Vogelkiekjes/XXIII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXII. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XXIII

XXIV.


[ 75 ]

XXIII.

Iets over Tapuiten.


„Tapuiten, neen, daar hebben we nooit van gehoord!"

Niet honderden, maar duizenden menschen in den lande zullen dat antwoord geven, wanneer ge naar Tapuiten [ 76 ] vraagt. En toch zijn het aardige, vroolijke, lieve vogeltjes, die men in alle droge streken van ons land kan vinden. Maar ze laten zich niet zoo heel gemakkelijk op den keper beschouwen. Hoor, daar is een Tapuit! 't Is de gewone, de Saxicola oenanthe (L.).

Kort is zijn zang en gedurig herhaalt hij dien. Stellig bevindt hij zich wel op of bij dien wal, welke die landerijen scheidt. Want wallen, steenhoopen, glooiingen en aardhoopen zijn de geliefkoosde verblijfplaatsen der Tapuiten. Ja, daar zit er een! Wip, weg is hij weer. Hij speelt van: „zoo zie je me, en zoo zie je me niet." En als je hem in het oog gekregen hebt, vliegt hij met een boog achter den wal langs, om een meter of tien verder weder te voorschijn te komen. Jawel, het kleintje wil ons foppen, en ons zoo bij zijn nestje vandaan lokken. Want dat nestje bevindt zich ongetwijfeld in den wal, en ik wed, dat dit ronde gaatje er toegang toe geeft. Klop eens op den wal! Wip, daar vliegt ook het wijfje uit het gaatje, en in een ommezien is het ver weg. Nu is alle twijfel opgeheven.

En als we ons nu in bedekking begeven achter dien begroeiden aardhoop, dan kunnen we tusschen de groene planten door het oog gericht houden op de plaats, waar de Tapuiten stellig terug zullen komen. Bovendien is 't hier een heerlijk plekje, vol Meizoentjes en allerlei andere bloemen, waarboven aardhommels, bijen en glansvliegen gonzend zweven.

Ha, daar komt het mannetje-Tapuit al eens op verkenning! Telkens duikt het kopje naar beneden en wipt het staartje omhoog, zoodat het blinkend wit van staart en stuit duidelijk in het oog valt. De Culblanc der [ 77 ] Franschen, de Whatear der Engelschen wordt dan ook hier plaatselijk wel Witstaart en Wijntapper genoemd, terwijl ook nog tal van andere namen voorkomen, waaronder die van Walduiker en Heidehupper wel de aardigste zijn.

Mooi steekt het lichtgrijze manteltje van den Tapuit af bij het zwart van wangen en vleugels, en bij het rozekleurig geelwit der onderdeelen. Daar komt ook het wijfje schuchter aanhippen, zeker om te laten zien, dat zij minder glanzende kleuren heeft, en dat ze het zwart aan de wangen mist.

Het najaarspakje dezer Tapuiten kenmerkt zich door eene zachte roestkleur over alle tinten, behalve over het wit.

Maar nu zouden we ook nog gaarne even het nestje willen zien, doch dan moeten we onmiddellijk onze bedekking verlaten, anders brengen we weer stoornis, als het vrouwtje zich op de eieren bevindt. O wee! wat schrikken de arme diertjes, nu we te voorschijn komen; ze hadden het niet verwacht, dat die booze menschen nog zoo nabij waren. Luider dan straks nog laat het mannetje zijn loktonen hooren om ons toch maar in die richting te roepen. We geven er geen gehoor aan en spoedig bevinden we ons bij het holletje, waarvan de onderkant platgetreden is door de vogelpootjes, zoodat geen voetindrukken meer zichtbaar zijn. We kunnen zoo het nestje niet zien, daar het hol ombuigt, maar wanneer we voorzichtig deze zode wegnemen, zal het wel gaan. Juist, daar is het, eenvoudig gemaakt van wat ruwe halmen en vezels, maar geheel belegd met zachte veertjes en wolpluisjes.

We moeten dit wat terzijde schuiven, willen we de [ 78 ] zes hemelsblauwe, ongestippelde eiertjes zoo knusjes bijeen zien liggen. Hoor het mannetje, en zie het angstige wijfje! Hoe bang zijn de vogeltjes, dat we hun schat zullen rooven. En zouden we nu alles weer in dezelfde voegen kunnen krijgen, opdat de diertjes door eenige verandering het nest niet zullen verlaten? Wees niet bezorgd, want zoo nauw nemen de Tapuiten het niet. Zelfs, wanneer we de zode niet op de oude plaats terug brachten, zou het wijfje op het nest terugkeeren. Ziezoo, alles in gereedheid? We gaan heen, en spoedig zal de rust voor de vogeltjes teruggekeerd zijn.

De gewone Tapuit doet zich veelvuldig en op tal van plaatsen in ons vaderland voor; maar er is ook nog een langvleugelige vorm, de Saxicola oenanthe leucorhoa (Gmel.), of Noordelijke Tapuit, waarvan slechts eenmaal met bekendheid een voorwerp in ons land is gevangen. Deze soort broedt in het hooge Noorden, maar komt op den trek wel meer voor, dan gedacht wordt.

Meermalen kan men ook broedende bij ons vinden de Roodborsttapuit (Pratincola rubicola [L.]), die van Maart tot November bij ons woont, en waarvan zelfs in den winter enkele voorwerpen bij ons blijven. Nog kunnen we, vooral in de duinen, menigvuldig vinden het Paapje (Pratincola rubetra [L.]), doch dit stompstaartje zullen we later nog eens in zijn intieme leven beschouwen, te midden van Kneutjes en Rietgorsen.

Waar we heden aandacht gevraagd hebben voor de mooie en vlugge Tapuiten, daar wordt iedere vogelvriend uitgenoodigd, acht te willen geven op het voorkomen van deze lieve dieren.