevolgd.

3. Bovendien geldt voor de Raad van gouverneurs het volgende:

a) hij besluit overeenkomstig artikel 4, lid 3, en artikel 5, lid 2, tot verhoging van het geplaatste kapitaal;

b) hij stelt, ter fine van artikel 9, lid 1, vast volgens welke beginselen financiering door de Bank in het kader van haar taak geschiedt;

c) hij oefent de bevoegdheden uit die in de artikelen 9 en 11 voor de benoeming en het ambtshalve ontslag van de leden van de Raad van bewind en van de directie zijn genoemd, alsmede die welke in artikel 11, lid 1, tweede alinea, zijn genoemd;

d) hij besluit overeenkomstig artikel 16, lid 1, tot financiering van investeringen die geheel of gedeeltelijk buiten het grondgebied van de lidstaten zullen worden gedaan;

e) hij keurt het door de Raad van bewind opgestelde jaarverslag goed;

f) hij keurt de jaarbalans alsmede de winst-en verlies-rekening goed;

g) hij keurt het reglement van orde van de Bank goed;

h) hij oefent de overige bij dit statuut uitdrukkelijk verleende bevoegdheden uit.

4. De Raad van gouverneurs kan met eenparigheid van stemmen, in het kader van de Grondwet en van dit statuut, alle besluiten vaststellen met betrekking tot de schorsing van de werkzaamheden van de Bank en met betrekking tot haar eventuele liquidatie.

Artikel 8[bewerken]

1. Voorzover in dit statuut niet anders is bepaald, worden de besluiten van de Raad van gouverneurs met meerderheid van de stemmen van zijn leden genomen. Deze meerderheid moet ten minste 50 % van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen.

Een gekwalificeerde meerderheid wordt gevormd door achttien stemmen en 68 % van het geplaatste kapitaal.

2. Onthouding door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor de vaststelling van besluiten die eenparigheid van stemmen vereisen.

Artikel 9[bewerken]

1. De Raad van bewind beslist over financieringen, met name in de vorm van kredieten en garanties, en over het aangaan van leningen; hij stelt de rentevoet vast voor de door de Bank verstrekte leningen alsmede de provisies en overige verplichtingen. Hij kan op grond van een met gekwalificeerde meerderheid van stemmen genomen besluit, bepaalde bevoegdheden aan de directie delegeren. Hij bepaalt onder welke voorwaarden en op welke wijze deze delegatie geschiedt en ziet toe op de uitvoering ervan.

De Raad van bewind ziet toe op een goed bestuur van de Bank; en zorgt ervoor dat het beheer van de Bank plaatsvindt in overeenstemming met de Grondwet en dit statuut en met de algemene richtlijnen welke door de Raad van gouverneurs worden vastgesteld.

Na het boekjaar brengt hij verslag uit aan de Raad van gouverneurs en maakt dit verslag na goedkeuring bekend.

2. De Raad van bewind bestaat uit zesentwintig bewindvoerders en zestien plaatsvervangers.

De bewindvoerders worden door de Raad van gouverneurs voor een periode van vijf jaar benoemd, waarbij iedere lidstaat een bewindvoerder aanwijst. Ook de Commissie wijst een bewindvoerder aan.

De plaatsvervangende bewindvoerders worden door de Raad van gouverneurs voor een periode van vijf jaar benoemd, en wel als volgt:

— twee plaatsvervangers aangewezen door de Bondsrepubliek Duitsland,

— twee plaatsvervangers aangewezen door de Franse Republiek,

— twee plaatsvervangers aangewezen door de Italiaanse Republiek,

— twee plaatsvervangers aangewezen door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en NoordIerland,

— een plaatsvervanger in onderlinge overeenstemming aangewezen door het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek,

— een plaatsvervanger in onderlinge overeenstemming aangewezen door het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden,

— een plaatsvervanger in onderlinge overeenstemming aangewezen door het Koninkrijk Denemarken, de Helleense Republiek en Ierland,

— een plaatsvervanger in onderlinge overeenstemming aangewezen door de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden,

— drie plaatsvervangers in onderlinge overeenstemming aangewezen door de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek,

— een plaatsvervanger aangewezen door de Commissie.

De Raad van bewind coöpteert zes deskundigen zonder stemrecht: drie als vaste deskundigen en drie als plaatsvervangers.

De bewindvoerders en de plaatsvervangers zijn herbenoembaar.

Het reglement van orde bevat de nadere regels inzake deelneming aan de vergaderingen van de Raad van bewind alsmede de voorschriften betreffende de plaatsvervangers en de gecoöpteerde leden.

De president of, bij ontstentenis, een van de vice-presidenten van de directie oefent het voorzitterschap uit van de Raad van bewind, zonder aan de stemming deel te nemen.

Als leden van de Raad van bewind worden gekozen personen die alle waarborgen bieden voor onafhankelijkheid en bekwaamheid. Zij zijn slechts aan de Bank verantwoording schuldig.

3. Een bewindvoerder kan slechts dan door de Raad van gouverneurs, welke terzake met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, ambtshalve worden ontslagen, indien hij niet meer voldoet aan de voorwaarden welke voor de uitoefening van zijn functie zijn gesteld.

Ingeval het jaarverslag niet wordt goedgekeurd, treedt de Raad van bewind af.

4. Indien er ten gevolge van overlijden of van vrijwillig, ambtshalve of collectief ontslag een vacature ontstaat, wordt tot vervanging overgegaan overeenkomstig de in lid 2 vastgestelde voorschriften. Behalve bij algehele vernieuwing, worden de leden voor de verdere duur van hun mandaat vervangen.

5. De Raad van gouverneurs stelt de vergoeding vast voor de leden van de Raad van bewind. Hij bepaalt welke functie eventueel onverenigbaar is met die van bewindvoerder en van plaatsvervanger.

Artikel 10[bewerken]

1. Elke bewindvoerder beschikt in de Raad van bewind over één stem. Hij kan zijn stem in alle gevallen overeenkomstig in het reglement van orde van de Bank vast te stellen regels delegeren.

2. Tenzij in dit statuut anders is bepaald, worden de besluiten van de Raad van bewind genomen door ten minste eenderde van de stemgerechtigde leden welke ten minste 50 % van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. Voor een gekwalificeerde meerderheid zijn achttien stemmen en 68 % van het geplaatste kapitaal vereist. In het reglement van orde van de bank wordt bepaald welk quorum vereist is voor de geldigheid van de besluiten van de Raad van bewind.

Artikel 11[bewerken]

1. De directie bestaat uit een president en acht vice-presidenten, die voor een periode van zes jaar door de Raad van gouverneurs op voorstel van de Raad van bewind worden benoemd. Zij zijn herbenoembaar.

De Raad van gouverneurs kan met eenparigheid van stemmen het aantal leden van de directie wijzigen.

2. Op voorstel van de Raad van bewind, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen tot stand gekomen, kan de Raad van gouverneurs, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, besluiten, de leden van de directie ambtshalve te ontslaan.

3. De directie behandelt de lopende zaken van de Bank, onder leiding van de president en onder toezicht van de Raad van bewind.

Zij bereidt de besluiten van de Raad van bewind voor, met name wat betreft het aangaan van leningen en het verlenen van financiering, met name in de vorm van kredieten en garanties. Zij zorgt voor de uitvoering van die besluiten.

4. De adviezen inzake voorstellen voor het aangaan van leningen en het verlenen van financiering, met name in de vorm van kredieten en garanties, worden door de directie met meerderheid van stemmen aangenomen.

5. De Raad van gouverneurs stelt de vergoeding vast voor de leden van de directie en bepaalt welke werkzaamheden onverenigbaar zijn met hun ambt.

6. De president of bij ontstentenis, een van de vice-presidenten vertegenwoordigt de Bank in en buiten rechte.

7. De personeelsleden van de Bank staan onder het gezag van de president. Zij worden door hem benoemd en ontslagen. Bij de keuze van het personeel wordt niet alleen rekening gehouden met persoonlijke geschiktheid en beroepsbekwaamheid, doch eveneens met een billijke verdeling naar nationaliteit over de lidstaten. In het reglement van orde wordt bepaald welke instantie bevoegd is de bepalingen die op het personeel van toepassing zijn, vast te stellen.

8. De directie en het personeel van de Bank zijn slechts aan de Bank verantwoording schuldig en oefenen hun functies in volledige onafhankelijkheid uit.

Artikel 12[bewerken]

1. Een comité van zes leden, die door de Raad van gouverneurs op grond van hun bekwaamheid worden benoemd, controleert de activiteiten van de Bank op verenigbaarheid met de beste bancaire praktijken en is belast met de controle van de rekeningen van de Bank.

2. Het in lid 1 bedoelde comité onderzoekt elk jaar de regelmatigheid van de verrichtingen en van de boeken van de Bank. Te dien einde controleert het of de verrichtingen van de Bank overeenkomstig de in dit statuut en in het reglement van orde vastgestelde voorschriften en procedures hebben plaatsgevonden.

3. Het in lid 1 bedoelde comité verklaart dat de financiële staten, alsmede alle financiële gegevens die zijn vervat in de door de Raad van bewind opgestelde jaarrekening, zowel aan de actief- als aan de passiefzijde een trouwe weergave zijn van de financiële situatie van de Bank, alsmede van haar resultaten en kasstroom over het beschouwde boekjaar.

4. Het reglement van orde bepaalt welke kwalificaties de leden van het in lid 1 bedoelde comité moeten bezitten, alsmede onder welke voorwaarden en op welke wijze het comité werkt.

Artikel 13[bewerken]

De Bank onderhoudt de betrekkingen met elke lidstaat door tussenkomst van de door deze aangewezen autoriteit. Voor de uitvoering van financiële verrichtingen doet zij een beroep op de nationale centrale bank van de betrokken lidstaat of op andere door die staat gemachtigde financiële instellingen.

Artikel 14[bewerken]

1. De Bank werkt samen met alle internationale organisaties waarvan de werkzaamheden zich uitstrekken over een terrein dat met het hare overeenkomt.

2. De Bank legt alle contacten welke dienstig zijn voor de samenwerking met de bankinstellingen en financiële instellingen van de landen tot welke haar verrichtingen zich uitstrekken.

Artikel 15[bewerken]

Op verzoek van een lidstaat of van de Commissie dan wel ambtshalve worden de richtlijnen die door de Raad van gouverneurs krachtens artikel 7 zijn vastgesteld, door hem uitgelegd of aangevuld op dezelfde wijze als waarop zij tot stand zijn gekomen.

Artikel 16[bewerken]

1. In het kader van de in artikel III-394 van de Grondwet omschreven taak, verleent de Bank aan haar leden of aan particuliere of openbare ondernemingen financiering, onder meer in de vorm van kredieten en garanties, voor investeringen die op het grondgebied van de lidstaten zullen worden verwezenlijkt, voorzover middelen uit andere bronnen niet tegen redelijke voorwaarden beschikbaar zijn.

De Bank kan evenwel krachtens een met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vastgesteld besluit van de Raad van gouverneurs op voorstel van de Raad van bewind financiering verlenen voor investeringen die geheel of gedeeltelijk buiten het grondgebied van de lidstaten zullen worden verwezenlijkt.

2. Het verstrekken van leningen wordt zoveel mogelijk ondergeschikt gemaakt aan de inschakeling van andere financieringsmiddelen.

3. Wanneer een lening wordt toegekend aan een onderneming of een ander lichaam dan een lidstaat, maakt de Bank het verstrekken van deze lening afhankelijk hetzij van een garantie van de lidstaat op wiens grondgebied de investering zal worden verwezenlijkt, hetzij van voldoende waarborgen, hetzij van de financiële soliditeit van de debiteur.

In het kader van de door de Raad van gouverneurs in de zin van artikel 7, lid 3, onder b), vastgestelde beginselen en indien de verwezenlijking van de projecten bedoeld in artikel III-394 van de Grondwet zulks vereist, stelt de Raad van bewind voorts met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de voorwaarden en bijzonderheden vast van elke financiering met een specifiek risicoprofiel die uit dien hoofde beschouwd wordt als een speciale activiteit.

4. De Bank kan leningen garanderen die door openbare of particuliere ondernemingen of door lichamen zijn aangegaan ter verwezenlijking van projecten als bedoeld in artikel III-394 van de Grondwet.

5. De som van de door de Bank verstrekte uitstaande leningen en garanties mag 250 % van het geplaatste kapitaal van de reserves, van de niet toegewezen voorzieningen, en van het saldo van de winst-en-verliesrekening niet te boven gaan. Het gecumuleerde bedrag van die posten wordt berekend na aftrek van een bedrag dat gelijk is aan het geplaatste kapitaal, al dan niet gestort, uit hoofde van elke deelneming van de Bank.

Op geen enkel moment mag het bedrag dat is gestort uit hoofde van de deelnemingen door de Bank meer bedragen dan het totaal van het vrijgemaakte gedeelte van haar kapitaal, van haar reserves, van haar niet-toegewezen voorzieningen en van het saldo van de winst-en-verliesrekening.

Bij wijze van uitzondering krijgen de speciale activiteiten van de Bank waartoe door de Raad van gouverneurs en de Raad van bewind wordt besloten overeenkomstig lid 3, een specifieke toewijzing in reserves.

Dit lid is eveneens van toepassing op de geconsolideerde rekeningen van de Bank.

6. De Bank beveiligt zich tegen wisselkoersrisico's door in de lenings- en garantieovereenkomsten de naar haar mening passende bepalingen op te nemen.

Artikel 17[bewerken]

1. De rentevoet voor door de Bank te verstrekken leningen alsmede de provisie en andere lasten worden aangepast aan de op de kapitaalmarkt geldende voorwaarden en worden zodanig berekend dat de daaruit voortvloeiende ontvangsten de Bank in staat stellen haar verplichtingen na te komen, haar kosten en risico's te dekken en overeenkomstig artikel 22 een reservefonds te vormen.

2. De Bank staat geen verlagingen toe van de rentevoet. Ingeval er, gelet op de bijzondere aard van de investering, aanleiding bestaat tot verlaging van de rentevoet, kan de belanghebbende lidstaat of een derde instantie rentesubsidies verlenen, voorzover dit verenigbaar is met de in artikel III-167 van de Grondwet vastgestelde regels.

Artikel 18[bewerken]

De Bank neemt bij zijn financieringsverrichtingen de navolgende beginselen in acht.

1. Zij ziet erop toe dat haar gelden op de meest rationele wijze in het belang van de Unie worden aangewend.

Zij kan slechts leningen verstrekken of op te nemen leningen garanderen:

a) wanneer bij investeringen die worden uitgevoerd door ondernemingen in de productieve sector, rente en aflossing zijn gewaarborgd door de exploitatieopbrengsten, of, bij andere investeringen, door een verbintenis die wordt aangegaan door de staat waarin de investering wordt uitgevoerd dan wel op enigerlei andere wijze, en

b) wanneer de uitvoering van de investering bijdraagt tot een verhoging van de economische productiviteit in het algemeen en eveneens tot de totstandbrenging en werking van de interne markt.

2. Zij neemt op generlei wijze deel in ondernemingen en neemt geen verantwoordelijkheid voor het beheer daarvan op zich, tenzij beveiliging van haar rechten dit als waarborg voor de inning van haar schuldvordering vereist.

In het kader van de door de Raad van gouverneurs krachtens artikel 7, lid 3, onder b), vastgestelde beginselen en indien de verwezenlijking van de projecten bedoeld in artikel III-394 van de Grondwet zulks vereist, stelt de Raad van bewind evenwel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de voorwaarden voor en bijzonderheden van een deelneming in het kapitaal van een commerciële onderneming vast in de regel ter aanvulling van een lening of een garantie, indien zulks nodig is voor de financiering van een investering of van een programma.

3. Zij kan haar schuldvorderingen cederen op de kapitaalmarkt en te dien einde van haar geldnemers de uitgifte van obligaties of andere effecten verlangen.

4. Noch de Bank noch de lidstaten stellen als voorwaarde dat uitgeleende gelden in een bepaalde lidstaat moeten worden besteed.

5. Zij kan het verstrekken van leningen afhankelijk stellen van het uitschrijven van internationale aanbestedingen.

6. Zij financiert noch geheel noch gedeeltelijk een investering waartegen de lidstaat op wiens grondgebied de investering moet worden uitgevoerd, zich verzet.

7. Ter aanvulling van haar kredietverlening kan de Bank zorgen voor technische bijstand volgens de voorwaarden en bijzonderheden die door de Raad van gouverneurs worden bepaald met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en met inachtneming van dit statuut.

Artikel 19[bewerken]

1. Iedere onderneming of openbaar of privaat lichaam kan rechtstreeks een aanvraag om financiering tot de Bank richten. Een aanvraag kan ook tot de Bank worden gericht, hetzij door tussenkomst van de Commissie, hetzij van de lidstaat op wiens grondgebied de investering zal worden verwezenlijkt.

2. Wanneer de aanvragen door tussenkomst van de Commissie plaatsvinden, worden zij voor advies voorgelegd aan de lidstaat op wiens grondgebied de investering zal worden uitgevoerd. Wanneer de aanvragen door tussenkomst van de lidstaat plaatsvinden, worden zij voor advies aan de Commissie voorgelegd. Wanneer zij rechtstreeks van een onderneming uitgaan, worden zij aan de betrokken lidstaat en aan de Commissie voorgelegd.

De betrokken lidstaten en de Commissie brengen binnen een termijn van twee maanden advies uit. Bij gebreke van een antwoord binnen deze termijn, mag de Bank aannemen dat tegen de betrokken investering geen bezwaren bestaan.

3. De Raad van bewind beslist over de financieringsverrichtingen welke hem door de directie worden voorgelegd.

4. De directie onderzoekt of de haar voorgelegde financieringsverrichtingen voldoen aan de bepalingen van dit statuut, met name aan die van de artikelen 16 en 18. Indien de directie zich uitspreekt voor de financiering, legt zij het desbetreffende voorstel aan de Raad van bewind voor; zij kan haar gunstig advies afhankelijk stellen van de voorwaarden welke zij als wezenlijk beschouwt. Indien de directie zich uitspreekt tegen de financiering, legt zij de desbetreffende bescheiden, vergezeld van haar advies, voor aan de Raad van bewind.

5. Wanneer de directie een afwijzend advies uitbrengt, kan de Raad van bewind de betrokken financiering alleen verstrekken door met eenparigheid van stemmen te besluiten.

6. Wanneer de Commissie een afwijzend advies uitbrengt, kan de Raad van bewind de betrokken financiering alleen verstrekken door met eenparigheid van stemmen te besluiten; daarbij onthoudt de bewindvoerder die op aanwijzing van de Commissie is benoemd, zich van stemming.

7. Ingeval zowel de directie als de Commissie een afwijzend advies uitbrengt, mag de Raad van bewind de betrokken financiering niet verstrekken.

8. Indien de bescherming van de rechten en belangen van de Bank een herschikking van een financieringsverrichting met betrekking tot goedgekeurde investeringen rechtvaardigt, neemt de directie onverwijld de urgentiemaatregelen die zij nodig acht en legt deze onverwijld voor aan de Raad van bewind.

Artikel 20[bewerken]

1. De Bank neemt op de kapitaalmarkten de middelen op die voor de vervulling van haar taak noodzakelijk zijn.

2. De Bank kan op de kapitaalmarkt van de lidstaten leningen opnemen in het kader van de voor deze markten geldende wettelijke voorschriften.

De bevoegde instanties van een lidstaat die onder een derogatie valt in de zin van artikel III-197, lid 1, van de Grondwet kunnen zich slechts hiertegen verzetten, indien ernstige storingen op de kapitaalmarkt van die staat te vrezen zijn.

Artikel 21[bewerken]

1. De Bank kan de beschikbare middelen welke zij niet onmiddellijk nodig heeft om aan haar verplichtingen te voldoen, op de volgende wijze aanwenden:

a) zij kan deze op de geldmarkten uitzetten;

b) met inachtneming van de bepalingen van artikel 18, lid 2, kan zij effecten kopen of verkopen,

c) zij kan elke andere financiële handeling verrichten die met haar doel verband houdt.

2. Onverminderd de bepalingen van artikel 23, verricht de Bank bij het beheer over de door haar uitgezette middelen geen deviezenarbitrage die niet rechtstreeks noodzakelijk is voor de verwezenlijking van door haar te verstrekken leningen of voor de nakoming van de verplichtingen die zij wegens door haar aangegane leningen of verstrekte garanties op zich heeft genomen.

3. Op het in dit artikel bedoelde gebied handelt de Bank in overleg met de bevoegde instanties van de lidstaten of met hun nationale centrale bank.

Artikel 22[bewerken]

1. Er wordt geleidelijk een reservefonds gevormd ten belope van 10 % van het geplaatste kapitaal. Indien de stand van de verplichtingen van de Bank zulks rechtvaardigt, kan de Raad van bewind besluiten tot het vormen van aanvullende reserves. Zolang dit reservefonds nog niet geheel is gevormd, wordt het gestijfd door:

a) de renteontvangsten uit hoofde van leningen die de Bank heeft verstrekt uit de door de lidstaten krachtens artikel 5 te storten bedragen;

b) de renteontvangsten uit hoofde van leningen die de Bank heeft verstrekt uit de bedragen die zijn verkregen door de terugbetaling van de onder a) bedoelde leningen,

voorzover deze renteontvangsten niet noodzakelijk zijn voor het nakomen van de verplichtingen en voor het dekken van de kosten van de Bank.

2. De middelen van het reservefonds worden zodanig belegd dat zij te allen tijde het doel van dit fonds kunnen dienen.

Artikel 23[bewerken]

1. De Bank is steeds gemachtigd haar bezit aan deviezen van een van de lidstaten die niet de euro als munt hebben, over te maken met het oog op de uitvoering van financiële verrichtingen overeenkomstig haar taak als omschreven in artikel III-394 van de Grondwet en met inachtneming van de bepalingen van artikel 21 van dit statuut. De Bank vermijdt dergelijke overmakingen zoveel mogelijk indien zij saldi beschikbaar heeft of beschikbaar kan maken in de valuta die zij nodig heeft.

2. De Bank mag haar bezit aan deviezen van een der lidstaten die niet de euro als munt hebben, niet zonder toestemming van die lidstaat omzetten in deviezen van derde landen.

3. De Bank kan vrij beschikken over het deel van het kapitaal dat is gestort, en eveneens over de op de markten van derde landen geleende deviezen.

4. De lidstaten verbinden zich ertoe, de debiteuren van de Bank de nodige deviezen ter beschikking te stellen, voor de terugbetaling van hoofdsom en rente van de leningen die de Bank verstrekt of gegarandeerd heeft voor op het grondgebied van de lidstaten uit te voeren investeringen.

Artikel 24[bewerken]

Indien een lidstaat zijn uit dit statuut voortvloeiende verplichtingen als lid niet nakomt, met name de verplichting zijn aandeel te storten of aan zijn verbintenissen ter zake van opgenomen leningen te voldoen, kan de verstrekking van leningen of van garanties aan deze lidstaat of aan zijn onderdanen worden geschorst door een met gekwalificeerde meerderheid van stemmen genomen besluit van de Raad van gouverneurs.

Dit besluit bevrijdt de lidstaat noch zijn onderdanen van hun verplichtingen jegens de Bank.

Artikel 25[bewerken]

1. Indien de Raad van gouverneurs besluit de werkzaamheid van de Bank te schorsen, worden alle werkzaamheden zonder verwijl stopgezet, met uitzondering van die welke noodzakelijk zijn om het gebruik, de bescherming en het behoud van de bezittingen, alsmede de afwikkeling der verplichtingen behoorlijk te waarborgen.

2. In geval van liquidatie benoemt de Raad van gouverneurs de liquidateurs en geeft hun aanwijzingen voor de afwikkeling daarvan. Hij ziet toe op de vrijwaring van de rechten van het personeel.

Artikel 26[bewerken]

1. De Bank heeft in iedere lidstaat de ruimste handelingsbevoegdheid die door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend. Zij kan roerende en onroerende goederen verkrijgen en vervreemden en in rechte optreden.

2. De bezittingen van de Bank kunnen op geen enkele wijze gevorderd of onteigend worden.

Artikel 27[bewerken]

1. Geschillen tussen de Bank enerzijds en haar leninggevers, leningnemers of derden anderzijds worden, behoudens de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie toegekende bevoegdheden, door de bevoegde nationale rechter beslecht. De Bank kan in een contract in een scheidsrechterlijke procedure voorzien.

2. De Bank kiest woonplaats in elk der lidstaten. Zij kan echter in een contract een bijzondere woonplaats kiezen.

3. De vermogenswaarden van de Bank kunnen slechts ingevolge rechterlijke beslissing in beslag genomen of geëxecuteerd worden.

Artikel 28[bewerken]

1. De Raad van gouverneurs kan met eenparigheid van stemmen besluiten tot de oprichting van filialen of andere lichamen die rechtspersoonlijkheid bezitten en financieel onafhankelijk zijn.

2. De Raad van gouverneurs stelt met eenparigheid van stemmen de statuten van de in lid 1 bedoelde organen vast waarin met name de doelstellingen, de structuur, het kapitaal, het lidmaatschap, de zetel, de financiële middelen, de beleidsinstrumenten en de regelingen met betrekking tot de accountantscontrole, alsmede hun relatie met de organen van de Bank worden vastgesteld.

3. De Bank kan deelnemen in het beheer van deze organen en bijdragen tot het geplaatste kapitaal ervan tot een bedrag dat door de Raad van gouverneurs bij een met eenparigheid van stemmen genomen besluit wordt vastgesteld.

4. Het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is van toepassing op de in lid 1 bedoelde organen voorzover deze onder het recht van de Unie vallen, op de leden van hun organen waar het de uitoefening van hun taken betreft, en op hun personeelsleden, volgens dezelfde bepalingen en onder dezelfde voorwaarden als die welke van toepassing zijn op de Bank.

Dividenden, meerwaarden of andere van die organen afkomstige inkomensvormen waarop andere leden dan de Europese Unie en de Bank, recht hebben, blijven evenwel onderworpen aan de fiscale bepalingen van de wetgeving die daarop van toepassing is.

5. Het Hof van Justitie van de Europese Unie doet binnen de hierna genoemde grenzen uitspraak in geschillen over maatregelen die zijn getroffen door de organen van een aan het recht van de Unie onderworpen orgaan. Tegen deze maatregelen kan onder de in artikel III-365 van de Grondwet bepaalde voorwaarden, beroep worden ingesteld door leden van zo'n orgaan in die hoedanigheid of door lidstaten.

6. De Raad van gouverneurs kan met eenparigheid van stemmen besluiten het personeel van aan het recht van de Unie onderworpen organen aan te sluiten bij gemeenschappelijke stelsels met de Bank, met inachtneming van de respectieve interne procedures.

6. PROTOCOL BETREFFENDE DE PLAATS VAN DE ZETELS VAN DE INSTELLINGEN EN VAN BEPAALDE ORGANEN, INSTANTIES EN DIENSTEN VAN DE EUROPESE UNIE[bewerken]

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

GELET OP artikel III-432 van de Grondwet,

WIJZEND OP EN BEVESTIGEND het besluit van 8 april 1965, zulks onverminderd de toekomstige besluiten betreffende de zetel van de instellingen, organen, instanties en diensten,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

Enig artikel

1. Het Europees Parlement heeft zijn zetel te Straatsburg, voor de twaalf perioden van de maandelijkse voltallige zittingen met inbegrip van de begrotingszitting. De bijkomende voltallige zittingen worden gehouden te Brussel. De commissies van het Europees Parlement zetelen te Brussel. Het secretariaat-generaal van het Europees Parlement en zijn diensten blijven in Luxemburg gevestigd.

2. De Raad heeft zijn zetel te Brussel. In de maanden april, juni en oktober houdt de Raad zijn zittingen in Luxemburg.

3. De Commissie heeft haar zetel te Brussel. De in de artikelen 7, 8 en 9 van het besluit van 8 april 1965 genoemde diensten zijn gevestigd in Luxemburg.

4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zijn zetel te Luxemburg.

5. De Europese Centrale Bank heeft zijn zetel te Frankfurt.

6. De Rekenkamer heeft zijn zetel te Luxemburg.

7. Het Comité van de Regio's heeft zijn zetel te Brussel.

8. Het Economisch en Sociaal Comité heeft zijn zetel te Brussel.

9. De Europese Investeringsbank heeft haar zetel te Luxemburg.

10. Europol heeft zijn zetel te Den Haag.

7. PROTOCOL BETREFFENDE DE VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN VAN DE EUROPESE UNIE[bewerken]

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

OVERWEGENDE dat de Unie, met inbegrip van de Europese Centrale Bank en de Europese Investeringsbank, krachtens artikel III-434 van de Grondwet, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten geniet welke nodig zijn ter vervulling van haar taak,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

HOOFDSTUK I EIGENDOMMEN, FONDSEN, BEZITTINGEN EN VERRICHTINGEN VAN DE UNIE[bewerken]

Artikel 1[bewerken]

De gebouwen en terreinen van de Unie zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening. De eigendommen en bezittingen van de Unie kunnen zonder toestemming van het Hof van Justitie niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard.

Artikel 2[bewerken]

Het archief van de Unie is onschendbaar.

Artikel 3[bewerken]

De Unie, haar bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen.

Telkens wanneer hun dit mogelijk is, treffen de regeringen van de lidstaten passende maatregelen tot kwijtschelding of teruggave van het bedrag der indirecte belastingen en van belastingen op de verkoop, welke een deel vormen van de prijs van onroerende of roerende goederen, wanneer de Unie voor haar officieel gebruik belangrijke aankopen doet van goederen in de prijs waarvan zodanige belastingen begrepen zijn. De toepassing van deze bepalingen mag evenwel niet tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de Unie wordt vervalst.

Geen enkele vrijstelling wordt verleend van belastingen, heffingen en rechten die niet anders zijn dan eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut.

Artikel 4[bewerken]

De Unie is vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot goederen bestemd voor haar officieel gebruik. De aldus ingevoerde goederen mogen op het grondgebied van de lidstaat alwaar zij zijn ingevoerd niet onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, tenzij op voorwaarden welke door de regering van die staat zijn goedgekeurd.

Zij is tevens vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot haar publicaties.

HOOFDSTUK II MEDEDELINGEN EN LAISSEZ-PASSER[bewerken]

Artikel 5[bewerken]

De instellingen van de Unie genieten, voor hun officiële mededelingen en het overbrengen van al hun documenten op het grondgebied van iedere lidstaat de behandeling, welke door deze staat aan diplomatieke missies wordt toegestaan.

De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van de instellingen van de Unie zijn niet aan censuur onderworpen.

Artikel 6[bewerken]

Laissez-passer, waarvan de vorm in een bij gewone meerderheid van stemmen door de Raad vastgestelde Europese verordening wordt bepaald en die als geldige reispapieren door de overheidsinstanties van de lidstaten worden erkend, kunnen door de voorzitters van de instellingen van de Unie aan de leden en het personeel van deze instellingen worden verstrekt. Deze laissez-passer worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden verstrekt overeenkomstig de bepalingen van het statuut van de ambtenaren en de regeling voor de andere personeelsleden van de Unie.

De Commissie kan overeenkomsten sluiten teneinde deze laissez-passer te doen erkennen als geldige reispapieren voor het grondgebied van derde staten.

HOOFDSTUK III LEDEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT[bewerken]

Artikel 7[bewerken]

De bewegingsvrijheid der leden van het Europees Parlement die zich naar de plaats van bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren wordt op geen enkele wijze beperkt door voorschriften van bestuursrechtelijke of andere aard.

Aan de leden van het Europees Parlement worden, wat betreft douane en deviezencontrole, toegekend:

a) door hun eigen regering, dezelfde faciliteiten als aan hoge ambtenaren, die zich, belast met een tijdelijke officiële zending, naar het buitenland begeven;

b) door de regeringen van de andere lidstaten, dezelfde faciliteiten als aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen, belast met een tijdelijke officiële zending.

Artikel 8[bewerken]

Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen onderzoek worden ingesteld, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.

Artikel 9[bewerken]

Tijdens de duur van de zittingen van het Europees Parlement genieten de leden:

a) op hun eigen grondgebied, de immuniteiten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend;

b) op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.

De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.

Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.

HOOFDSTUK IV VERTEGENWOORDIGERS VAN DE LIDSTATEN DIE AAN DE WERKZAAMHEDEN VAN DE INSTELLINGEN VAN DE UNIE DEELNEMEN[bewerken]

Artikel 10[bewerken]

Vertegenwoordigers van de lidstaten die aan de werkzaamheden van de instellingen van de Unie deelnemen, alsmede hun raadslieden en deskundigen, genieten gedurende de uitoefening van hun ambt en op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.

Dit artikel is eveneens van toepassing op de leden van de raadgevende organen van de Unie.

HOOFDSTUK V AMBTENAREN EN OVERIGE PERSONEELSLEDEN VAN DE UNIE[bewerken]

Artikel 11[bewerken]

De ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van iedere lidstaat:

a) vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, behoudens de toepassing van de bepalingen van de Grondwet, die betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en overige personeelsleden tegenover de Unie, en voorts op de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om uitspraak te doen in geschillen tussen de Unie en haar ambtenaren en overige personeelsleden. Zij blijven deze immuniteit genieten nadat zij hun ambt hebben neergelegd;

b) tezamen met hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie;

c) inzake monetaire of deviezenregelingen in het genot van de gebruikelijke faciliteiten welke aan ambtenaren van internationale organisaties worden toegekend;

d) gerechtigd om de eerste maal, dat zij hun post bezetten, in de betrokken lidstaat hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik vrij van rechten in te voeren, en bij het neerleggen van hun ambt hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik uit bedoelde lidstaat vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van de lidstaat waar dit recht wordt uitgeoefend, als noodzakelijk beschouwt;

e) gerechtigd uit een staat hun voor persoonlijk gebruik bestemde personenauto die in de staat waar zij het laatst hun verblijfplaats hebben gehad of in de staat waarvan zij onderdaan zijn, verkregen is op de voorwaarden die op de binnenlandse markt van die staat gelden, vrij van rechten in te voeren, en deze vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van de betrokken staat als noodzakelijk beschouwt.

Artikel 12[bewerken]

Onder de voorwaarden en volgens de procedure welke bij Europese wet worden vastgesteld, worden de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie onderworpen aan een belasting ten bate van de Unie op de door haar betaalde salarissen, lonen en emolumenten. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van de betrokken instellingen.

De ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie zijn vrijgesteld van nationale belastingen op de door de Unie betaalde salarissen, lonen en emolumenten.

Artikel 13[bewerken]

De ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie, die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van de Unie vestigen op het grondgebied van een andere lidstaat dan de staat van de fiscale woonplaats, die zij bezitten op het ogenblik van hun indiensttreding bij de Unie, worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen de lidstaten van de Unie gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in de staat waar zij zich gevestigd hebben als in de staat van de fiscale woonplaats, geacht hun woonplaats te hebben behouden in de laatstgenoemde staat, indien deze lid is van de Unie. Deze bepaling geldt eveneens voor de echtgenoot voorzover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefent, alsmede voor de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van de in dit artikel bedoelde personen.

De roerende goederen welke toebehoren aan de in de eerste alinea bedoelde personen en zich bevinden op het grondgebied van de staat van verblijf, worden in de staat vrijgesteld van successiebelasting. Voor de heffing van die belasting worden die roerende goederen geacht zich in de staat van de fiscale woonplaats te bevinden, onder voorbehoud van de rechten van derde staten en de mogelijke toepassing van de bepalingen der internationale overeenkomsten betreffende dubbele belasting.

De uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van een ambt in dienst van andere internationale organisaties verkregen woonplaats wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel.

Artikel 14[bewerken]

Bij Europese wet wordt de regeling vastgesteld inzake de sociale voorzieningen die op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie van toepassing zijn. Zij wordt vastgesteld na raadpleging van de betrokken instellingen.

Artikel 15[bewerken]

Bij Europese wet wordt bepaald op welke categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie artikel 11, artikel 12, tweede alinea, en artikel 13 geheel of ten dele van toepassing zijn. Zij wordt vastgesteld na raadpleging van de betrokken instellingen.

De namen, hoedanigheden en adressen der ambtenaren en overige personeelsleden, welke onder deze categorieën zijn begrepen, worden op gezette tijden aan de regeringen van de lidstaten medegedeeld.

HOOFDSTUK VI VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN VAN DE BIJ DE UNIE GEACCREDITEERDE MISSIES VAN DERDE STATEN[bewerken]

Artikel 16[bewerken]

De lidstaat, op wiens grondgebied de zetel van de Unie is gevestigd, verleent aan de missies van de bij de Unie geaccrediteerde derde staten de gebruikelijke diplomatieke voorrechten en immuniteiten.

HOOFDSTUK VII ALGEMENE BEPALINGEN[bewerken]

Artikel 17[bewerken]

De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie uitsluitend in het belang van de Unie verleend.

Elke instelling van de Unie is gehouden de aan een ambtenaar of ander personeelslid verleende immuniteit op te heffen in alle gevallen waarin zulks naar haar mening niet strijdig is met de belangen van de Unie.

Artikel 18[bewerken]

Voor de toepassing van dit protocol handelen de instellingen van de Unie in overeenstemming met de verantwoordelijke autoriteiten van de betrokken lidstaten.

Artikel 19[bewerken]

De artikelen 11 tot en met 14 en 17 zijn van toepassing op de leden van de Commissie.

Artikel 20[bewerken]

De artikelen 11 tot en met 14 en 17 zijn van toepassing op de rechters, de advocaten-generaal, de griffiers en de toegevoegde rapporteurs van het Hof van Justitie van de Europese Unie, onverminderd de bepalingen van artikel 3 van het protocol tot vaststelling van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie nopens de vrijstelling van rechtsvervolging van de rechters en de advocatengeneraal.

De artikelen 11 tot en met 14 en 17 zijn tevens van toepassing op de leden van de Rekenkamer.

Artikel 21[bewerken]

Dit protocol is tevens van toepassing op de Europese Centrale Bank, de leden van haar organen en haar personeel, onverminderd het protocol tot vaststelling van het statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank.

De Europese Centrale Bank wordt voorts vrijgesteld van elke fiscale en parafiscale heffing bij de uitbreiding van haar kapitaal, alsmede van de verschillende formaliteiten die hieraan verbonden zijn in de staat waar de zetel gevestigd is. De werkzaamheden van de Bank en van haar organen, die worden uitgeoefend overeenkomstig het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, geven geen aanleiding tot de heffing van omzetbelasting.

Artikel 22[bewerken]

Dit protocol is tevens van toepassing op de Europese Investeringsbank, de leden van haar organen, haar personeel en de vertegenwoordigers van de lidstaten, die aan haar werkzaamheden deelnemen, onverminderd het protocol tot vaststelling van haar statuut.

De Europese Investeringsbank is voorts vrijgesteld van elke fiscale en parafiscale heffing bij de uitbreiding van haar kapitaal, alsmede van de verschillende formaliteiten die hieraan verbonden zijn in de staat waar de zetel gevestigd is. Haar opheffing en liquidering brengen evenmin enige heffing mede. Ten slotte geven de werkzaamheden van de Bank en van haar organen, die worden uitgeoefend overeenkomstig de statutaire voorwaarden, geen aanleiding tot de heffing van omzetbelasting.

8. PROTOCOL BETREFFENDE DE VERDRAGEN EN AKTEN INZAKE DE TOETREDING VAN HET KONINKRIJK DENEMARKEN, IERLAND EN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND, DE HELLEENSE REPUBLIEK, HET KONINKRIJK SPANJE EN DE PORTUGESE REPUBLIEK, ALSMEDE DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE REPUBLIEK FINLAND EN HET KONINKRIJK ZWEDEN[bewerken]

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

MEMORERENDE dat het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en NoordIerland op 1 januari 1973 tot de Europese Gemeenschappen zijn toegetreden; dat de Helleense Republiek op 1 januari 1981 tot de Europese Gemeenschappen is toegetreden; dat het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek op 1 januari 1986 tot de Europese Gemeenschappen zijn toegetreden; dat de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden op 1 januari 1995 tot de Europese Gemeenschappen en tot de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie zijn toegetreden;

OVERWEGENDE dat in artikel IV-437, lid 2, van de Grondwet wordt bepaald dat de verdragen betreffende de bovengenoemde toetredingen worden ingetrokken;

OVERWEGENDE dat bepaalde bepalingen in deze toetredingsverdragen en in de daarbij gevoegde akten relevant blijven; dat in artikel IV-437, lid 2, van de Grondwet wordt bepaald dat deze bepalingen in een protocol moeten worden opgenomen dan wel vermeld, zodat zij van kracht blijven en de rechtsgevolgen ervan worden gehandhaafd;

OVERWEGENDE dat die bepalingen met behoud van de juridische strekking technisch moeten worden aangepast, zodat zij overeenkomen met de Grondwet,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

TITEL I GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN[bewerken]

Artikel 1[bewerken]

De rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de in artikel IV-437, lid 2, onder a) tot en met d), van de Grondwet genoemde toetredingsverdragen, zijn onder de in deze verdragen gestelde voorwaarden op de volgende data van kracht geworden:

a) 1 januari 1973 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

b) 1 januari 1981 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van de Helleense Republiek;

c) 1 januari 1986 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek;

d) 1 januari 1995 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

Artikel 2[bewerken]

1. De in artikel 1 genoemde toetredende staten verplichten zich ertoe, vóór hun respectieve toetreding partij te worden bij de volgende overeenkomsten en verdragen, voorzover deze nog van kracht zijn:

a) de tussen de andere lidstaten gesloten overeenkomsten en verdragen die gebaseerd zijn op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en op het Verdrag betreffende de Europese Unie, alsook die welke onlosmakelijk verbonden zijn met de verwezenlijking van de doelstellingen van de genoemde verdragen, of die welke betrekking hebben op de werking van de Gemeenschappen of van de Unie of die verband houden met het optreden van de Gemeenschappen of van de Unie;

b) de door de andere lidstaten met de Europese Gemeenschappen, met een of verscheidene derde staten of met een internationale organisatie gesloten overeenkomsten en verdragen, alsook de overeenkomsten die met deze overeenkomsten en verdragen verband houden. De Unie en de overige lidstaten zijn de in artikel 1 genoemde toetredingsstaten hierbij behulpzaam.

2. De in artikel 1 genoemde toetredingsstaten treffen passende maatregelen om zo nodig hun positie ten aanzien van internationale organisaties en internationale overeenkomsten waarbij de Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie of andere lidstaten eveneens partij zijn, aan te passen aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit hun toetreding.

Artikel 3[bewerken]

Bepalingen van de akten van toetreding, als uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het Gerecht van eerste aanleg, die tot doel of tot gevolg hebben de intrekking of de wijziging, anders dan bij wijze van overgangsmaatregel, van de handelingen die zijn vastgesteld door de instellingen, organen of instanties van de Europese Gemeenschappen of van de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie, blijven van kracht, behoudens de tweede alinea.

De in de eerste alinea bedoelde bepalingen hebben hetzelfde rechtskarakter als de handelingen die door deze bepalingen worden ingetrokken of gewijzigd en zij zijn aan dezelfde regels onderworpen.

Artikel 4[bewerken]

De teksten van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Europese Gemeenschappen en van de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie die vóór de in artikel 1 genoemde toetredingen zijn vastgesteld en die achtereenvolgens in de Engelse en de Deense, de Griekse, de Spaanse en de Portugese, en de Finse en de Zweedse taal zijn opgesteld, zijn gelijkelijk authentiek vanaf de toetreding van de in artikel 1 genoemde staten, onder dezelfde voorwaarden als de in de overige talen opgestelde en gelijkelijk authentieke teksten.

Artikel 5[bewerken]

De in dit protocol opgenomen overgangsbepalingen kunnen bij Europese wet van de Raad worden ingetrokken indien zij niet meer van toepassing zijn. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

TITEL II BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR HET KONINKRIJK DENEMARKEN, IERLAND, EN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORDIERLAND[bewerken]

AFDELING 1 Bepalingen betreffende Gibraltar[bewerken]

Artikel 6[bewerken]

1. De handelingen van de instellingen die betrekking hebben op de producten van bijlage I van de Grondwet en op de producten die bij invoer in de Unie aan een bijzondere regeling zijn onderworpen ingevolge de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, alsmede de handelingen tot harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de omzetbelasting zijn niet van toepassing op Gibraltar, tenzij de Raad bij Europees besluit anders besluit. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie.

2. De status van Gibraltar zoals deze is vastgesteld in bijlage II, punt VI (1) van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Denemarken, Ierland, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, blijft gehandhaafd. AFDELING 2 Bepalingen betreffende de Faeröer

Artikel 7[bewerken]

Deense onderdanen die op de Faeröer woonachtig zijn, worden slechts als onderdanen van een lidstaat krachtens de Grondwet beschouwd vanaf de datum waarop deze op de Faeröer van toepassing wordt.

AFDELING 3 Bepalingen betreffende de Kanaaleilanden en het eiland Man[bewerken]

Artikel 8[bewerken]

1. De Unieregeling inzake douaneaangelegenheden en inzake kwantitatieve beperkingen, met name de douanerechten, de heffingen van gelijke werking en het gemeenschappelijk douanetarief, is ten aanzien van de Kanaaleilanden en het eiland Man onder dezelfde voorwaarden van toepassing als die welke voor het Verenigd Koninkrijk gelden.

2. Voor landbouwproducten en door verwerking daarvan verkregen producten waarvoor een speciale regeling van het handelsverkeer bestaat, gelden ten aanzien van derde landen de in de Unieregeling vastgelegde heffingen en andere invoermaatregelen die door het Verenigd Koninkrijk moeten worden toegepast.

Eveneens van toepassing zijn de bepalingen van de Unieregeling die nodig zijn om het vrije verkeer en de inachtneming van normale concurrentievoorwaarden van de het handel in deze producten mogelijk te maken.

Op voorstel van de Commissie stelt de Raad bij Europese verordening of Europees besluit de voorwaarden vast waaronder de in de eerste en de tweede alinea bedoelde bepalingen op deze gebieden van toepassing zijn.

Artikel 9[bewerken]

Aan de rechten van onderdanen van de in artikel 8 genoemde gebieden in het Verenigd Koninkrijk wordt geen afbreuk gedaan door het recht van de Unie. De bepalingen van het recht van de Unie betreffende het vrije verkeer van personen en diensten is echter niet op hen van toepassing.

Artikel 10[bewerken]

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie die voor personen of ondernemingen in de zin van artikel 196 van genoemd verdrag gelden, zijn op deze personen of ondernemingen van toepassing wanneer zij in de in artikel 8 van dit protocol bedoelde gebieden zijn gevestigd.

Artikel 11[bewerken]

De autoriteiten van de in artikel 8 genoemde gebieden behandelen alle natuurlijke of rechtspersonen van de Unie op dezelfde wijze.

Artikel 12[bewerken]

Indien zich bij toepassing van de in deze afdeling neergelegde regeling aan deze of gene zijde moeilijkheden voordoen in de betrekkingen tussen de Unie en de in artikel 8 genoemde gebieden, stelt de Commissie onverwijld aan de Raad de beschermingsmaatregelen voor die zij nodig acht en geeft zij de voorwaarden en de wijze van toepassing aan.

De Raad stelt in voorkomend geval binnen een maand een Europese verordening of een Europees besluit vast.

Artikel 13[bewerken]

In de zin van deze afdeling wordt als onderdaan van de Kanaaleilanden of van het eiland Man beschouwd, iedere Britse burger die deze hoedanigheid bezit op grond van de omstandigheid dat een van zijn ouders of een van zijn grootouders aldaar is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of er in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven; in dit opzicht wordt evenwel iemand niet als onderdaan van deze gebieden beschouwd indien hijzelf, een van zijn ouders of een van zijn grootouders in het Verenigd Koninkrijk is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of daar in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. Als onderdaan wordt evenmin beschouwd degene die, in welk tijdvak dan ook, gedurende vijf jaar in het Verenigd Koninkrijk woonachtig is geweest.

De Commissie wordt in kennis gesteld van de bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om de identiteit van deze personen vast te stellen.

AFDELING 4 Bepalingen betreffende de uitvoering van een politiek inzake industrialisatie en economische ontwikkeling in Ierland[bewerken]

Artikel 14[bewerken]

De lidstaten nemen ervan kennis dat de Ierse regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een politiek inzake industrialisatie en economische ontwikkeling die ten doel heeft de levensstandaard in Ierland nader te brengen tot die in de andere lidstaten en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, en tegelijk de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk weg te werken.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van deze politiek worden verwezenlijkt en komen overeen te dien einde tot de instellingen de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van haar doelstellingen.

De lidstaten erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.

AFDELING 5 Bepalingen betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met Denemarken[bewerken]

Artikel 15[bewerken]

1. Vanaf 1 januari 1973 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van Denemarken, dat deze kennis onder de in genoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.

2. Vanaf 1 januari 1973 stelt Denemarken in de in lid 3 genoemde sectoren een gelijkwaardige hoeveelheid kennis ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Een gedetailleerd overzicht van deze kennis wordt neergelegd in een document dat wordt overhandigd aan de Commissie, die deze kennis meedeelt aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3. Denemarken stelt gegevens ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie in de volgende sectoren:

a) D.O.R. met zwaarwater gemodereerde en met organische vloeistof gekoelde reactor;

b) DT-350, DK-400 zwaarwaterreactoren met drukvat;

c) hogetemperatuur-gaskringloop;

d) instrumenten en bijzondere elektronische apparatuur;

e) „reliability”;

f) reactorfysica, reactordynamica en warmteoverdracht;

g) beproeving van materialen en uitrustingen in de reactor.

4. Denemarken verbindt zich ertoe, ter aanvulling van de verslagen die het zal toezenden, aan de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie alle inlichtingen te verstrekken, met name bij bezoeken van personeel van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie of van de lidstaten aan het Centrum te Risø, en wel onder voorwaarden die per geval in onderling overleg zullen worden vastgesteld.

Artikel 16[bewerken]

1. In de sectoren waarin Denemarken kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap, die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2. Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt Denemarken dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.

AFDELING 6 Bepalingen betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met Ierland[bewerken]

Artikel 17[bewerken]

1. Vanaf 1 januari 1973 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van Ierland, dat deze kennis onder de in dit artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.

2. Vanaf 1 januari 1973 stelt Ierland een gelijkwaardige hoeveelheid in Ierland verkregen en beperkt verspreide kennis op nucleair gebied ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, voorzover het geen strikt commerciële toepassingen betreft. De Commissie deelt deze kennis mee aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde kennis betreft hoofdzakelijk de studies voor de ontwikkeling van een energiereactor en de werkzaamheden inzake radio-isotopen en de medische toepassing ervan, met inbegrip van de problemen inzake bescherming tegen straling.

Artikel 18[bewerken]

1. In de sectoren waarin Ierland kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2. Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt Ierland dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.

AFDELING 7 Bepalingen betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met het Verenigd Koninkrijk[bewerken]

Artikel 19[bewerken]

1. Vanaf 1 januari 1973 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van het Verenigd Koninkrijk, dat deze kennis onder de in genoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.

2. Vanaf 1 januari 1973 stelt het Verenigd Koninkrijk een gelijkwaardige hoeveelheid kennis ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie in de sectoren waarvan de lijst als bijlage (2) bij protocol nr. 28 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland is weergegeven. Een gedetailleerd overzicht van deze kennis wordt neergelegd in een document dat wordt overhandigd aan de Commissie, die deze kennis meedeelt aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3. Gezien de grotere belangstelling van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor bepaalde sectoren, legt het Verenigd Koninkrijk meer in het bijzonder de nadruk op het mededelen van kennis aan de Gemeenschap in de volgende sectoren:

a) onderzoek en ontwikkeling op het gebied van snelle reactoren (met inbegrip van de veiligheid);

b) basisonderzoek (van toepassing op reactorreeksen);

c) veiligheid van andere dan snelle reactoren;

d) metallurgie, staalsoorten, zirconiumlegeringen en betonsoorten;

e) verenigbaarheid van constructiematerialen;

f) experimentele splijtstofvervaardiging;

g) thermohydrodynamica;

h) instrumenten.

Artikel 20[bewerken]

1. In de sectoren waarin het Verenigd Koninkrijk kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties, op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap, die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten van de Gemeenschap verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2. Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt het Verenigd Koninkrijk dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.

TITEL III BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR DE HELLEENSE REPUBLIEK[bewerken]

AFDELING 1 Bepalingen betreffende de toekenning van vrijstelling van invoerrechten voor bepaalde goederen door de Helleense Republiek[bewerken]

Artikel 21[bewerken]

Artikel III-151 van de Grondwet vormt geen beletsel voor de Helleense Republiek om de vrijstellingen te handhaven die vóór 1 januari 1979 waren toegekend krachtens:

a) wet nr. 4171/61 - Algemene maatregelen ter stimulering van de ontwikkeling van de economie;

b) wetsbesluit nr. 2687/53 - Investering en bescherming van buitenlands kapitaal;

c) wet nr. 289/76 - Stimuleringsmaatregelen voor de ontwikkeling van grensgebieden en daarmede verband houdende vraagstukken,

tot het verstrijken van de geldigheidsduur van de overeenkomsten tussen de Griekse regering en degenen die voor deze maatregelen in aanmerking kwamen.

AFDELING 2 Bepalingen betreffende belastingen[bewerken]

Artikel 22[bewerken]

De in punt II.2 van bijlage VIII (3) bij de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Helleense Republiek genoemde handelingen zijn ten aanzien van de Helleense Republiek van toepassing op de in genoemde bijlage bepaalde wijze, met uitzondering van de handelingen bedoeld in de punten 9 en 18 b).

AFDELING 3 Bepalingen betreffende katoen[bewerken]

Artikel 23[bewerken]

1. Deze afdeling heeft betrekking op niet-gekaarde en niet-gekamde katoen die valt onder post 5201 00 van de gecombineerde nomenclatuur.

2. In de Unie wordt een regeling ingevoerd die met name ten doel heeft:

a) de katoenproductie te ondersteunen in de gebieden van de Unie waar zij van belang is voor de landbouweconomie;

b) de betrokken producenten in staat te stellen een redelijk inkomen te verwerven;

c) de markt te stabiliseren door structuurverbetering inzake het aanbod en het in de handel brengen.

3. De in punt 2 bedoelde regeling omvat de toekenning van productiesteun.

4. Teneinde de katoenproducenten in staat te stellen het aanbod te concentreren en de productie aan de eisen van de markt aan te passen, wordt een regeling ingesteld om de vorming van producentengroeperingen en de verenigingen daarvan te stimuleren.

Deze regeling voorziet in de toekenning van steun om de oprichting van producentengroeperingen te stimuleren en de werking daarvan te vergemakkelijken.

Deze regeling geldt uitsluitend voor groeperingen:

a) die zijn opgericht op initiatief van de producenten zelf;

b) die voldoende garantie bieden inzake de duur en de doelmatigheid van hun optreden;

c) die zijn erkend door de betrokken lidstaat.

5. De regeling voor de handel van de Unie met derde landen wordt niet nadelig beïnvloed. In dit verband mogen in het bijzonder geen restrictieve maatregelen bij invoer worden genomen.

6. Bij Europese wet van de Raad worden de nodige aanpassingen van de bij deze afdeling ingestelde regeling vastgesteld.

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, bij Europese verordening of Europees besluit de basisvoorschriften vast die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling.

De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

AFDELING 4 Bepalingen betreffende de economische en industriële ontwikkeling van Griekenland[bewerken]

Artikel 24[bewerken]

De lidstaten nemen ervan kennis dat de Griekse regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een politiek inzake industrialisatie en economische ontwikkeling die ten doel heeft de levensstandaard in Griekenland nader te brengen tot die in de andere lidstaten en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, en tegelijk de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk weg te werken.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt.

Te dien einde wenden de instellingen alle middelen en procedures aan waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van haar doelstellingen.

In het bijzonder dient in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet rekening te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.

AFDELING 5 Bepalingen betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met de Helleense Republiek[bewerken]

Artikel 25[bewerken]

1. Vanaf 1 januari 1981 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van de Helleense Republiek, die deze kennis onder de in genoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op haar grondgebied verspreidt.

2. Vanaf 1 januari 1981 stelt de Helleense Republiek in Griekenland verkregen en beperkt verspreide kennis op nucleair gebied ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, voorzover het geen strikt commerciële toepassingen betreft. De Commissie deelt deze kennis mee aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde kennis betreft hoofdzakelijk:

a) studies voor de toepassing van radio-isotopen in de volgende sectoren: geneeskunde, landbouw, entomologie en milieubescherming;

b) toepassing van nucleaire technieken bij de ouderdomsbepaling;

c) ontwikkeling van apparatuur op het gebied van de medische elektronica;

d) ontwikkeling van methoden voor het opsporen van radioactieve ertsen.

Artikel 26[bewerken]

1. In de sectoren waarin de Helleense Republiek kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten van de Gemeenschap verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2. Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt de Helleense Republiek dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.

TITEL IV BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR HET KONINKRIJK SPANJE EN DE PORTUGESE REPUBLIEK[bewerken]

AFDELING 1 Financiële bepalingen[bewerken]

Artikel 27[bewerken]

De eigen middelen afkomstig uit de belasting over de toegevoegde waarde worden berekend en gecontroleerd alsof de Canarische Eilanden en Ceuta en Melilla binnen de territoriale werkingssfeer vallen van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.

AFDELING 2 Bepalingen betreffende octrooien[bewerken]

Artikel 28[bewerken]

De Spaanse nationale wetgeving inzake bewijslast, vastgesteld overeenkomstig punt 2 van protocol nr. 8 bij de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, is niet van toepassing indien de rechtsvordering ter zake van inbreuk wordt ingesteld tegen de houder van een ander werkwijze-octrooi voor de vervaardiging van hetzelfde product als het product dat het resultaat is van de werkwijze waarop de eiser een octrooi heeft, indien dit andere octrooi vóór 1 januari 1986 is verleend.

In de gevallen waarin de omkering van de bewijslast niet van toepassing is, kan het Koninkrijk Spanje de bewijslast voor de inbreuk blijven leggen bij de octrooihouder. In al deze gevallen past het Koninkrijk Spanje een gerechtelijke procedure van „beschrijvend beslag” toe.

Onder beschrijvend beslag wordt in het kader van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde regeling een procedure verstaan volgens welke eenieder die gerechtigd is een rechtsvordering ter zake van inbreuk in te stellen, bij een op zijn verzoek gedane rechterlijke uitspraak, kan verkrijgen dat een deurwaarder, bijgestaan door deskundigen, op de plaats waar de vermoedelijke inbreukmaker is gevestigd, overgaat tot een gedetailleerde beschrijving van de betwiste werkwijzen, met name door het maken van fotokopieën van technische documenten, al dan niet met zakelijk beslag. In deze rechterlijke uitspraak kan het betalen van een borgsom worden gelast, die bestemd is om aan de vermoedelijke inbreukmaker schadevergoeding toe te kennen wanneer door het beschrijvend beslag schade is veroorzaakt.

Artikel 29[bewerken]

De Portugese nationale wetgeving inzake bewijslast, vastgesteld overeenkomstig punt 2 van protocol nr. 19 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, is niet van toepassing indien de rechtsvordering ter zake van inbreuk wordt ingesteld tegen de houder van een ander werkwijze-octrooi voor de vervaardiging van hetzelfde product als het product dat het resultaat is van de werkwijze waarop de eiser een octrooi heeft, indien dit andere octrooi vóór 1 januari 1986 is verleend.

In de gevallen waarin de omkering van de bewijslast niet van toepassing is, kan de Portugese Republiek de bewijslast voor de inbreuk blijven leggen bij de octrooihouder. In al deze gevallen past de Portugese Republiek een gerechtelijke procedure van „beschrijvend beslag” toe.

Onder beschrijvend beslag wordt in het kader van de eerste en de tweede alinea bedoelde regeling een procedure verstaan volgens welke eenieder die gerechtigd is een rechtsvordering ter zake van inbreuk in te stellen, bij een op zijn verzoek gedane rechterlijke uitspraak, kan verkrijgen dat een deurwaarder, bijgestaan door deskundigen, op de plaats waar de vermoedelijke inbreukmaker is gevestigd, overgaat tot een gedetailleerde beschrijving van de betwiste werkwijzen, met name door het maken van fotokopieën van technische documenten, al dan niet met zakelijk beslag. In deze rechterlijke uitspraak kan het betalen van een borgsom worden gelast, die bestemd is om aan de vermoedelijke inbreukmaker schadevergoeding toe te kennen wanneer door het beschrijvend beslag schade is veroorzaakt.

AFDELING 3 Bepalingen betreffende het mechanisme houdende aanvulling van de tegenprestaties in het kader van door de Unie met derde landen gesloten visserijovereenkomsten[bewerken]

Artikel 30[bewerken]

1. Er wordt een specifieke regeling ingesteld voor het verrichten van activiteiten ter aanvulling van visserijactiviteiten die door vaartuigen onder de vlag van een lidstaat worden verricht in wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een derde land vallen, in het kader van de bij een visserijovereenkomst tussen de Unie en de betrokken derde landen ingestelde tegenprestaties.

2. De activiteiten die verricht kunnen worden als aanvulling op visserijactiviteiten, onder de voorwaarden en binnen de grenzen bedoeld in de leden 3 en 4, hebben betrekking op:

a) de behandeling op het grondgebied van het betrokken derde land van de vangsten die door schepen onder de vlag van een lidstaat zijn gedaan in de wateren van dit derde land tijdens visserijactiviteiten die voortvloeien uit de uitvoering van een visserijovereenkomst, teneinde deze producten in de Unie in de handel te brengen onder de tariefposten van hoofdstuk 03 van het gemeenschappelijk douanetarief;

b) de aanvoer en de overlading op een vaartuig dat de vlag van een lidstaat voert, in het kader van door een dergelijke overeenkomst voorziene activiteiten, van visserijproducten van hoofdstuk 03 van het gemeenschappelijk douanetarief, met het oog op het vervoer en de eventuele bewerking van deze producten teneinde deze in de Unie in de handel te brengen.

3. Het invoeren in de Unie van producten die het voorwerp zijn geweest van de in lid 2 bedoelde activiteiten, vindt plaats met gedeeltelijke of gehele schorsing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief of onder een bijzondere heffingsregeling, onder de voorwaarden en binnen de aanvullende grenzen die jaarlijks worden vastgesteld volgens de omvang van de vangstmogelijkheden welke voortvloeien uit de betrokken overeenkomsten en de bijbehorende uitvoeringsbepalingen.

4. Bij Europese wet of kaderwet worden de algemene voorschriften voor de toepassing van deze regeling en inzonderheid de criteria voor de verdeling van de betrokken hoeveelheden vastgesteld.

De wijze van toepassing van deze regeling alsmede de betrokken hoeveelheden worden vastgesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 37 van Verordening (EG) nr. 104/2000.

AFDELING 4 Bepalingen betreffende Ceuta en Melilla[bewerken]

Onderafdeling 1 Algemene bepalingen[bewerken]
Artikel 31[bewerken]

1. De Grondwet en de handelingen van de instellingen zijn van toepassing op Ceuta en Melilla, onder voorbehoud van de in de leden 2 en 3 en in de andere bepalingen van deze afdeling genoemde afwijkingen.

2. De voorwaarden waaronder de bepalingen van de Grondwet betreffende het vrije verkeer van goederen, alsmede de handelingen van de instellingen betreffende de douanewetgeving en de handelspolitiek van toepassing zijn op Ceuta en Melilla, zijn neergelegd in onderafdeling 3 van deze afdeling.

3. Onverminderd de bijzondere bepalingen van artikel 32, zijn de besluiten van de instellingen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid niet van toepassing op Ceuta en Melilla.

4. Op verzoek van het Koninkrijk Spanje kan de Raad bij Europese wet of kaderwet:

a) Ceuta en Melilla in het douanegebied van de Unie opnemen;

b) passende maatregelen vaststellen die de bepalingen van het vigerende Unierecht uitbreiden tot Ceuta en Melilla.

Op voorstel van de Commissie, die op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat handelt, kan de Raad bij Europese wet of kaderwet indien nodig aanpassingen van de regeling die voor Ceuta en Melilla geldt, vaststellen.

De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Onderafdeling 2 Bepalingen betreffende het gemeenschappelijk visserijbeleid[bewerken]
Artikel 32[bewerken]

1. Behoudens lid 2 en onverminderd onderafdeling 3, is het gemeenschappelijk visserijbeleid niet van toepassing op Ceuta en Melilla.

2. Op voorstel van de Commissie stelt de Raad bij Europese wet, kaderwet of verordening, dan wel bij Europees besluit:

a) de structurele maatregelen vast die ten gunste van Ceuta en Melilla kunnen worden getroffen;

b) vast op welke wijze de belangen van Ceuta en Melilla geheel of ten dele in aanmerking kunnen worden genomen bij de handelingen die hij, per geval, vaststelt met het oog op de onderhandelingen die de Unie voert omtrent het overnemen of sluiten van visserijovereenkomsten met derde landen, alsm ede de specifieke belangen van Ceuta en Melilla in het kader van internationale visserijovereenkomsten waarbij de Unie overeenkomstsluitende partij is.

3. De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, bij Europese wet, kaderwet of verordening, dan wel bij Europees besluit, in voorkomend geval, de mogelijkheden en de voorwaarden vast voor de wederzijdse toegang tot de respectieve visserijzones en de visbestanden daarvan. Hij besluit met eenparigheid van stemmen.

4. De in de leden 2 en 3 bedoelde Europese wetten en kaderwetten worden na raadpleging van het Europees Parlement vastgesteld.

Onderafdeling 3 Bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen, de douanewetgeving en de handelspolitiek[bewerken]
Artikel 33[bewerken]

1. De producten van oorsprong uit Ceuta of Melilla, alsmede de producten van herkomst uit derde landen die op Ceuta of Melilla worden ingevoerd in het kader van de regelingen die aldaar op die producten van toepassing zijn, worden bij het in het vrije verkeer brengen op het douanegebied van de Unie niet beschouwd als goederen die voldoen aan de voorwaarden van artikel III-151, leden 1 tot en met 3, van de Grondwet.

2. Het douanegebied van de Unie omvat niet Ceuta en Melilla.

3. Behoudens andersluidende bepalingen in deze onderafdeling, zijn de handelingen van de instellingen op het gebied van de douanewetgeving voor het handelsverkeer met derde landen onder dezelfde voorwaarden van toepassing op het handelsverkeer tussen het douanegebied van de Unie enerzijds en Ceuta of Melilla anderzijds.

4. Behoudens andersluidende bepalingen in deze onderafdeling, zijn de autonome of conventionele handelingen van de instellingen betreffende de gemeenschappelijke handelspolitiek die rechtstreeks verband houden met de invoer of de uitvoer van goederen, niet van toepassing op Ceuta of Melilla.

5. Behoudens andersluidende bepalingen in deze titel, past de Unie in het handelsverkeer met Ceuta en Melilla in producten die onder bijlage I van de Grondwet vallen, de algemene regeling toe die zij toepast ten aanzien van derde landen.

Artikel 34[bewerken]

Onder voorbehoud van artikel 35 worden de douanerechten bij invoer op het douanegebied van de Unie van producten van oorsprong uit Ceuta of Melilla afgeschaft.

Artikel 35[bewerken]

1. Voor visserijproducten van de posten 0301, 0302, 0303, , 1604, 1605, 0511 91 en 2301 20 van het gemeenschappelijk douanetarief, van oorsprong uit Ceuta of Melilla, geldt op het gehele douanegebied van de Unie een vrijstelling van douanerechten binnen de grenzen van tariefcontingenten die worden berekend per product en op basis van het gemiddelde van de in de jaren 1982, 1983 en 1984 werkelijk afgezette hoeveelheden.

De producten die in het kader van deze tariefcontingenten op het douanegebied van de Unie worden binnengebracht kunnen slechts in het vrije verkeer worden gebracht indien de regels waarin de gemeenschappelijke ordening van de markten voorziet, en met name de referentieprijzen in acht worden genomen.

2. De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, jaarlijks bij Europese verordening of Europees besluit de opening en de verdeling van de contingenten overeenkomstig het bepaalde in lid 1 vast.

Artikel 36[bewerken]

1. Indien de toepassing van artikel 34 zou leiden tot een aanmerkelijke groei van de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit Ceuta of Melilla waardoor producenten in de Unie schade kunnen leiden, kan de Raad, op voorstel van de Commissie, bij Europese verordening of Europees besluit de toegang van deze producten tot het douanegebied van de Unie aan bijzondere voorwaarden onderwerpen.

2. Indien, vanwege het niet toepassen van de gemeenschappelijke handelspolitiek en van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van grondstoffen of gedeeltelijk veredelde producten in Ceuta of Melilla, de invoer van een product van oorsprong uit Ceuta of Melilla ernstig nadeel toebrengt of dreigt toe te brengen aan een productieactiviteit die in een of meer lidstaten wordt uitgeoefend, kan de Commissie, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, passende maatregelen nemen.

Artikel 37[bewerken]

De douanerechten bij invoer in Ceuta of Melilla van producten van oorsprong uit het douanegebied van de Unie, alsmede de heffingen van gelijke werking als deze rechten worden afgeschaft.

Artikel 38[bewerken]

De douanerechten en heffingen van gelijke werking als deze rechten alsmede de regeling voor het handelsverkeer die worden toegepast op de invoer in Ceuta of Melilla van goederen uit een derde land, mogen niet minder gunstig zijn dan die welke de Unie overeenkomstig haar internationale verbintenissen of haar preferentiële regelingen toepast jegens dit derde land, onder het voorbehoud dat dit derde land de invoer uit Ceuta en Melilla op dezelfde wijze behandelt als de invoer uit de Unie. De regeling die bij invoer in Ceuta of Melilla wordt toegepast ten aanzien van goederen uit dit derde land, mag evenwel niet gunstiger zijn dan de regeling die wordt toegepast ten aanzien van de invoer van producten van oorsprong uit het douanegebied van de Unie.

Artikel 39[bewerken]

Op voorstel van de Commissie stelt de Raad bij Europese verordening of Europees besluit de voorschriften voor de toepassing van deze onderafdeling vast, met name de oorsprongregels die van toepassing zijn in het handelsverkeer bedoeld in de artikelen 34, 35 en 37, met inbegrip van de bepalingen betreffende de identificatie van de producten van oorsprong en de controle van de oorsprong.

Deze regels bevatten met name bepalingen inzake het merken en/of etiketteren van producten, de voorwaarden voor het registreren van vaartuigen, de toepassing van de regel van cumulatie van oorsprong voor visserijproducten, alsmede bepalingen om de oorsprong van de producten te kunnen vaststellen.

AFDELING 5 Bepalingen betreffende de regionale ontwikkeling van Spanje[bewerken]

Artikel 40[bewerken]

De lidstaten nemen ervan kennis dat de Spaanse regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een beleid inzake regionale ontwikkeling dat met name ten doel heeft de economische groei in de minst ontwikkelde gebieden en zones van Spanje te stimuleren.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt.

Zij komen overeen, teneinde het de Spaanse regering gemakkelijker te maken deze taak te vervullen, tot de instellingen de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.

De lidstaten erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking van de minst ontwikkelde gebieden en zones van Spanje.

AFDELING 6 Bepalingen betreffende de economische en industriële ontwikkeling van Portugal[bewerken]

Artikel 41[bewerken]

De lidstaten nemen er kennis van dat de Portugese regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een beleid inzake industrialisatie en economische ontwikkeling dat ten doel heeft de levensstandaard in Portugal nader te brengen tot die van de andere lidstaten en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, en tegelijk de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk weg te werken.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt.

Zij komen overeen te dien einde tot de instellingen de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.

De lidstaten erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.

AFDELING 7 Bepalingen betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met het Koninkrijk Spanje[bewerken]

Artikel 42[bewerken]

1. Vanaf 1 januari 1986 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van het Koninkrijk Spanje, dat deze kennis onder de in genoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.

2. Vanaf 1 januari 1986 stelt het Koninkrijk Spanje in Spanje verkregen en beperkt verspreide kennis op nucleair gebied ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, voorzover het geen strikt commerciële toepassingen betreft. De Commissie deelt deze kennis mede aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde kennis betreft hoofdzakelijk:

a) kernfysica (lage en hoge energieën);

b) stralingsbescherming;

c) toepassing van isotopen, in het bijzonder van stabiele isotopen;

d) onderzoeksreactoren en daarvoor gebruikte splijtstoffen;

e) onderzoek op het gebied van de splijtstofcyclus (meer in het bijzonder: winning en bewerking van arme uraniumertsen; optimalisering van splijtstofelementen voor energiereactoren).

Artikel 43[bewerken]

1. In de sectoren waarin het Koninkrijk Spanje kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2. Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt het Koninkrijk Spanje dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.

AFDELING 8 Bepalingen betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met de Portugese Republiek[bewerken]

Artikel 44[bewerken]

1. Vanaf 1 januari 1986 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van de Portugese Republiek, die deze kennis onder de in dit artikel genoemde voorwaarden op beperkte wijze op haar grondgebied verspreidt.

2. Vanaf 1 januari 1986 stelt de Portugese Republiek in Portugal verkregen en beperkt verspreide kennis op nucleair gebied ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, voorzover het geen strikt commerciële toepassingen betreft. De Commissie deelt deze kennis mee aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde kennis betreft hoofdzakelijk:

a) reactordynamica;

b) stralingsbescherming;

c) toepassing van nucleaire meettechnieken (op industrieel, landbouw-, archeologisch en geologisch gebied);

d) atoomfysica (metingen van werkzame doorsneden, kanalisatietechnieken);

e) winningsmetallurgie van uranium.

Artikel 45[bewerken]

1. In de sectoren waarin de Portugese Republiek kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciële voorwaarden verleend aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten verkregen octrooien, voorzover zij jegens derden geen verplichting of verbintenis hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2. Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt de Portugese Republiek dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciële voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciële grondslag.

TITEL V BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE REPUBLIEK FINLAND EN HET KONINKRIJK ZWEDEN[bewerken]

AFDELING 1 Financiële bepalingen[bewerken]

Artikel 46[bewerken]

De eigen ontvangsten afkomstig uit de belasting over de toegevoegde waarde worden berekend en gecontroleerd alsof de Åland-eilanden onder het territoriale toepassingsgebied vielen van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.

AFDELING 2 Bepalingen inzake de landbouw[bewerken]

Artikel 47[bewerken]

Indien ten gevolge van de toetreding ernstige moeilijkheden blijven bestaan ook nadat het bepaalde in artikel 48 en in de andere maatregelen voortvloeiende uit in de Unie bestaande voorschriften volledig zijn toegepast, kan de Commissie bij Europees besluit Finland machtigen, nationale steun aan producenten toe te kennen ten einde hun integratie in het gemeenschappelijk landbouwbeleid te vergemakkelijken.

Artikel 48[bewerken]

1. De Commissie machtigt Finland en Zweden bij Europees besluit om nationale steun op lange termijn te verlenen met het oog op de handhaving van landbouwactiviteit in specifieke gebieden. Deze gebieden omvatten de landbouwarealen benoorden de 62e breedtegraad en bepaalde aangrenzende gebieden ten zuiden van deze breedtegraad die te kampen hebben met vergelijkbare klimatologische omstandigheden welke de landbouwactiviteit bijzonder moeilijk maken.

2. De in lid 1 bedoelde gebieden worden vastgesteld door de Commissie, die daarbij met name rekening houdt met:

a) de geringe bevolkingsdichtheid;

b) de verhouding van het landbouwareaal tot de totale oppervlakte;

c) de verhouding van het landbouwareaal waarop akkerbouwgewassen voor menselijke voeding worden gekweekt tot het gebruikte landbouwareaal.

3. De in lid 1 bedoelde steun kan worden gerelateerd aan fysieke productiefactoren, zoals het landbouwareaal of het aantal dieren, rekening houdend met de in de gemeenschappelijke marktordeningen neergelegde beperkingen, alsmede met de historische productiepatronen van elk bedrijf, maar deze steun mag niet:

a) gekoppeld zijn aan de toekomstige productie;

b) leiden tot een verhoging van de productie of van het algemene steunniveau dat geconstateerd is tijdens een door de Commissie vast te stellen referentieperiode die vóór 1 januari 1995 verstrijkt.

Die steun kan per gebied worden gedifferentieerd.

De steun kan met name worden verleend om:

a) traditionele grondstoffenproductie en verwerkingsactiviteiten die passen bij de klimatologische omstandigheden van de betrokken gebieden, in stand te houden;

b) de productie-, afzet- en verwerkingsstructuren van de landbouwproducten te verbeteren;

c) de afzet van die producten te vergemakkelijken;

d) het milieu te beschermen en de natuurlijke omgeving in stand te houden.

Artikel 49[bewerken]

1. Van de in de artikelen 47 en 48 bedoelde steun, alsmede van elke andere nationale steun waarvoor in het kader van deze akte machtiging van de Commissie is vereist, wordt kennis gegeven aan de Commissie. Steun kan niet worden verleend zolang deze machtiging niet is verleend.

2. Wat de in artikel 48 bedoelde steun betreft, dient de Commissie bij de Raad met ingang van 1 januari 1996 om de vijf jaar een verslag in over:

a) de verleende machtigingen;

b) de resultaten van de steun waarvoor deze machtigingen zijn verleend.

Met het oog op de opstelling van dit verslag verstrekken de lidstaten waarvoor de machtigingen zijn bestemd, de Commissie tijdig gegevens over de gevolgen van de verleende steun, waarbij zij een beeld schetsen van de ontwikkeling die in de landbouweconomie van de betrokken gebieden is geconstateerd.

Artikel 50[bewerken]

Wat de in de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet bedoelde steunmaatregelen betreft:

a) worden van de vóór 1 januari 1995 in Oostenrijk, Finland en Zweden toepasselijke steunmaatregelen alleen de maatregelen die vóór 30 april 1995 ter kennis van de Commissie zijn gebracht, beschouwd als „bestaande” steunmaatregelen in de zin van artikel III-168, lid 1, van de Grondwet;

b) worden bestaande steunmaatregelen en plannen om steunmaatregelen in te voeren of te wijzigen die vóór 1 januari 1995 ter kennis van de Commissie zijn gebracht, beschouwd als steunmaatregelen en plannen waarvan op die datum kennis is gegeven.

Artikel 51[bewerken]

1. Behoudens andersluidende bepalingen voor specifieke gevallen, stelt de Raad op voorstel van de Commissie bij Europese verordening of bij Europees besluit de bepalingen ter uitvoering van deze afdeling vast.

2. De Raad kan bij Europese wet in deze afdeling de aanpassingen aanbrengen die noodzakelijk kunnen blijken ingeval van wijzigingen van het recht van de Unie. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel 52[bewerken]

1. Indien overgangsmaatregelen nodig zijn ten behoeve van de overgang van de in Oostenrijk, Finland en Zweden bestaande regeling naar die welke voortvloeit uit de toepassing van de gemeenschappelijke ordening der markten overeenkomstig de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, worden deze maatregelen vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG of, naargelang van het geval, van de overeenkomstige artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten. Deze maatregelen kunnen worden genomen gedurende een tijdvak dat verstrijkt op 31 december 1997; de toepassing ervan is beperkt tot die datum.

2. De Raad kan bij Europese wet het in lid 1 bedoelde tijdvak verlengen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel 53[bewerken]

De artikelen 51 en 52 zijn van toepassing op visserijproducten.

AFDELING 3 Bepalingen betreffende overgangsmaatregelen[bewerken]

Artikel 54[bewerken]

De besluiten die worden genoemd in de punten VII.B.I, VII.D.1, VII.D.2.c, IX.2.b, c, f, g, h, i, j, l, m, n, x, y, z en aa, X.a, b en c van bijlage XV (4) van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden zijn ten aanzien van Oostenrijk, Finland en Zweden van toepassing zoals in die bijlage is bepaald.

Ten aanzien van punt IX.2.x van de in de eerste alinea bedoelde bijlage XV geldt dat de verwijzing naar de artikelen 90 en 91 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap beschouwd moet worden als een verwijzing naar artikel III-170, leden 1 en 2, van de Grondwet.

AFDELING 4 Bepalingen betreffende de toepasbaarheid van bepaalde handelingen[bewerken]

Artikel 55[bewerken]

1. De individuele vrijstellingsbeschikkingen en beschikkingen waarin geen vrijstelling wordt verleend, die vóór 1 januari 1995 krachtens artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) of artikel 1 van protocol nr. 25 bij die overeenkomst zijn vastgesteld door de Toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) of door de Commissie en die betrekking hebben op gevallen die ingevolge de toetreding onder artikel 81 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vallen, blijven ter fine van artikel III-161 van de Grondwet van kracht tot de in die beschikkingen vermelde datum of totdat de Commissie overeenkomstig het Unierecht een met redenen omkleed Europees besluit neemt.

2. De door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA vóór 1 januari 1995 krachtens artikel 61 van de EERovereenkomst vastgestelde beschikkingen die ingevolge de toetreding onder artikel 87 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vallen, blijven ter fine van artikel III-167 van de Grondwet van kracht, tenzij de Commissie bij Europees besluit op grond van artikel III-168 van de Grondwet anders besluit. Het bepaalde in dit lid geldt niet voor beschikkingen die onder de procedure van artikel 64 van de EERovereenkomst vallen.

3. Onverminderd de leden 1 en 2 blijven beschikkingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA na 1 januari 1995 van toepassing, behoudens een met redenen omkleed besluit van de Commissie, overeenkomstig de grondbeginselen van het Unierecht.

AFDELING 5 Bepalingen inzake de Åland-eilanden[bewerken]

Artikel 56[bewerken]

De Grondwet belet niet de toepassing van de op 1 januari 1994 op de Åland-eilanden bestaande bepalingen inzake:

a) beperkingen, op niet-discriminatoire basis, van het recht van natuurlijke personen die niet het regionale burgerschap „hembygdsrätt/kotiseutuoikeus” in Åland genieten, en van rechtspersonen, om onroerend goed te verkrijgen en in eigendom te hebben op de Åland-eilanden zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Åland-eilanden;

b) beperkingen, op niet-discriminatoire basis, van het recht van natuurlijke personen die niet het regionale burgerschap „hembygdsrätt/kotiseutuoikeus” in Åland genieten, en van rechtspersonen, om zich op de Åland-eilanden te vestigen en er diensten te verlenen zonder de toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Åland-eilanden.

Artikel 57[bewerken]

1. Het gebied van de Åland-eilanden, dat wordt beschouwd als een derde grondgebied in de zin van artikel 3, lid 1, derde streepje, van Richtlijn 77/388/EEG van de Raad en als een nationaal gebied dat buiten het toepassingsgebied valt van de richtlijnen inzake de harmonisatie van accijnzen, in de zin van artikel 2 van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad, valt buiten de territoriale toepassing van het Unierecht op het gebied van de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake omzetbelastingen en accijnzen en andere vormen van indirecte belastingen.

Deze bepaling is niet van toepassing op het bepaalde in Richtlijn 69/335/EEG van de Raad betreffende kapitaalrecht.

2. De in lid 1 bepaalde uitzondering heeft ten doel, een leefbare lokale economie op de eilanden in stand te houden en mag geen negatieve gevolgen hebben voor de belangen van de Unie, noch voor haar gemeenschappelijke beleidsvormen. Indien de Commissie van oordeel is dat de in lid 1 bedoelde bepalingen niet langer gerechtvaardigd zijn, met name in verband met eerlijke concurrentie of de eigen middelen, legt zij passende voorstellen voor aan de Raad, die de nodige handelingen vaststelt overeenkomstig de desbetreffende artikelen van de Grondwet.

Artikel 58[bewerken]

Finland draagt er zorg voor dat alle natuurlijke en rechtspersonen van de lidstaten op de Ålandeilanden op eendere wijze worden behandeld.

Artikel 59[bewerken]

De bepalingen van deze afdeling worden toegepast in het licht van de verklaring betreffende de Åland-eilanden, waarin met behoud van de juridische strekking de bewoordingen zijn overgenomen van de preambule van protocol nr. 2 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

AFDELING 6 Bepalingen inzake de Lapse bevolking[bewerken]

Artikel 60[bewerken]

Niettegenstaande de bepalingen van de Grondwet, kunnen aan de Lapse bevolking exclusieve rechten inzake rendierhouderij binnen de traditionele Lapse gebieden worden toegekend.

Artikel 61[bewerken]

Deze afdeling kan worden uitgebreid om rekening te houden met eventuele toekomstige ontwikkelingen van de exclusieve rechten van de Lapse bevolking in verband met hun traditionele middelen van bestaan. De Raad kan bij Europese wet de nodige wijzigingen van deze afdeling vaststellen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en van het Comité van de Regio's.

Artikel 62[bewerken]

De bepalingen van deze afdeling worden toegepast in het licht van de verklaring betreffende het Lapse volk, waarin met behoud van de juridische strekking de bewoordingen zijn overgenomen van de preambule van protocol nr. 3 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

AFDELING 7 Bijzondere bepalingen in het kader van de fondsen met structurele strekking met betrekking tot Finland en Zweden[bewerken]

Artikel 63[bewerken]

De regio's die vallen onder de doelstelling, de ontwikkeling en de structurele aanpassing van de regio's met een zeer lage bevolkingsdichtheid te bevorderen, komen overeen met of behoren in principe tot regio's van niveau II van NUTS met een bevolkingsdichtheid van ten hoogste acht personen per vierkante kilometer. De bijstandsverlening van de Unie kan, op voorwaarde dat zij daadwerkelijk wordt geconcentreerd, ook worden uitgebreid tot aangrenzende en kleinere gebieden die aan hetzelfde criterium inzake bevolkingsdichtheid voldoen. De in dit artikel bedoelde regio's en gebieden staan in de lijst van bijlage I (5) van protocol nr. 6 bij de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

AFDELING 8 Bepalingen betreffende vervoer per spoor en gecombineerd vervoer in Oostenrijk[bewerken]

Artikel 64[bewerken]

1. In deze afdeling zijn de volgende definities van toepassing:

a) „vrachtwagen”: een in een lidstaat geregistreerd motorvoertuig met een maximaal toegestaan gewicht van meer dan 7,5 ton, bestemd voor het vervoer van goederen of het trekken van aanhangwagens, met inbegrip van trekkers van opleggers, en trekkers met een maximaal toegestaan gewicht van meer dan 7,5 ton, getrokken door een in een lidstaat geregistreerd motorvoertuig met een maximaal toegelaten gewicht van ten hoogste 7,5 ton;

b) „gecombineerd vervoer”: vervoer door vrachtwagens of ladingeenheden, dat gedeeltelijk plaatsvindt per spoor en waarbij het begin- of het eindtraject plaatsvindt over de weg, met dien verstande, dat het transitovervoer over Oostenrijks grondgebied tussen het begin- en het eindtraject in geen geval uitsluitend over de weg mag plaatsvinden.

2. De artikelen 65 tot en met 71 zijn van toepassing op maatregelen betreffende vervoer per spoor en gecombineerd vervoer over het grondgebied van Oostenrijk.

Artikel 65[bewerken]

De Unie en de betrokken lidstaten treffen, in het kader van hun onderscheiden bevoegdheden, maatregelen voor de ontwikkeling en de bevordering van het vervoer per spoor en het gecombineerd vervoer voor het vervoeren van goederen door de Alpen; zij stemmen deze maatregelen nauw op elkaar af.

Artikel 66[bewerken]

De Unie draagt er bij de vaststelling van de in artikel III-247 van de Grondwet bedoelde richtsnoeren zorg voor dat de in bijlage 1 (6) van protocol nr. 9 van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden vermelde hoofdroutes deel uitmaken van de trans-Europese netwerken voor vervoer per spoor en gecombineerd vervoer en dat deze bovendien worden aangemerkt als projecten van gemeenschappelijk belang.

Artikel 67[bewerken]

De Unie en de betrokken lidstaten voeren in het kader van hun onderscheiden bevoegdheden de in bijlage 2 (7) van protocol nr. 9 van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden vermelde maatregelen uit.

Artikel 68[bewerken]

De Unie en de betrokken lidstaten stellen alles in het werk om de in bijlage 3 (8) van protocol nr. 9 van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden bedoelde aanvullende spoorwegcapaciteit te ontwikkelen en te gebruiken.

Artikel 69[bewerken]

De Unie en de betrokken lidstaten nemen maatregelen ter bevordering van het vervoer per spoor en het gecombineerd vervoer. Indien passend, worden deze maatregelen, behoudens de bepalingen van de Grondwet, vastgesteld in nauwe samenwerking met spoorwegondernemingen en andere entiteiten die vervoer per spoor aanbieden. Er zal voorrang worden gegeven aan de in het Unierecht vervatte maatregelen betreffende vervoer per spoor en gecombineerd vervoer. Bij de uitvoering van deze maatregelen wordt bijzondere aandacht besteed aan het concurrentievermogen, de doeltreffendheid en de kostentransparantie van het vervoer per spoor en het gecombineerd vervoer. De betrokken lidstaten dienen deze maatregelen inzonderheid te nemen om ervoor te zorgen dat de prijzen voor gecombineerd vervoer concurrerend zijn met de prijzen van andere wijzen van vervoer. Eventuele steun in dit verband moet verenigbaar zijn met de voorschriften van het Unierecht.

Artikel 70[bewerken]

De Unie en de betrokken lidstaten treden in geval van een ernstige verstoring van het transitovervoer per spoor, bijvoorbeeld bij natuurrampen, zoveel mogelijk gezamenlijk op om de verkeersstroom in stand te houden. Daarbij moet voorrang worden gegeven aan gevoelige ladingen, zoals bederfelijke levensmiddelen.

Artikel 71[bewerken]

De Commissie evalueert de uitvoering van deze afdeling volgens de procedure van artikel 73, lid 2.

Artikel 72[bewerken]

1. Dit artikel is van toepassing op het vervoer van goederen over de weg binnen het grondgebied van de Gemeenschap.

2. Op ritten waarbij transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk is betrokken, is de regeling van toepassing die is vastgesteld bij de Eerste Richtlijn van de Raad van 23 juli 1962 en Verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad voor ritten voor eigen rekening en voor ritten met gehuurde voertuigen of tegen betaling, behoudens het bepaalde in dit artikel.

3. Tot 1 januari 1998 zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a) De totale NOx-uitstoot van vrachtwagens in transito op Oostenrijks grondgebied wordt tussen 1 januari 1992 en 31 december 2003 met 60 % verlaagd volgens de tabel in bijlage 4.

b) De verlaging van de totale NOx-uitstoot van vrachtwagens wordt geadministreerd via een ecopuntensysteem. Volgens dit systeem moet elke vrachtwagen in transito op Oostenrijks grondgebied een aantal ecopunten hebben dat overeenstemt met het niveau van de NOx-uitstoot van dat type vrachtwagen (ingeschreven op grond van zijn Conformity of Production (COP)-niveau, afgeleid van de type-goedkeuring). De toewijzing van de punten en de werking van het stelsel worden in bijlage 5 beschreven.

c) Indien het aantal transitoritten in een jaar het voor 1991 bepaalde referentieaantal met meer dan 8 % overschrijdt, treft de Commissie, volgens de procedure van artikel 16, passende maatregelen overeenkomstig bijlage 5, punt 3.

d) Oostenrijk stelt een ecopuntenkaart op en stelt deze tijdig ter beschikking voor vrachtwagens in transito door Oostenrijk met het oog op het administreren van het ecopuntensysteem overeenkomstig bijlage 5.

e) De ecopunten worden door de Commissie verdeeld over de lidstaten overeenkomstig volgens lid 7 vast te stellen bepalingen.

4. Vóór 1 januari 1998 evalueert de Raad, aan de hand van een verslag van de Commissie, de tenuitvoerlegging van de bepalingen betreffende het transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk. Deze evaluatie vindt plaats overeenkomstig de grondbeginselen van het Gemeenschapsrecht, zoals de goede werking van de interne markt, inzonderheid het vrije verkeer van goederen en de vrijheid van dienstverrichting, de milieubescherming in het belang van de Gemeenschap in haar geheel en de verkeersveiligheid. Tenzij de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen, een andere beslissing neemt, wordt de overgangsperiode verlengd en wel tot 1 januari 2001, tijdens welke periode het bepaalde in lid 3 van toepassing is.

5. Vóór 1 januari 2001 maakt de Commissie, in samenwerking met het Europees Milieuagentschap, een wetenschappelijke studie over de mate waarin de in lid 3, onder a), bedoelde doelstelling betreffende de vermindering van de vervuiling is verwezenlijkt. Indien de Commissie tot de conclusie komt dat deze doelstelling op permanente grondslag is verwezenlijkt, treedt lid 3 op 1 januari 2001 buiten werking. Indien de Commissie tot de conclusie komt dat dit niet het geval is, kan de Raad, overeenkomstig artikel 75 van het EG-Verdrag, in een communautair kader, maatregelen treffen met het oog op een gelijkwaardige bescherming van het milieu, inzonderheid een vermindering van de vervuiling met 60 %. Indien de Raad deze maatregelen niet aanneemt, wordt de overgangsperiode automatisch verlengd met een laatste tijdvak van 3 jaar, tijdens welk tijdvak het bepaalde in lid 3 van toepassing is.

6. Aan het einde van de overgangsperiode wordt het acquis communautaire volledig toegepast.

7. De Commissie neemt overeenkomstig de procedure van artikel 16 gedetailleerde maatregelen betreffende de procedures inzake het ecopuntensysteem, de verdeling van de ecopunten en technische kwesties betreffende de toepassing van dit artikel. Deze maatregelen treden in werking op de datum van toetreding van Oostenrijk.

De in de eerste alinea bedoelde maatregelen moeten ervoor zorgen dat de feitelijke situatie die voor de huidige lidstaten voortvloeit uit de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3637/92 van de Raad en van de op 23 december 1992 ondertekende Administratieve Overeenkomst betreffende de datum van inwerkingtreding en de procedures voor de invoering van het ecopuntensysteem als bedoeld in de Transito-overeenkomst, gehandhaafd blijft. Daarbij zal alles in het werk worden gesteld om ervoor te zorgen dat bij de toekenning van ecopunten aan Griekenland in voldoende mate rekening wordt gehouden met de Griekse behoeften in dit verband.

Artikel 73[bewerken]

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2. In gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

AFDELING 9 Bepalingen inzake het gebruik van specifieke Oostenrijkse termen binnen de Duitse taal in het kader van de Europese Unie[bewerken]

Artikel 74[bewerken]

1. De specifieke Oostenrijkse termen binnen de Duitse taal die voorkomen in het Oostenrijks rechtsstelsel en die in de bijlage (9) van protocol nr. 10 van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden worden genoemd, hebben dezelfde status en dezelfde rechtsgevolgen als de daarmee overeenkomende, in

Duitsland gebruikte termen welke in die bijlage worden genoemd.

2. In de Duitse taalversie van nieuwe rechtshandelingen worden de in de bijlage van protocol nr. 10 van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden genoemde specifieke Oostenrijkse termen in de juiste vorm toegevoegd aan de daarmee overeenkomende, in Duitsland gebruikte termen.

(1)PB L 73 van 27.3.1972, blz. 47.

(2)PB L 73 van 27.3.1972, blz. 84.

(3) PB L 291 van 19.11.1979, blz. 163.

(4)PB C 241 van 29.8.1994, blz. 322.

(5) PB C 241 van 29.8.1994, blz. 355.

(6) PB C 241 van 29.8.1994, blz. 364.

(7) PB C 241 van 29.8.1994, blz. 365.

(8) PB C 241 van 29.8.1994, blz. 367.

(9) PB C 241 van 29.8.1994, blz. 370.

9. PROTOCOL BETREFFENDE HET VERDRAG EN DE AKTE INZAKE DE TOETREDING VAN DE TSJECHISCHE REPUBLIEK, DE REPUBLIEK ESTLAND, DE REPUBLIEK CYPRUS, DE REPUBLIEK LETLAND, DE REPUBLIEK LITOUWEN, DE REPUBLIEK HONGARIJE, DE REPUBLIEK MALTA, DE REPUBLIEK POLEN, DE REPUBLIEK SLOVENIË EN DE SLOWAAKSE REPUBLIEK[bewerken]

10. PROTOCOL BETREFFENDE DE PROCEDURE BIJ BUITENSPORIGE TEKORTEN[bewerken]

11. PROTOCOL BETREFFENDE DE CONVERGENTIECRITERIA[bewerken]

12. PROTOCOL BETREFFENDE DE EUROGROEP[bewerken]

13. PROTOCOL BETREFFENDE ENKELE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND TEN AANZIEN VAN DE ECONOMISCHE EN MONETAIRE UNIE[bewerken]

14. PROTOCOL BETREFFENDE ENKELE BEPALINGEN INZAKE DENEMARKEN TEN AANZIEN VAN DE ECONOMISCHE EN MONETAIRE UNIE[bewerken]

15. PROTOCOL BETREFFENDE BEPAALDE TAKEN VAN DE NATIONALE BANK VAN DENEMARKEN[bewerken]

16. PROTOCOL BETREFFENDE DE REGELING VOOR DE FRANK VAN DE FINANCIËLE GEMEENSCHAP VAN DE STILLE OCEAAN[bewerken]

17. PROTOCOL BETREFFENDE HET IN HET KADER VAN DE EUROPESE UNIE GEÏNTEGREERDE SCHENGENACQUIS[bewerken]

18. PROTOCOL BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN BEPAALDE ASPECTEN VAN ARTIKEL III-130 VAN DE GRONDWET OP HET VERENIGD KONINKRIJK EN IERLAND[bewerken]

19. PROTOCOL BETREFFENDE DE POSITIE VAN HET VERENIGD KONINKRIJK EN IERLAND TEN AANZIEN VAN HET BELEID INZAKE GRENSCONTROLE, ASIEL EN IMMIGRATIE, EVENALS TEN AANZIEN VAN JUSTITIËLE SAMENWERKING IN BURGERLIJKE ZAKEN EN POLITIËLE SAMENWERKING[bewerken]

20. PROTOCOL BETREFFENDE DE POSITIE VAN DENEMARKEN[bewerken]

21. PROTOCOL BETREFFENDE DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN VAN DE LIDSTATEN IN VERBAND MET DE OVERSCHRIJDING VAN DE BUITENGRENZEN[bewerken]

22. PROTOCOL BETREFFENDE ASIEL VOOR ONDERDANEN VAN LIDSTATEN[bewerken]

23. PROTOCOL BETREFFENDE PERMANENTE GESTRUCTUREERDE SAMENWERKING, INGESTELD BIJ ARTIKEL I-41, LID 6, EN ARTIKEL III-312 VAN DE GRONDWET[bewerken]

24. PROTOCOL BETREFFENDE ARTIKEL I-41, LID 2, VAN DE GRONDWET[bewerken]

25. PROTOCOL BETREFFENDE DE INVOER IN DE EUROPESE UNIE VAN IN DE NEDERLANDSE ANTILLEN GERAFFINEERDE AARDOLIEPRODUCTEN[bewerken]

26. PROTOCOL BETREFFENDE DE VERWERVING VAN ONROERENDE GOEDEREN IN DENEMARKEN[bewerken]

27. PROTOCOL BETREFFENDE HET PUBLIEKEOMROEPSTELSEL IN DE LIDSTATEN[bewerken]

28. PROTOCOL BETREFFENDE ARTIKEL III-214 VAN DE GRONDWET[bewerken]

29. PROTOCOL BETREFFENDE ECONOMISCHE, SOCIALE EN TERRITORIALE SAMENHANG[bewerken]

30. PROTOCOL BETREFFENDE DE BIJZONDERE REGELING VAN TOEPASSING OP GROENLAND[bewerken]

31. PROTOCOL BETREFFENDE ARTIKEL 40.3.3 VAN DE GRONDWET VAN IERLAND[bewerken]

32. PROTOCOL BETREFFENDE ARTIKEL I-9, LID 2, VAN DE GRONDWET INZAKE DE TOETREDING VAN DE UNIE TOT HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHERMING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN DE FUNDAMENTELE VRIJHEDEN[bewerken]

33. PROTOCOL BETREFFENDE DE AKTEN EN VERDRAGEN WAARBIJ HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN HET VERDRAG BETREFFENDE DE EUROPESE UNIE ZIJN AANGEVULD OF GEWIJZIGD[bewerken]

34. PROTOCOL BETREFFENDE DE OVERGANGSBEPALINGEN INZAKE DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE UNIE[bewerken]

35. PROTOCOL BETREFFENDE DE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN DE BEËINDIGING VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL EN BETREFFENDE HET FONDS VOOR ONDERZOEK INZAKE KOLEN EN STAAL[bewerken]

36. PROTOCOL TOT WIJZIGING VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE[bewerken]

Flag of Europe.svg   Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa   Flag of Europe.svg
Preambule
Deel I - Definitie en Doelstellingen van de Unie
Deel II - Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
Deel III - Beleid en Werking van de Unie
Deel IV - Algemene en Slotbepalingen:
Slotbepalingen - Protocollen - Bijlagen I en II - Slotakte - Verklaringen