Vogelkiekjes/XXIX

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXVIII. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XXIX

XXX.


[ 95 ] [ 96 ]
 

XXIX.


Bij de klimvogels.


„Koekoek, koekoek!" Hoeveel jaar heb ik nog te leven? Zooveel malen één jaar, als de koekoek zijn roep achtereen laat hooren. Valt het getal niet mee, vraag het dan later nog eens, en gedurig weer, dan zal stellig het goede getal er bij komen. Wie dan scherpzinnig genoeg is, het juiste er uit te zoeken, die weet het. Maar vraag het vooral, wanneer de vogel in 't voorjaar uit het Zuiden naar hier teruggekeerd is, want dan is zijn roep hartstochtelijk en gedurig. Dan hoort ge ook meermalen het vluggere „koe-koe-koek", en het lachende geluid, die de sexen te zamen roepen. Mevrouw Koekoek is een groote dame, die de voeding en opvoeding van het kroost aan andere vogels overlaat. Bij velerhande spitsbekkige zangvogels kiest ze hare sujetten, die zoowel met het uitbroeden der eieren als met de verzorging der kinderen belast worden. Doch nooit wordt meer dan één ei in het nest van zoo'n zangvogelpaar gelegd. De pleegouders zien dan eigen kroost verloren gaan, doch ze voeden het vreemde jong met onafgebroken liefde, ook nog, wanneer het reeds lang het nest verlaten heeft.

Wat is zoo'n Koekoek (Cuculus canorus L.) overigens een mooie vogel! Sperwerkleurig is hij, en het dwaze volksgeloof beweert, dat deze vogel elk voorjaar in een Sperwer met geduchte roofvogeleigenschappen verandert, en vervolging blijft dan ook niet altijd uit. 't Is al te gek, want dan zou de snavel in den zomer recht en des winters sterk gekromd moeten zijn. Bij de oude Grieken [ 97 ] reeds heerschte dit dwaalbegrip. 't Is jammer voor den geweldigen rupseneter, die vooral gaarne ruige rupsen, welke door vele andere vogels versmaad worden, verorbert. Ook de rupsen van het koolwitje eet hij graag. Een sieraad voor den vogel is zijn prachtige waaierstaart, die trapsgewijze verlengd en zeer breed is, en het stemmig grijze manteltje past aardig aan bij de witte en bruine dwarsbanden der onderdeelen. Van de lichtgele pooten zijn twee teenen naar voren gekeerd, en zulke klimvoeten komen den vogel goed te pas, wanneer hij in het geboomte zijn voedselgebied, waar hij geen soortgenooten kan dulden, inspecteert. De jonge vogels zijn in het eerste jaar te kennen aan de zwartbruine, met roodbruine banden versierde, vederen der bovendeelen. Soms behoudt een koekoek ook op lateren leeftijd het roodbruine kleed.

We willen in het bosch nog een paar klimvogeltjes bezien. Eén er van kunnen we dikwijls in onze tuinen waarnemen. 't Is de Boomkruiper (Certhia brachydactyla Brehm), het Grijze Houtspechtje uit Holland, het Klampvogeltje uit Noord-Brabant, het Kieddermenneke uit Limburg en het Boomleuperken uit Twente.

Als muizen kruipen de kleine vogels dezer soort bij de boomstammen op en ook langs de takken, en hierbij dient de staart tot steun, die er dan, evenals de vederen der onderdeelen, dikwijls vuil en afgesleten uitziet. Met het gekromde priemvormige snaveltje weet het evenwel allerhande insecten uit schorsspleetjes en gaatjes weg te pikken, zoodat men goed doet, het kleintje maar zijn gang te laten gaan. Het wil evenwel niet gaarne bespied worden, want wanneer men het wil bekijken, begeeft [ 98 ] het zich gewoonlijk aan de andere zijde van den boom, om zich aan het nieuwsgierig oog te onttrekken. Gedurig weer vliegt het naar beneden, om opnieuw naar boven te kruipen: zoo zie je me en zoo zie je me niet!

De Boomkruiper houdt van een groote huishouding. In het eenvoudige, uit boombastvezels vervaardigde nest, vindt men meermalen tot tien eieren, witachtig en bruin en grijs gestippeld en gevlekt. Dikwijls wordt er later nog een tweede nest gemaakt, doch dit bevat dan een een kleiner aantal eieren.

We groeten het rosbruine, witachtig en zwart gevlekte en gestreepte vogeltje, om nog even te zien naar dien Boomklever (Sitta europaea caesia Wolf), die ook Blauwspecht, Spechtmees en Plakspecht geheeten wordt. Hij is niet zoo algemeen als de Boomkruiper en komt meer in het Zuiden van het land voor, dan wel in de Noorddelijke provincies. We willen eerst even zijn nest bekijken. In deze boomspleet is het verborgen, en wanneer men na eenige draaiingen van het hoofd de blinkend witte eieren met de roode vlekjes, die op dorre blaadjes bijeen liggen, ziet, is men overtuigd, dat ze daar wel bewaard zijn. Het gaat niet de eieren even in de hand te nemen, want de spleet is, met uitzondering van een kleine opening, waardoor het vogeltje juist het lichaampje kan heenwringen, zoo stevig met kleiaarde dichtgemetseld, dat men die met de hand niet kan afbrokkelen.

Ziet ge wel, dat de Boomklever zich weer heel anders langs de stammen voortbeweegt, dan de Boomkruiper dit doet? Dikwijls kruipt hij naar beneden met den kop omlaag en verder in alle richtingen. Zoo kent men een vogel dikwijls uit bewegingen en gewoonten, evengoed [ 99 ] als uit vormen en vederkleed. Men zou den Boomklever ook kennen aan de blauwachtig grauwe vederen der bovendeelen met donkerder vleugels, en aan den staart, die, met uitzondering van de middelste twee pennen, geheel zwart is. En hiermede hebben we weder kennis gemaakt met drie vogels, eigenaardig in levenswijzen, doch ook uit een nuttigheidsoogpunt aller bescherming waard.